begin  verder
[p. 4]
 
Ik zing met Harp, noch Luit, noch Orgel,
 
Noch met een kunstig maatgezang,
 
Maar met een halfverroeste Gorgel.....
[p. 7]

Inleiding.

 
Pour mettre en fureur les gens - graves, graves, graves,
 
Et amuser les enfants - petits, petits, petits.
 
(Charles Cros).

In de Gouden Eeuw, zo leren wij op school, bloeiden scheepvaart en koophandel met tropische weelde en welvaart heerste alom.

De strijd met Spanje was gewonnen, die met Engeland voorlopig in ons voordeel beslist. Iedereen ging naar de Oost of de West, handelde in specerijen, goud, of slaven en keerde terug, de pofbroek vol zilverstukken en niemand die het waagde daar de snode vingers naar uit te strekken. Want, mag men Multatuli geloven, zelfs de Dey van Algiers kreeg maagkoliek, wanneer hij alleen maar het wapperen van de Nederlandse vlag hoorde.

In de Gouden Eeuw scheen zelfs de zon warmer dan nu over ons droefgeestige vaderland; men dronk wijn van eigen wingerd. Maar sterker nog: zelfs voor dichters was de Gouden Eeuw mild. Zij bewoonden, vrij van zorg, grote kastelen of welgedane buitengoederen, waar zij zich met hun vrienden (en vriendinnen, maar altijd, voor zover men zien kon, in het nette) diverteerden, de luit betokkelden, dronken uit roemers doof de vaardige diamant hunner dochters met lieflijke taferelen bekrast en de rest van hun tijd de twistpunten der calvinistische leer overpeinsden.

[p. 8]

De dichter Willem Godschalk van Focquenbroch was een Gouden Eeuwer, maar schoon hij o.a. veel van wijndrinken hield (als hij er geld voor had), een buitengoed heeft hij nooit bezeten en zijn lange gedicht over de godsdiensttwisten, ‘Land en Kerkenood’ begint:

 
Mij lust de driften der hervormde kerkelingen
 
Met Hollands Waternood en Dijkbreuke op te zingen
 
En af te malen tot een erg denktafereel,
 
Dat zelfs de naneef schrikke op 't hooren van 't krakeel.

Vandaar wellicht dat men hem in geen enkele schoolbloemlezing aantreft en dat de praeponderante literatuurgeschiedenissen hem niet, of slechts met misprijzen vermelden. In Amsterdam, de stad waar hij geboren is, werd geen straat naar hem genoemd en hij is wel zó vergeten, dat men hierbij niet aan rancune om zijn schimpdicht ‘Op Amsteldam’ hoeft te denken. Zijn geboortejaar staat niet geheel vast. Worp1) schat het tusschen 1630 en '36. Hoewel hij 10 Juni '62 te Utrecht in de medicijnen promoveert (op een proefschrift ‘De lue venere’) is hij toch altijd Amsterdammer gebleven.

Na zijn promotie begon hij er een praktijk, die zelfs in de pestjaren '63 en '64 niet druk liep. In een brief waarbij hij zijn nicht zijn ‘Thalia of geurige2) zanggodin’ aanbiedt, schrijft hij: ‘Zij is samengevoegd van een partij geuren, die mijn ledigheid en voornamelijk de voorlede pesttijd mij om tijdverdrijf heeft op het papier doen stellen’. Maar elders in dezelfde brief staat: ‘Wanneer ik eindelijk eens door mijn praktijk (die God lof redelijk toeneemt) een honderdduizend dukaten zal overgewonnen hebben, zoo twijfel ik niet, of ik zal U Ed., ma charmante Cousine wel haast ter bruiloft nooden.’

Groot kan in ieder geval de toename van zijn praktijk niet zijn geweest. Zijn tijd was ruim bezet met andere bezigheden. Een van zijn liefhebberijen, het wijndrinken, noemde ik al. De andere waren: roken, vrijen, fluitspelen, vioolspelen, lange gesprekken voeren en dichten. - Is het onbegrijpelijk dat Prinsen in de zes regels die hij in zijn bekende handboek aan Focquenbroch wijdt, verachtelijk van den ‘verlopen medicus’ gewaagt?

