terug  begin  verder
[p. 14]



illustratie
De geboorteakte van Eduard Dekker d.d. 3 maart 1820. (U.B. Amsterdam)

[p. 15]

1

In 1815 wordt Napoleon voorgoed verslagen en de kans dat ons land nog langer deel zal uitmaken van het Franse imperium, is verkeken. Nederland zal een zelfstandige natie blijven.

Heel wat Nederlanders hebben daarvoor hun bloed vergoten in de slagen bij Quatre-Bras en Waterloo. Over twee van hen zal hieronder nog worden gesproken: Willem Lodewijk van Wijnbergen, die sneuvelt, en zijn zoon Carel, baron van Wijnbergen, die een sabelhouw op zijn hoofd krijgt.

Sinds 1813 was Nederland vrij en een koninkrijk onder het oude vorstenhuis Oranje-Nassau. De Engelsen, die zich meester hadden gemaakt van onze koloniën in Oost-Azië, droegen deze in 1816 over aan de nieuwe Nederlandse Staat. Is alles bij het oude gebleven? Niet helemaal. Misschien wel helemaal niet.

 

De Franse tijd heeft heel wat sporen achtergelaten: een nieuwe staatsvorm, nieuwe ideeën, nieuwe wetten en de militaire dienstplicht. Maar ook slachtoffers.

Nog tientallen jaren zal de discussie over de vraag of Napoleon een monster geweest is, dan wel een kracht van de vooruitgang en de grondvester van een nieuwe tijd met nieuwe mensenrechten, niet verstommen. Ondertussen heeft de Corsicaanse heilbrenger ons vaderland straatarm achtergelaten.

Het door hem opgelegde Continentaal Stelsel, dat de handel met Engeland verbood en daardoor tot Engeland's ondergang zou moeten voeren, had minder in het Engelse dan in het eigen vlees gesneden. Maar, als alle verbodsbepalingen, gaf ook deze, aan wie durfde, de kans zich te verrijken door het verbod te overtreden.

Een van hen schijnt de Amelandse zeekapitein Engel Douwes(zoon) Dekker te zijn geweest. Echt rijk werd hij daarvan niet.

 

Te Amsterdam worden de grachten bewoond door de rijken, patriciërs met dubbele namen en soms adellijke titels. In de straten en stegen die dwarsverbindingen tussen de grachten vormen, wonen de minder rijken. In een huis aan een van deze stegen, de Korsjespoortsteeg, komt op 2 maart 1820 het vierde, of eigenlijk het vijfde kind van Engel Dekker en zijn vrouw Sytske Eeltjes Klein ter wereld: Eduard.

[p. 16]



illustratie
Dekker's geboortehuis, Korsjespoortsteeg 20 te Amsterdam, waarin thans het Multatulimuseum is gevestigd. (Foto Fons Rademakers jr.)



illustratie
Het huis aan de Binnen Brouwersstraat 15, thans no. 5, waarheen het gezin Dekker in 1823 verhuisde. (Foto E. van Moerkerken, 1954)

Een van hun kinderen, Antje, heeft in 1818 maar twaalf dagen geleefd. De andere kinderen heten Catharina (1809-1849), Pieter (1812-1861) en Jan (1818-1864). Na Eduard wordt in 1823 nog Willem geboren. In 1840 zal hij als lichtmatroos over boord slaan en verdrinken.

Het gezin Dekker woonde wel dicht bij de grachten, maar hoorde niet thuis in de stand die aan deze grachten was gevestigd. Het verhuisde tweemaal; nooit naar een gracht, steeds naar huizen in andere straatjes en stegen vlakbij: de Binnen Brouwersstraat no 5, en ten slotte naar de Haarlemmerdijk - dit laatste huis is sinds lang verdwenen.

Toen de verhuizing naar de Haarlemmerdijk plaatsvond, was Eduard nog zo klein, dat hij zich als volwassene niet zou herinneren ooit ergens anders te hebben gewoond dan daar.

