terug  begin  verder
[p. 17]

Op Amsteldam

 
't Geltzuchtig Amsteldam, met al haar zoete keyers,
 
Stoft al te moedig op haar opgevulde tas;
 
De maagre gierigheid, die steets haar Afgod was,
 
Maakt dat dit hoen niet leit dan stront in plaats van eyers.
 
 
 
Wat vind een eerlijk man op aard zo duldeloos,
 
Dan dat hij hier een aap moet als een mensch gekleed zien;
 
En dat hy 't lofflijk gout moet aan een zot besteet zien,
 
Die als een strontvlieg zit te pryken in een roos?
 
 
 
O schrale karigheid! met uw verslenste koonen,
 
Hoe plant gy dus uw stoel in dees beruchte stad?
 
O Lukvrouw al te blind! hoe stort gy dus uw schat
 
In een vergult paleis daar niet dan varkens woonen?
 
 
 
Wat doet het heilig gout by zulk een heilloos volk,
 
't Geen eeuwig zit en huilt by haar gevulde kisten,
 
Ja, 't geen het alles denkt op een tocht te verkwisten,
 
Als het een stooters koek durft koopen op de kolk?
 
 
 
Wat doet een eerlyk man in deze stad te blyven,
 
Waar afkomst noch verstant, noch wysheid, deugd noch geest
 
Ooit zo veel werd geacht als d'alderminste beest,
 
En daar men niets waardeert dan zaam geschraapte schyven?
 
 
 
O eer; die in de deugd wel eertyds wiert gestelt,
 
Hoe zyt gy dus verkeert? hoe gaat gy dus verlooren?
 
Een harssenlooze zot, met narretuig gebooren,
 
Bezit die u dan nu door zijn geschagchert gelt?
 
 
 
O liefde, gy die 't al op aarde plach te dwingen!
 
Die boven al wat leeft de meester plach te zyn,
 
Het goud maakt hier ter stee u even als een zwyn,
 
Wiens macht men heeft betoomt door hem zyn snuit te ringen.
[p. 18]
 
De gaven van de ziel die worden hier versmaad:
 
Al 't geen beminlijk is, dat ziet men hier verachten,
 
Al 't geen verachtlyk is, daar ziet men hier na trachten,
 
De deugd is hier het gelt en d'eer hier d'eigenbaat.
 
 
 
In 't end, 't is niet dan gelt waar van men hier hoort roemen.
 
Die dat heeft, die is 't al, die dat ontbeert is niet,
 
't Geluk, 't geen op dees stad zo mild haar gaven giet,
 
Zaait daar slechts distelen en doornen zonder bloemen.
 
 
 
Want zo een witte kraai iets zeltzaams word geacht,
 
Noch zeltzamer is hier een eel gemoet te vinden:
 
De geltzucht, die de deugd hier in haar balg gaat slinden,
 
Heeft door haar helsch fenyn hier alles in haar macht.
 
 
 
O neen; een eel gemoet hangt nimmer aan de gaven,
 
Van 't blinde en dartle wyf, dat zonder aanzien geeft,
 
Maar 't mind alleen een ziel, die schatten in zich heeft,
 
Die men als 't ydel gout uit geen gebergt kan graven.
 
 
 
't Veracht verganklyk goet, dat als een rook verdwynt,
 
En kiest de deugd alleen tot voorwerp zyner zinnen,
 
En dees is 't, die geen tyt, noch voorval kan verwinnen,
 
Mits zy, gelyk een zon, op alle wolken schynt.
terug  begin  verder