[p. 9]

Zijn tijdgenoten, zijn ‘broeders in Apollo’ de kasteelheren, predikanten en niet-verlopen medici, zullen er niet anders over hebben gedacht. Maar toch was hij in de 17e eeuw en nog lang daarna, een beroemd man. Zijn werken werden acht keer herdrukt. De laatste uitgave verscheen honderd jaar na zijn dood en zijn ‘blijspel’ De min in 't Lazarushuis (de aanhalingstekens zijn alweer van Prinsen, doch het ‘blijspel’ is, zoals Prinsen zelf trouwens ook zegt, een bewerking naar Lope da Vega, toch een goede naam) hield zich 130 jaar in de Amsterdamse schouwburg staande.

Al stelt Abr. Bogaert, de verzorger van Focquenbrochs nalatenschap, hem op één lijn met Westerbaan, Brand, Vos, Kats, de Decker en zelfs Vondel, al noemt Thomas Asselijn hem een tweeden Juvenalis, het is niet bekend dat er enige omgang tussen Focquenbroch en de ‘Grote Gestalten’ uit zijn tijd heeft bestaan, en dàt deel van zijn oeuvre, dat voor ons van belang is, werd eerst in 1697, toen hij al 12 jaar dood was, gedrukt en is vrijwel nooit iemand opgevallen.

Maar zijn ‘Gedachten over 't onbestendig Geluk’, ‘Gedachten’ en ‘Gedachten over 't ongelijk Fortuin’, stellen het vermaarde ‘Het menschelijk Leven’ van Willem van Haren, verre in de schaduw. Zijn ‘Sarabanda aan Fillis’ is een der meest melodieuze minnedichten in onze taal. Zijn werk is vrijwel volkomen vrij van de botte gemeenplaatsen waar b.v. de Génestet, die geacht wordt onze schooljeugd inzicht in poëzie te geven, zoo van overvloeit. En een belangrijk ding zou men bijna over het hoofd zien: aan satirici zijn wij zeer arm.

Zijn vroegere beroemdheid was een miskenning op zich zelf. Hij had haar te danken aan zijn bewerkingen naar Paul Scarron den grondlegger der burleske poëzie, van wien hij o.a. de ‘Virgile travesti’ en ‘Typhon, ou la Gigantomachie’, vertaalde. Op zichzelf was dit niet onverdienstelijk, ook al niet, doordat hij althans de eerste was die in ons land dit burleske genre beoefende. Eveneens in zijn andere navolgingen (naar Lucianus, Molière, Ovidius) stak hij boven zijn tijdgenoten uit. De studie van Worp is voornamelijk aan deze zijde van zijn dichterschap gewijd.

Met de twee bundeltjes ‘Thalia, of de geurige zanggodin’ en zijn al of niet oorspronkelijke toneelstukken, werd zijn roem gevestigd, die in meer dan één opzicht (naar onze smaak tenminste) een twijfelachtige gunst betekende. Als medicus? Wat

[p. 10]

te denken van een arts wiens grootste ambitie is, de lach die aan een aardbeving doet denken? Men durft hem zijn eksterogen nog niet te laten snijden, dien losbol.

Als dichter? Kon men toen, zoo goed als nu, de naam van dichter dragen, als men zijn kunst niet met vroom gezicht en plechtige gebaren beoefende? Als men naam gemaakt had met onzedelijke kolder, mocht men dan, ook al had men voortreflijke, diepzinnige strofen over het Noodlot geschreven, een kunstenaar met een K. heten? Of Focquenbroch, die zich hoegenaamd geen illusies maakte, ook niet over zijn kunst (al of niet met K.) zich daar veel van aangetrokken heeft, is niet bekend, maar niet waarschijnlijk.

De houding van zijn tijdgenoten, de drossaerts, dominees en niet-verlopen medici, laat zich gemakkelijk raden: Zij hebben om hem gelachen (want aan humor stelden zij andere eischen dan wij).... maar zouden niet graag met hem in één kamer gezeten hebben. Hij is altijd een obscure figuur gebleven, ook wat zijn (adellijke?) afkomst betreft; ‘in een zeker mythisch waas gehuld’ (Worp).

