begin  verder
[p. 2]
Hij die zo uit het hart schrijft, kan nooit geheel slecht zijn; (...) Een raadsel is en blijft hij.’

R.J.A. Kallenberg van den Bosch aan Potgieter, 19 december 1872
[p. 7]

Bij de tweede druk

Op 1 maart van het jaar 1975 werd het Multatulimuseum, gevestigd in Dekker's geboortehuis Korsjespoortsteeg 20, Amsterdam, ‘eindelijk’ zoals de aanwezigen zeiden, geopend, en G.A. van Oorschot, de uitgever van Mutatuli's door Garmt Stuiveling bezorgde volledige werken, brieven en documenten, hield een diepbewogen redevoering, later afgedrukt in het tijdschrift Tirade.

Na te hebben opgehaald dat hij als kind al met zijn vader een lezing over het onderwerp Multatuli en het Godsbewijs had bijgewoond, ontvouwde spreker zijn visie op de trage gang van zaken, die zo kenmerkend is voor de openbaarmaking van Multatuli's geestelijke nalatenschap. Stuiveling werd als de hoofdschuldige aangewezen, maar, verklaarde de uitgever: ‘Ik ben geen man om wrok te koesteren.’ Daar voegde hij evenwel bezorgd aan toe: ‘Zowel Stuiveling als ik behoren niet meer tot de allerjongsten. Stuiveling zegt met het laatste deel in ongeveer 1980 gereed te zijn. Maar wat als Stuiveling voor 1980 of als ik voor 1980 niet meer tot de levenden behoor?’

Inderdaad... Wat?

Het was voor de Multatuli-lezer van 1975 een vraag.

Voor die van 1986 is het een weet: beide paladijnen van Multatuli's glorie behoorden niet alleen in 1980, maar zelfs begin mei 1985 nog tot de levenden. Helaas, de uitgave van de Volledige Werken was ook toen, en is ook nu, allesbehalve voltooid.

Elf jaar geleden hield Van Oorschot het voor mogelijk dat Garmt het jaar 1980 niet halen zou. Dit kwam niet uit. Als er nog een Godsbewijs nodig is, weet ik het niet meer.

Maar, wat Stuiveling en Van Oorschot in 1975 blijkbaar nog veel minder wisten, dat was de omvang van de Multatuli-papieren die ze moesten publiceren. Niet alleen was de uitgave in 1980 onvoltooid, zelfs op 11 mei 1985, toen Stuiveling overleed, was zij niet verder gekomen dan tot 30 september 1874. Multatuli heeft na die datum nog twaalf jaar en vijf maanden geleefd, brieven geschreven en ontvangen, documenten doen ontstaan.

Op het ogenblik, 30 december 1985, waarop ik deze inleiding schrijf, zijn de Volledige Werken geen bladzij vollediger geworden dan zij waren in juni 1984, toen, als

[p. 8]

laatste, deel 16 is verschenen. Toch kregen Van Oorschot en Stuiveling, die in 1975 nauwelijks op 1980 hadden durven hopen, tot 1985 de kans hun werk af te maken. Ook God is klaarblijkelijk geen man om wrok te koesteren. Dat Hij niet kon schatten hoeveel brieven Zijn aartsvijand Multatuli geschreven had, kan Hem niet kwalijk genomen worden. Zelfs het masochisme van de Allerhoogste is kennelijk niet onbegrensd.

Of misschien heeft Hij zich niet in die vraag verdiept, omdat Hij, net als ik, vond dat Garmt Stuiveling best nog ettelijke jaren in leven mocht blijven, maar toch tijdig door een jongere bekwame tekstbezorger vervangen had dienen te worden.

Is er inmiddels, na Stuiveling's verscheiden, eindelijk zo iemand gevonden?

Dit dienen we af te wachten.

Jammer.

Een verbeterde herdruk van De raadselachtige Multatuli kon niet langer dan tien jaar worden uitgesteld, want ook ik heb het eeuwige leven niet. Zelfs de kans dat ik in goede gezondheid honderd word, lijkt me gering, maar, als de Multatuli-editie verdergaat in dezelfde slakkegang als nu, is de kans op dat wonder nog heel wat groter dan de waarschijnlijkheid dat de Volledige Werken van Multatuli in 2021 inderdaad volledig zullen zijn.

 

Het is een hoogst opmerkelijke eigenaardigheid van de Multatuli-studie dat degenen die zich daarmee beziggehouden hebben, haast voortdurend grote hindernissen op hun pad ontmoetten. Ze gingen te jong dood, of ze zagen zich, na hun meningen over de schrijver te boek gesteld te hebben, genoopt daarop geheel of gedeeltelijk terug te komen, en te erkennen dat ze niet alles geweten hadden wat ze hadden moeten weten. Tweede pleidooien werden gehouden. Nieuwe pogingen de waarheid te vinden moesten worden gewaagd en brachten soms belangrijke nieuwe gegevens aan het licht, soms niet.

