terug  begin  verder
[p. 33]

Aan Klorimene

 
Toen ik u lestmaal, by de lelien en rozen;
 
Zo helder pronken zag, en met zo purpren bloos,
 
Zo dacht my, dat uit spyt de roos verbleekte in 't bloozen,
 
En dat met een uit schaemt' de lelie wierd een roos.
 
 
 
Zo doet uw schoone verf de roos en lelie duiken,
 
En maakt dat in uw hof, uit hartzeer en verdriet,
 
De bloemen altemaal verdorren op hun struiken,
 
Omdat men schoonder bloem op uwe kaken ziet.
terug  begin  verder