Zijn ernstige gedichten hebben zij over 't hoofd gezien of gewantrouwd. En van het eind der achttiende eeuw af, herinnerden zij die zijn naam nog kenden, zich alleen nog maar dat hij een verlopen medicus was geweest en stukken geschreven had van een soort grappigheid die thans op de lachspieren geen uitwerking meer had. Bovendien waren het slechts vertalingen, iets wat men hem tot dusverre niet kwalijk had genomen.

En zijn oorspronkelijke poëzie was gevoelvol, rijk aan stemming, technisch zeer subtiel en volmaakt, zonder rhetoriek. In zijn minnedichten was hij openhartig over gemoeds- (maar ook andere) bewegingen, die men als nuchter en welopgevoed Nederlander dient te verknoersten. Die kreeg derhalve het stempel ‘sentimenteel’.

Zijn sarcasmen en ‘geurige invallen’ hebben de diepte van zijn wanhoop maar aan weinigen duidelijk kunnen maken. Worp meent zich voor zijn ijver dan ook aldus te moeten verontschuldigen:

‘Als eene soort van vrijbuiter op letterkundig gebied, als een losbol in zijn leven, zooals wij zoo duidelijk uit zijn werken bespeuren, is hij niet geschikt om eene eervolle plaats in te nemen onder die mannen van zijn tijd, wier werken thans nog gelezen en geprezen worden.

[p. 11]

Maar als een schrijver, wiens werken jaren lang zijn uitgegeven en ten toonele gevoerd, als de eerste vertegenwoordiger van een hier te lande nieuw genre, is hij uit een litterair-historisch oogpunt een kleine studie waardig.’

Zijn vrijbuiterschap kan ons nu alleen maar belangwekkend voorkomen en de losbolligheid zullen wij wellicht kunnen vergeten, mocht die ons hinderen. Ik zeg wellicht, want het ‘een losbol in het leven zijn’, schijnt in ons land nog altijd onverenigbaar te wezen met dichterlijk gezag,

Vulde niet nog in 1939, tweeënvijftig jaar na Multatuli's dood, diens schoondochter 520 pagina's met weeklachten dat hij zijn schulden niet betaalde en zijn gezin verwaarloosde?

Van Focquenbrochs leven te Amsterdam is, behalve wat hijzelf erover schrijft en een paar opmerkingen bij Wagenaar, weinig bekend. In verband met zijn liefhebberijen, laat het zich gemakkelijk vermoeden.

Hij stond altijd klaar om voor zijn vrienden verjaardags- of bruiloftsverzen te maken, brieven aan hen in elkaar te rijmen. Als niet alle 17e eeuwers zich aan gelegenheidspoëzie bezondigd hadden, zou ook dit hem wel weer verdacht maken bij de adepten der ‘verheven’ en ‘heilige’ school, die het talent beschouwen als een muntstuk uit Gods eigen hand ontvangen, waar men vooral geen ulevellen voor kopen mag.

Overstelpt met schulden, uitgehold door een ongelukkige liefde, die hij tevergeefs lachend poogt te verbijten, neemt hij in 1667 dienst bij de W.I.C. en vertrekt als fiscaal naar de ‘dorper kuste van Guinee, (doch aangenaam door hare goudmijn)’, zoals hij in de voorrede tot zijn ‘Min in 't Lazarushuis’, die hij daar bewerkte, schreef. Een brief uit die periode neem ik hier over:

Waarde Vrind!
Ik heb over veertien dagen geschreven met een Hollandsch schip, doch alzo hetzelve noch eerst een reis moet gaan doen naar Angola, zo vertrouw ik wel, dat die brief wel eenige maanden na deze zal arriveeren. Ik leer hier van alle slag van ambachten, al zo ik buiten Fiscaal, voor Secretaris, voor Raad, voor Notaris, voor Ambassadeur, voor Kaper, en voor den eenen drommel met den ander moet speelen: zo dat gij wel kunt denken, dat ik hier niet veel tijd heb om speelen te loopen; daar ook niet veel occasie toe is in dit barbaarsche, melancholique en verbaasde dorre land, 't welk ik niet gezind
[p. 12]
ben heel net af te schilderen, uit vrees, dat gij schreien zoud als een kind, en de arme Fok beklagen, omdat hem het noodlot in zo verdoemde plek gebracht heeft. Want beeldt u zelfs eens in te zien een zwaarmoedig kasteel, gesitueert op een schraale en dorre rots, daar de zee, met een eeuwig naar geruisch, op leid te gnorren; figureert u vorders aan de rechterhand van 't voorgeschreve kasteel te zien een lankwerpig dorp, bestaande in hutten, gedekt met zwart verbrand hooi, en strooi, of riet (want de duivel zou zelfs niet kunnen raden welk van drieën het is) waarin het zwermt van halfnaakte en koolverwige schimmen, die u den ganschen dag de ooren warm maken met een eeuwig getoet van loejende hoorens, daar zij haar Artem Musicam met het abominabelste geschal des weerelds op exerceren, 't geen u wel een baal katoen in 't jaar zou kosten, om uw geluitvangers daarmede toe te stoppen. Aan de linker zijde van 't kasteel zwalpt een droevig riviertje, 't geen al 't zout van de zee in zijn boezem ingezogen schijnt te hebben, alzo 't zelve tienmaal zouter is dan het allerziltste pekelnat.
Bedenk nu vorders bij u zelven omtrent twee mijlen in 't rond een barre en schrale woestijn te zien, waarop noch telg, noch lover te vinden is, die u voor een straal van de zon kan beschutten, die hier zo schrikkelijk steil, boven onze kruin, in 't Zenith staat, dat men op 't midden van den dag, zelfs omtrent de de hoogste toren des weerelds, geen duimbreet schaduw zou kunnen vinden.
Denk nu vorders of ik geen reden heb van zomtijds in drie weeken niet buiten het kasteel te komen en in mijn cel te blijven; alwaar gij mij zoudt zien zitten, in compagnie van mijn twee zwarte jongens, al dampende dat het zijn oogen verdraaid en dat zij met hun beiden eeuwig werk hebben met tabak te kerven, en te stoppen; dit gaat zo zijn gang al schrijvende, of iets vermakelijks leezende, of met een eerlijke ziel of twee bij mij, onder de beneficie van een glaasje, om de geest te verfraaijen en de melancholie te diverteeren. Wat aangaat mijn muzijk, die is, door het afsterven van mijn kouzyn van Heden, die met mij overgekomen, en hier zedert eenige weken overleden is, zodanig verstorven, dat gij mijn violen met droefheid aan de wand zoud zien hangen, zodanig gediscordeert, dat gij daar niet dan een enkele bas op zoud vinden; terwijl in de holte van dat droevig instrument de spinnekoppen zodanig haar logement hebben verkoozen, dat ik geloof dat zij van
[p. 13]
sins zijn van hun eigen weefzel daar nieuwe snaren op te maken. In 't end, ik vind dat ik met recht mag zingen, pas als de kinderen Israëls in een der psalmen doen. Super flumina Babyloniae, illic sedimus & flevimus, & suspendimus Organa nostra.

Dat is:
 
Aan de Babylonsche stroomen
 
Hingen wij met naer gesteen,
 
En met jammerlijk geween,
 
Al ons speeltuig aan de boomen.
Doch echter patientie, is 't land slecht, het goud is goet, en dat is het alleen, 't geen mij veel ongenuchten, die mij hier voorkomen, doet digereeren; want daar is geen cardiacum in de weereld, dat zo krachtig is als dat; dieshalven is het, dat ik geresolveert ben in alles geduld te nemen, en ondertusschen, terwijl ik hier ben, mijn naad te naaijen zo veel ik kan, en de plaizieren van de weereld voor een jaar of zes te vergeten, als of ik dood was. Want hier is geen vermaak ter weereld, als alleen dat in uw eigen gemoed, en bij u zelfs bestaat; want de wijn in overdaad, en de zwarte vrouwen haat ik dapper: en ik geloof niet, dat ik tot een van beide heel ligt zal vervallen, alzo ik het egaal voor beestachtigheid, en een doodelyke coyonnerie hou. Alleen heb ik mijn meeste vermaak in een kleine zwarte jongen die ik heb, die van zeer groten huize en van zeer treffelijke luiden is; want ik verklaar u, dat ik nooit schoonder, noch heroiquer wezen gezien heb; vermengd met een groots, doch eenigszins stuurs opslag van oogen, 't geen mij vaak op hem heeft doen appliceeren de woorden van Senecca in Hyppolytus:
 