Marie Anderson kwam in 1888 met een boekje over Multatuli, dat in 1901 herdrukt werd, anderhalf maal zo dik.

De Bruijn Prince deed uit eigen beweging de tweede druk van zijn fundamentele

[p. 9]

documentenverzameling vernietigen en in de derde druk liet hij documenten die hij in de tweede gepubliceerd had, achterwege, omdat hij het plan koesterde ze te bewaren voor een vervolg. Dit vervolg is er nooit gekomen.

Door de plotselinge dood van de biograaf, moest Paul van 't Veer's Leven van Multatuli onvoltooid blijven. Voor Du Perron's biografische arbeid geldt hetzelfde, al had hij zijn in 1937 verschenen Man van Lebak in 1940 aanzienlijk uitgebreid.

Ondankbaar werk is het ook: J.B. Meerkerk schreef in 1900 zijn Multatuli, een karakterstudie, die hij in 1912 ‘geheel omwerkte, verbeterde en uitbreidde’. Vooraanstaande Multatuli-vorsers als Du Perron en Paul van 't Veer vermelden deze tweede versie niet eens in hun bibliografieën, hebben mogelijk zelfs niet geweten dat zij bestond. Het was overigens een werkstuk met vrij veel fouten gebleven.

Onophoudelijk heeft Nieuwenhuys geknutseld aan zijn betoog dat Douwes Dekker als bestuursambtenaar was gestruikeld door onvoldoende liefde voor de Javaanse zeden. Nieuwenhuys kreeg aanvankelijk een literaire prijs voor zijn arbeid, maar op den duur heeft hij toch niet kunnen overtuigen, hoezeer hij achteraf nog poogde zijn mening verder te staven.

Ikzelf heb me ook genoopt gezien mijn in 1976 voor het eerst gepubliceerde Raadselachtige Multatuli hier en daar ingrijpend te veranderen. Blijkbaar is het niet mogelijk Multatuli's gestalte anders dan met vallen en opstaan te benaderen.

De oorzaak van dit verschijnsel is dat de feiten die Multatuli betreffen, ook al is hij nu dan al honderd jaar dood, zo mondjesmaat en dikwijls in onbetrouwbare vorm ter beschikking komen. Zo staan de zaken op dit ogenblik, nu de uitgave van de Volledige Werken (niet voor het eerst) weer eens stokt.* Het was ook al zo toen Multatuli's weduwe uit zijn brieven alleen dat publiceerde, wat zij ‘geschikt’ vond - de rest heeft zij grotendeels weggegooid. Het was zelfs niet anders toen hij nog leefde. Uitgescholden werd hij wel, maar een werkelijk grondig en onpartijdig onderzoek

[p. 10]

naar wat er in Lebak was voorgevallen, heeft nooit plaatsgevonden toen alle medespelers in het drama nog tot de levenden behoorden.

Stuiveling had de gewoonte de brieven en documenten die hij in de Volledige Werken publiek maakte, vooraf te doen gaan door een overzicht van wat er in de jaren waarin ze geschreven waren, met Multatuli was voorgevallen. Vergelijking van de documenten met Stuiveling's samenvattingen leert, dat Stuiveling maar hoogst ongaarne oudere, op verouderde informatie gebaseerde inzichten en zelfs oude vooroordelen, die niet door de documenten werden ondersteund, liet vallen.

Hij was de enige niet.

Daardoor is het einde van de polemiek over Multatuli tot de huidige dag niet in zicht en blijft het nodig conclusies die van de geijkte afwijken, nader toe te lichten.

Om deze reden heb ik de artikelen die ik tussen 1975 en 1984 over Multatuli heb geschreven, als bijlage opgenomen in dit boek. Ik herdruk deze stukken zo goed als integraal. Alleen zulke gedeelten eruit, die ik nagenoeg ongewijzigd in de hoofdtekst kon gebruiken, liet ik weg. Toch zal de lezer hier of daar een doublure kunnen aantreffen, maar dit komt ook, doordat de moeilijkheden die zich voordoen om Multatuli goed te begrijpen, niet in één keer weg te schrijven zijn. Het is wel eens nodig twee of drie keer hetzelfde uit te leggen. Ik heb dit trouwens meestal met veel genoegen gedaan.

 

Parijs, 31 december 1985

*Ondertussen is in september 1986, tweeëntwintig maanden na deel 16, deel 17 nog verschenen, dat tot 31 augustus 1875 loopt.
 begin  verder