Eduard Dekker was niet trots op zijn afkomst. Zijn roman Woutertje Pieterse moge niet precies een autobiografie zijn, maar dat de bittere haat tegen het fantasieloze kleinburgerdom, die uit dat boek spreekt, in zijn eigen jeugd ontstaan is, lijdt geen twijfel.

Maatschappelijke eerzucht, die ook de andere kinderen van kapitein Dekker in hoge mate moet hebben beheerst, nam in Eduard's geval bijzondere vormen aan.

Catharina sloot een degelijk huwelijk met kapitein Abrahamsz, Pieter werd een deftige dominee, en Jan, aanvankelijk stuurman, vergaarde een fortuin in de tabakscultuur op Java, - fortuin dat hij later weliswaar weer zou kwijtraken.

Maar niemand zou de zuster en de broers meer ter sprake brengen, als Eduard het tot soortgelijk burgerlijk aanzien had gebracht, en toch was dat ook een van zijn idealen, in het begin.

Zijn familieleden noemden hem Teddy.

Het gezin was doopsgezind en vroom.

Doopsgezinden zijn puriteins, tolerant uit beginsel, tegenstanders van geweld. Zij gehoorzamen God eerder dan de Staat, streven naar eigen verantwoordelijkheid en bewust handelen. Hun kinderen worden niet, zoals die van andere denominaties, vlak na de geboorte gedoopt, maar pas wanneer ze volwassen zijn. Zij dienen te weten wat zij doen en hun geloof bewust te belijden.

[p. 17]



illustratie
Hogesluis te Amsterdam, eerste helft 19e eeuw. Hier redde Eduard het weggewaaide petje van een joods jongetje.

De vader, Engel Douwesz. Dekker schijnt een geestige, welbespraakte man geweest te zijn. Een krachtig gezagvoerder, die de meeste mensen al gauw als ‘jongetje’ aansprak. Hij was, zoals bij een zeekapitein vanzelf spreekt, meestal niet thuis.

De opvoeding van zijn kinderen kwam grotendeels neer op zijn vrouw, die een zenuwachtig karakter had. Haar handen zaten los aan haar lijf, zoals men zegt. Eduard zou later enige sentimentele verzen aan haar wijden, in zijn beginperiode toen hij nog schreef zoals het destijds hoorde. In zijn hart heeft hij haar waarschijnlijk gehaat. Aangenomen mag worden dat hij vroeg gespeend werd en dat als zuigeling het contact tussen hem en zijn moeder niet goed is geweest. Zij zal, na al zo veel kinderen ter wereld te hebben gebracht, misschien niet zo vurig naar hem verlangd hebben.

Hij had te lijden van haar humeur en kreeg dikwijls onverdiend slaag. Ze vond hem te ‘zacht’.

‘God heeft zich met Eduard vergist’, zei ze, ‘hij had beter een meisje kunnen zijn.’

Om de aandacht op zich te vestigen en het tegendeel te bewijzen, was hij lastig, beweeglijk, agressief, ongedurig.

Toen hij naar de lagere school moest, schijnt men zich zorgen te hebben gemaakt over zijn verstand, iets dat kinderen met een buitengewoon groot intellect dikwijls overkomt.

Na de lagere school bezocht hij de Latijnse School aan het Singel (voorloper van het huidige Barlaeus-Gymnasium). Maart 1832 schrijft hij zijn naam in het school-album: Eduard Douwes Dekker, een dubbele naam. Maar tot op de huwelijksakte van zijn tweede huwelijk, de dato 1 april 1875, zal hij officieel genaamd blijven ‘Dekker, zich noemende en schrijvende Douwes Dekker’.