Quam grata est Facies torva Viriliter,
 
Et Pondus Veteris triste Supercilli.
Dat is:
 
Hoe heerlijk en voortreflijk staat
 
een fier en mannelijk gelaat,
 
't Geen door den opslag zijner blikken,
 
Een ieder vol ontzag doet schrikken.
Want inderdaad, dat wezen is in die jongen zo heerlijk te zien, dat ik mij dikwels inbeelde in hem te zien een schets van dien ouden Afrikaanschen Hannibal; ook zijn al zijn inclinatien
[p. 14]
groots en moedig, ja zo, dat hij met jongens van zijn jaren (die omtrent 12 zijn) niet zal omgaan, maar altijd met zijn ouder, waar boven hij noch altijd wil de preferentie hebben, 't zij in den dans, of andere speelen, daar hij altijd de eerste wil zijn; of zo iemand hem die rang bedisputeert, zo ontziet hij zelfs geen volwassen jongens voor de kop te slaan. En bij al deze barsheid is hij weêr bij mij zo vriendelijk, beleeft en trouw, dat ik die jongen lief heb in mijn hart en zou (zo hij een slaaf was) niet weigeren een pond goud voor hem te geven, enz.
Op 't kasteel St. George da Mina,
den 10 February. 1669.
Focquenbroch.

Een naiviteit, deze droom van in een paar jaar in de tropen rijk worden en als gezeten burger te kunnen repatrieeren, een naiviteit die doet denken aan Rimbaud. Het land bewoond door de nuchtere kooplieden die maling hadden aan fluitspelen, dichten, praten etc., maar waar hij blijkens zijn ‘Gedachten in een Kano op zee’ zozeer naar terugverlangde, heeft hij nooit weergezien. Hij overleed waarschijnlijk in 1675, hoe weet men niet.

De laatste druk van ‘Alle de Werken van W.v. Focquenbroch’ verschijnt in 1766. Dan wordt de oppositie tegen zijn onbehoorlijke grappen doordat men niet meer gevoelig is voor dit soort humor, zó sterk, dat alleen de ‘verlopen medicus’ overblijft en zelfs die is mèt zijn naam, vrijwel vergeten. Hij daalde af tot hoofdpersoon in een stukje voor liefhebberij toneel, dat omstreeks 1810 geschreven werd.

Waarom Worp over Focquenbroch schreef, zagen wij al. Ook Jan ten Brink dacht niet zo ongunstig over hem als Jonckbloet, Witsen Geysbeek, Jeronimo de Vries, het Biografisch Woordenboek, e.t.q.

H. de Gooijer schreef waarderend over hem in de ‘Vaderlandsche Letteroefeningen’ en deed een keuze uit zijn lyriek, echter met weinig resultaat.

In 1911 brak Lode Baekelmans in een sympathiek geschreven, doch typografisch onprettige uitgave een lans voor hem. De lans brak evenwel zonder veel ten gunste van Focquenbrochs reputatie aangericht te hebben.

