terug  begin  verder
[p. 37]

3

Albertus Jacobus Duymaer van Twist is de geschiedenis in gegaan als ‘de gouverneur-generaal die door Multatuli uitgescholden werd’. Daardoor is hij tegelijk een van de beroemdste gouverneurs-generaal geworden die ooit ‘onze Oost’ hebben bestuurd.

Behalve door Multatuli, is hij zelden door iemand anders uitgescholden. Integendeel, de geschiedkundigen weten veel goeds over hem te melden: hij deed pogingen de economische toestand van de bevolking te verbeteren, trad op tegen de inheemse regeringsfunctionarissen (hoofden en regenten), die dikwijls misbruik maakten van hun macht, ijverde voor een beter onderwijs, bracht een liberaler regeringsreglement tot stand.

In zijn paleisje te Buitenzorg (thans Bogor) zou hij kennis gemaakt hebben met Douwes Dekker, aan wie een nieuwe standplaats moest worden toegewezen, en onder de indruk geraakt zijn van Dekker's geest en gemoed. Jaren later, op 4 april 1882, schreef Duymaer van Twist, die toen al meer dan twintig jaar door Multatuli voor ‘ellendeling’ e.d. was uitgemaakt, in een door de historici veelvuldig geciteerde brief: ‘Ik had hem te Buitenzorg leren kennen, waar hij zich, van verlof teruggekeerd en wachtende op herplaatsing, had gevestigd. Op de diners, of liever na de diners, waarop ook hij en zijn echtgenote nu en dan werden uitgenodigd, had ik meermalen met hem gesproken en had hij mijn sympathie verworven door zijn hart voor de inlander.

Toen Lebak open kwam en ik wist, dat dáár de toestand der bevolking veel te wensen overliet, dacht ik dat hij daar de rechte man op de rechte plaats zou zijn en ofschoon de Raad van Indië hem niet had voorgedragen, benoemde ik hem tot assistent-resident.’

Noch in Multatuli's werken, noch in zijn brieven, is ook maar één enkel spoor van deze heerlijke diners en gesprekken terug te vinden. Ik neem aan dat Van Twist het zich zesentwintig jaar na dato maar verbeeld heeft, en het rondvertelde om aan te tonen hoe goed hij voor Dekker was geweest, en hoe onverdiend hij door Multatuli werd uitgescholden.

[p. 38]



illustratie
Akte van benoeming tot assistent-resident van Lebak, d.d. 4 januari 1856.

De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië is wel eens, naar Brits voorbeeld, een ‘onderkoning’ genoemd. In feite deed men hem nog tekort met die weidse titel. Hij was veel machtiger dan de echte koning. Alleen verantwoording verschuldigd aan de minister van Koloniën, had hij verregaande eigen bevoegdheden en hij regeerde als een echte autocraat, terzijde gestaan door een college van vijf adviseurs, de Raad van Indië. Het tractement van de gouverneur-generaal bedroeg ƒ100.000, - per jaar, dat van een assistent-resident ƒ6000, -.

De gouverneur-generaal stond aan het hoofd van twee soorten bestuursambtenaren, inheemse en Nederlandse. Beide soorten ambtenaren werden door hem benoemd, met deze bijzonderheid, dat de Nederlandse ambtenaren steeds van standplaats verwisselden, en, na de pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt, naar Nederland terugkeerden, terwijl de inheemse gezagsdragers dikwijls hun leven lang aanbleven op dezelfde plaats. Het was gebruikelijk hen te doen opvolgen door een zoon of ander familielid, alsof zij geen ambtenaren waren, maar vorsten. Dat waren zij dan ook, van huis uit.

Oost-Indië was sinds de dagen van Coen een typisch wingewest, een exploitatie-kolonie geweest, geen volksplanting, zoals Noord-Amerika of Zuid-Afrika. De Nederlanders, net als de Portugezen en de Spanjaarden aanvankelijk alleen gekomen om monopolies te vestigen, bemoeiden zich, afgezien van pogingen de inheemsen tot het christendom te bekeren, haast alleen met zaken waar direct voordeel aan verbonden was. De rest lieten zij over aan de inheemse potentaten die er al waren voor zij kwamen. Deze feodale vorsten regeerden hun onderdanen op een manier die in West-Europa, zeker na de Franse Revolutie, totaal onbestaanbaar was geworden, vrijelijk beschikkend over diensten, over vrouwen, dochters, vee en andere bezittingen van de bevolking.