Waarom hij na een jaar of twee, drie, de Latijnse School zonder diploma verlaat, wordt nergens precies medegedeeld. Hij heeft getuigd dat hij zich er gelukkig voelde en was voor dat onderwijs niet te dom. Van mannelijke sporten als schaatsenrijden en vechten is hij niet afkerig. Hij komt op voor zwakken en verdrukten, redt het afgewaaide petje van een joods jongetje om wie niemand wat geeft. Zelfs heeft hij ervan gedroomd naar Griekenland te gaan, om voor de Grieken te strijden in hun

[p. 18]



illustratie
De Latijnse School aan het Singel te Amsterdam.



illustratie
Abraham des Amorie van der Hoeven (1821-1848); jeugdvriend van Eduard, medeleerling op de Latijnse School; later Remonstrants predikant.

bevrijdingsoorlog tegen de Turken. Maar de vrede wordt getekend als hij twaalf jaar oud is. Te laat geboren?

 

Tot zijn achttiende jaar is hij vervolgens bediende bij de textielfirma Van de Velde, gevestigd in het pand Singel 134. Dit huis, een monument uit 1740, bezit enige faam om zijn fraaie verhoogde kroonlijst met hoge, topgevelvormige attiek.

Zo komt Eduard dan toch terecht bij de stand die geld heeft en op een gracht woont - maar als ondergeschikte, wat met vernederingen gepaard gaat die hij nooit vergeten zal.

Hij blijft bevriend met zijn vriendje van het gymnasium, de toekomstige dominee Abraham des Amorie van der Hoeven, al is diens vele praten over Jezus hem op den duur wel wat te veel. Bevriend blijft hij ook met A.C. Kruseman, die later uitgever wordt, en met P. Bleeker, die van zich zal doen spreken als bioloog.

Het is een kleine wereld, de Amsterdamse grachtengordel, waarin zich de eerste achttien levensjaren van Eduard Dekker afspelen.

Bij de textielfirma Van de Velde moet hij na drie jaar ontslag nemen. Hij zou een rijksdaalder gestolen hebben van zijn baas, om een vriend te helpen die speelschulden had. Misschien was dit de eerste keer dat er in zijn leven sprake was van speelschulden, maar het zou lang niet de laatste zijn.

 

Dit alles is lang geleden voorgevallen en de gebeurtenissen hebben, als steeds, een legendarisch karakter gekregen. Het meeste dat zijn jeugd betreft, is alleen uit zijn eigen mond vernomen en vervult daarom alleen al de historicus met onzekerheid.

Zijn eerste liefde heette Louise, en iets anders dan dat hij in 1849 haar brieven heeft verbrand, is er niet van haar bekend. Zij was op geen stukken na zijn laatste liefde.

Geloofd mag worden dat Eduard al vroeg blijk gaf van impulsief medelijden met zwakken en gebrekkigen, dat hij de moed bezat onrecht te bestrijden, dat hij een lichtontvlambaar hart bezat en een pathologische neiging in financiële moeilijkheden te geraken.

[p. 19]



illustratie
Eduard's lidmaatschapskaart van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, waarvan hij op 26 april 1838 als lid werd aangenomen.

Zijn schoolresultaten schijnen nogal matig te zijn geweest. Maar zijn geschiktheid zich allerlei kundigheden in snel tempo eigen te maken, min of meer op zijn eigen houtje, was groot.

Na het verlaten van het gymnasium kreeg hij privé-onderwijs. Zijn kennis van Frans, Duits en Engels zal weldra redelijk tot zeer goed zijn. Hij schrijft zijn eerste gedichten en wordt, geïntroduceerd door zijn broer Pieter, lid van het Nut, waar hij voordraagt uit Jean Paul (= Johann Paul Friedrich Richter, 1763-1825, vooral bij vrouwen geliefde Duitse humoristische romanschrijver).



illustratie
Het kantoor van de handelaar in katoentjes A. van de Velde, Singel 134, waarschijnlijk model van de Fa. Ouwetyd en Kopperlith in Woutertje Pieterse. (Foto E. van Moerkerken, 1954)

[p. 20]



illustratie
Album Discipulorum Scholasticum van de Latijnse School met eigenhandige inschrijving van Eduard (1832). (U.B. Amsterdam)

terug  begin  verder