 

Wie een eerste blik in Focquenbrochs kleinere gedichten slaat,

[p. 15]

zal verbaasd zijn dat dit in de 17e eeuw geschreven werd, zo onmiddellijk en gewoon is de zegswijze. Zijn gedicht aan Constantijn Huygens kan men beschouwen als een manifest, een ars poetica haast. Een merkwaardig modern manifest, een pleidooi voor helderheid en eenvoud, een veroordeling der ‘wrange duisterheid’ en het ‘vervalst geluid’, eigenschappen die klaarblijkelijk ook volgens de ware fijnproevers van toen in geen ware poëzie ontbreken mochten en die gemaakt hebben dat de jeugd zich thans op de middelbare school bij het onderwijs in de Nederlandse klassieken zo verveelt en zich voorneemt haar gehele verder leven òf geen gedichten meer aan te kijken, òf ieder gedicht dat niet vervelend is, op 't punt van verhevenheid te wantrouwen. Maar het is niet alleen een zaak van vorm, ook van inhoud. Focquenbroch is sceptisch (als tijdgenoot van Jan Luyken en Jodocus Lodenstein!) Het Boek Prediker is het enige gedeelte uit de Bijbel, waarvan men invloed in zijn gedichten aantreft. Hij is pessimist, ondanks zijn bulderlach, waarin men tot zijn vreugde een apocrief bestanddeel vinden kan: cynisme. Waarom Focquenbroch als verlopen medicus en Vondel niet als verlopen kousenwinkel rondspookt, is nu ook duidelijk. Bovendien waren de ongelukken die Vondel troffen van burgerlijk karakter, terwijl Focquenbroch ze alleen aan zijn dichterschap (in ruime betekenis) te wijten had.

Door deze eigenschappen komt het dat men bij het lezen van Focquenbroch, herinnerd wordt aan Forum, aan Greshoff en du Perron. Dat deze dichtergeneratie Focquenbroch gekend en gewaardeerd heeft, is waarschijnlijk, ook al is er geen sprake van beïnvloeding en al wordt zijn naam ook door hen weinig genoemd.

Vestdijk deelt in de voorrede tot ‘Parlando’ mede dat du Perron eveneens in de 17e eeuwse dichters goed belezen was en hen op prijs stelde.

Slauerhoff laat Focquenbroch optreden in het nagelaten cabaretstuk ‘De sylphide op de sofa’ (Finale: Het eiland der gelukzaligen).

‘....Daar zit Focquenbroch, de verbannen poëet en aesculaap. Hier kan hij practijk uitoefenen met paardenmiddelen en tevens de muze op tijd genoegdoening geven. Wat broeit de groote medicijnman uit? Wat brullen de zestien mulatten van alle leeftijd en kunnen aan een ijzeren staaf? Zij brullen alle verschillend. Het is zijn muziekinstrument, dat hij heeft uitgevon-

[p. 16]

den op medischen grondslag. Daarmee begeleidt hij zijn liederlijke drinkliederen, waarvoor de Hoogmogenden hem het Gemeenebest ontzegden. En hier wordt hij door zijn landslieden luide toegejuicht.’

Hij was van Slauerhoff misschien een naaster familielid dan Camoëns b.v.

Het feit dat hij vergeten is (al tekende een achttal jaren geleden Edgar Tijtgat een rijmprent bij het drinklied ‘Diogenes de Wijze’ en nam Victor E. van Vriesland in ‘Zeven eeuwen Nederlandsche Poëzie’ een paar gedichten van hem op) is het zoveelste verbazingwekkende feit in onze letterkundige historie. De oorzaken ervan?

Ten eerste dat hij alleen maar dichter was en au fond een vreemdeling in het ‘geltzuchtig Amsteldam’. Dit is de voornaamste oorzaak.

Ten tweede dat ook zijn tijdgenoten en het nageslacht daarvan hem alleen gewaardeerd hebben om die eigenschappen die hij met hen deelde, zijn grove grollen, zijn lust tot navolgen zonder bronvermelding.

Ten derde dat de bloemlezing van Baekelmans op een ongunstig tijdstip verscheen, een nieuwe poëzie in opkomst maar overheerschend: nabloei van tachtig, ‘wrange duisterheid’, ‘vervalst geluid’.

Of de tijden nu gunstiger zijn?

Indien de les van ‘Forum’ nog niet geheel vergeten is, mag men reden hebben het te hopen.

1)Dr. J.A. Worp ‘Focquenbroch’ De Gids 1881 III pag. 499-532.
2)= grappige.
 begin  verder