Dit begon te veranderen toen de Nederlandse koning soeverein werd over het land, wat betekende dat de inheemse vorsten hun soevereiniteit verloren. Maar zij verloren niet hun gezag, niet hun invloed en zeker niet de functie die zij tegen beloning en/of onder bedreiging altijd al hadden vervuld: ten bate van het moederland ervoor te zorgen dat de kolonie opleverde wat het moederland nodig had. Om

[p. 39]



illustratie
Mr. Albertus Jacobus Duymaer van Twist (1809-1887); gouverneur-generaal van 1851 tot 1856; lid Tweede Kamer 1858-1862; in de Eerste Kamer van 1865 tot 1881.

dit van hen gedaan te krijgen, werden zij schadeloos gesteld voor het verlies van hun soevereine rechten en als bestuursambtenaren in staatsdienst opgenomen en gesalarieerd.

Naast dit inheemse ambtenarenapparaat schiep men een soort Nederlands duplicaat: de gouverneurs, residenten, assistent-residenten, controleurs, enz. De taak van deze Nederlandse ambtenaren was het ervoor te zorgen dat de inheemse regenten en hoofden deden wat de regering wenste. De formulering was nobel: zo had de assistent-resident de regent terzijde te staan als een ‘oudere broeder’.

Een van de dingen waar de Nederlandse ambtenaar tegen diende te waken krachtens zijn ambtseed, was dat de regenten naar eigen goeddunken met de bevolking zouden omspringen, zoals zij deden toen zij nog soevereine vorsten waren. Het vorderen van onbetaalde arbeid, vee, enz. was aan regels gebonden. Het in 1854 ingevoerde regeringsreglement stuurde aan op verdere matiging van de (onbetaalde) herendiensten. Maar de verschillen tussen de rechtsbedeling in Nederland en die in de kolonie bleven groot. Er zullen destijds een twintig miljoen Indonesiërs zijn geweest (waarvan twaalf miljoen op Java). Er waren enkele tienduizenden Nederlanders. Wilden de laatsten hun macht behouden, dan was er geen sprake van tegen alle inheemse tradities in, met geweld, de ideeën van de Franse Revolutie op te leggen aan deze Aziatische bevolking, of het hele land op Nederlandse leest te schoeien.

Om velerlei redenen moest het ideaal worden aangepast en de verbreiding van westerse rechtsbegrippen, westerse rechtszekerheid voor elke inwoner, liet daarbij menige veer. Er bestonden wetten, maar ze werden met een zeker beleid toegepast, om de botsing tussen twee cultuurpatronen niet ten nadele van de westerse cultuurbrengers en hun portemonnee te doen uitvallen. Daar kwam bij dat de regent in de ogen van de bevolking nog altijd een geëerbiedigd vorst bleef en als zij hem haatte omdat hij haar uitzoog, zou ze toch dikwijls niet hebben gewild dat hij door de buitenlandse overheerser terzijde werd geschoven.

De Javanen vereerden de regenten zoals de meerderheid van de Russen hun tsaren aanbaden en later Stalin zouden aanbidden. Menige regent stond in een geur van heiligheid. Het was van belang in de omgang met hem, de adat (inheems gewoonte-

[p. 40]



illustratie
Paleis van de gouverneur-generaal te Buitenzorg (= Bogor), omstreeks 1856.

recht) en tal van tradities niet uit het oog te verliezen. Openlijke conflicten met een regent wilde het Nederlandse bestuur liefst vermijden, zolang zijn wreedheid geen onrust verwekte, geen oproer; geen hongersnood ten gevolge had en ‘verloop van volk’: wegtrekken van de bevolking naar andere streken, waardoor de landbouw verwaarloosd werd. Een regent diende gezag te hebben onder de bevolking. Een tegen hem gericht onderzoek kon dit gezag ondermijnen, - en ze waren ambtenaren in Nederlandse dienst! Het moet daar zo ongeveer mee gesteld geweest zijn als in onze tijd nog met de vervolging van zich misdragende politieambtenaren.

 

Het kwam dan ook voor, dat regenten de helft van de rijstoogst in beslag namen, voorgaven daarmee de landrente te betalen maar dit niet deden en de opbrengst in hun eigen zak staken. Er waren djaksa's (= inheemse politiehoofden) die heulden met bandieten. Er is een geval geweest van een regent over wie vier opeenvolgende residenten ongunstig hadden gerapporteerd - vergeefs. Deze vorst, trots op zijn straffeloosheid, liet op een nacht achttien dorpshoofden vermoorden, omdat deze geweigerd hadden hem een som geld te geven. En nog greep het Nederlandse opperbestuur niet in. Het gebeurde ook dat een regent wegens ongeschiktheid en corruptie ontslagen werd, maar alleen om te worden opgevolgd door een zoon die nog corrupter was. Het gebeurde dat hele dorpen, uitgeschud door hun eigen regenten, verlaten lagen en de bevolking rondzwierf om eten te vinden. Deze dingen waren in Indië algemeen bekend. Er werd meer of minder krachtig tegen opgetreden. Maar heel wat Nederlandse ambtenaren verging op den duur de lust er iets aan te doen, vooral wanneer ze de pensioengerechtigde leeftijd naderden, en ook wel omdat het opperbestuur, als ieder bestuur, het liefst rapporten naar het moederland zond, waarin de toestand rooskleurig voorgesteld werd.

Uiterst moeilijk was het trouwens belastende getuigenissen te verzamelen tegen een knoeiende regent. Menige klager, geconfronteerd met de man die hij nog altijd als zijn heerser, zijn afgod bijna beschouwde, viel hem sidderend te voet en ontkende ooit te hebben geklaagd.

Anderen werden omgekocht of zo nodig vermoord.

[p. 41]

Ja maar, zeggen zij die vinden dat Multatuli het verkeerd zag, diezelfde regenten die buffels wegnamen zonder betaling, waren anderzijds niet te beroerd bij feestelijke gelegenheden tweehonderd buffels te laten slachten en braden en open tafel te houden voor de hele bevolking. Zo, zo. Maar waar kwamen die buffels dan weer vandaan? Uit de stallen van schrijvers die zich over deze o zo hoge, vorstelijke vrijgevigheid zo buitengewoon verheugen, misschien?

 

Kort na de napoleontische tijd was, gezien de armoedige toestand van de Nederlandse schatkist, een soepele en voordelige exploitatie van Nederlands-Indië meer dan ooit geboden.

Het cultuurstelsel werd ingevoerd. Dit systeem hield in, dat de Nederlandse overheid bepaalde welke produkten de bevolking moest verbouwen en in welke hoeveelheid. Het voortbrengsel van deze gedwongen cultuur werd natuurlijk met een zo hoog mogelijke winst verkocht op de wereldmarkt, na voor een zo laag mogelijke, praktisch eenzijdig vastgestelde prijs te zijn ingekocht.

Koffie was een van deze produkten.

Plaatselijk kwam het voor, dat de bevolking geen tijd en land genoeg overhield om voldoende voedingsgewassen voor zichzelf te telen. Niet alleen de Nederlandse ambtenaren, maar ook de inheemse regenten kregen premies van de opbrengsten (cultuuremolumenten) om hun ijver te prikkelen. Het was een systeem tussen dwingen, paaien en omkopen in. Het was een systematisch met twee maten meten. En dit, gecombineerd met de pretentie dat Nederland daar de opperheerschappij uitoefende om het christendom en de westerse beschaving te brengen, kan geen verheffend schouwspel zijn geweest voor iemand als Eduard Douwes Dekker, doordrongen van verlichte denkbeelden en in vele opzichten zijn landgenoten verre vooruit. Bij Rousseau had hij gelezen hoe ‘goed’ de ‘wilden’ zijn. De lectuur van La Rochefoucauld zal zijn ingeschapen scepticisme omtrent de oprechtheid van de beschaafden verder hebben ontwikkeld.

Als kind begonnen het weggewaaide petje van een joods jongetje te redden, is hij zijn hele leven heftig tegen elke vorm van discriminatie gekant gebleven: discrimi-

[p. 42]



illustratie
Raden Adipatti Karta Nata Negara (ca 1796-1879); regent van Lebak (1837-1865).

natie van andere geloven, andere huidskleuren; van arbeiders, vrouwen en prostituées. Nooit komen we bij hem zulke redenaties tegen als dat de door Nederland geexploiteerden ‘maar inlanders’ waren, tot gehoorzamen aan hogere leiding geboren, heidenen wie misschien alleen door hard werken de hel bespaard zou blijven, en dergelijke praat, die nog tot ver in de negentiende eeuw vrij algemeen vernomen werd.

 

De gebeurtenissen die nu volgen, hebben in de Nederlandse literatuur tot een enorme polemiek aanleiding gegeven. Zelfs in onze tijd nog wordt vooral dit tijdperk van Dekker's leven zeer verschillend beoordeeld. Om er een beter overzicht van te krijgen is het noodzakelijk op zijn levensgeschiedenis vooruit te lopen en nu al te vermelden dat hij, vier jaar later, onder het pseudoniem Multatuli de roman Max Havelaar of de Koffijveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij publiceerde, waarin hij (onder meer) dit deel van zijn leven zelf beschreef. Menigmaal is zijn relaas aangevochten.

Op basis van de in archieven aanwezige documenten, kan het volgende worden gereconstrueerd. Omdat Max Havelaar niet geheel overeenstemt met wat uit de archieven blijkt, zal de in Max Havelaar gegeven visie op de gebeurtenissen vergeleken worden met het materiaal uit de archieven, voor zover belangrijk in verband met het twistgeschrijf dat over deze verschillen is ontstaan - dit twistgeschrijf kan alleen al door de enorme omvang ervan onmogelijk over het hoofd worden gezien.

 

Op 1 november 1855 overleed in het militaire ziekenhuis te Serang C.E.P. Carolus, assistent-resident van Lebak. Lebak, zuidelijk deel van de residentie Bantam (= Banten) op West-Java, was een armoedige streek. Cultures waren er niet en cultuuremolumenten hadden de daar gestationeerde ambtenaren niet te verwachten.

Regent van Lebak was de Raden Adipatti Karta Nata Negara, een gewiekst heerser, van hoge adel zoals zijn titel ‘Raden Adipatti’ aangeeft. Hij was omstreeks zestig jaar oud en werd door de bevolking, die hem bovennatuurlijke krachten toeschreef, gevreesd, maar ook aanbeden.

[p. 43]

De weduwe van Carolus, een Indo-europese dame die geen Nederlands sprak, was zwanger en bleef voorlopig wonen te Rangkas Betoeng (= Rangkasbitong), de hoofdplaats van de afdeling Lebak.

Daar arriveerden op 22 januari 1856 de nieuwe assistent-resident E. Douwes Dekker met zijn vrouw en zoontje. Hij wist dat de streek arm was en dat de bevolking uitgezogen werd door de regent en diens (onder)hoofden.

Menend dat dit een gunstige indruk zou maken op de gouverneur-generaal Duymaer van Twist, begon hij onmiddellijk aan een studie van deze misstanden. In het archief vond hij talrijke gegevens over afpersingen en andere wandaden. Deze gegevens waren verzameld door Carolus en diens voorgangers. Men had ook wel eens straffen uitgedeeld, o.m. was de demang (= districtshoofd) van Parang Koedjang (= Parangkujang), een schoonzoon van de regent, eens met veertien dagen arrest bestraft.

Carolus, die in Max Havelaar Slotering heet, was van plan geweest eind 1855 een aanklacht in te dienen tegen de regent.

Dekker verzamelde ook klachten van de bevolking. Hij kende geen Soendanees (de taal die in dat gebied van Java door de bevolking gesproken wordt), alleen Maleis, en het is waarschijnlijk dat de djaksa (hoofd van de politie) die beide talen sprak, hem als tolk terzijde gestaan heeft; in elk geval heeft de djaksa hem geholpen bij het verzamelen van inlichtingen. Zoals een politieman betaamt, nietwaar? Dit laatste moet er, gek genoeg, bij gezegd worden, in verband met de vele kritiek die er in de loop der jaren op Dekker's onderzoek is geuit, o.a. dat hij zich door de djaksa zou hebben laten ‘opstoken’ tegen de regent.

Op 12 februari laat Dekker aan de regent een aantal schriftelijke vragen voorleggen die de herendiensten betreffen. De regent beantwoordt ze schriftelijk. Dekker voorziet deze antwoorden soms van een kort commentaar.

Enkele voorbeelden.

Vraag: Wat is de betekenis van ‘Poendoetan’?

Antwoord: De betekenis van poendoetan is wat men alzo vraagt zonder te betalen, dat is poendoetan, bij voorbeeld men vraagt hout, bamboe, atap, voor het repareren

[p. 44]

van de woning van het hoofd of van de wachthuisjes, zonder betaling; dat is poendoetan en zo meer.

Commentaar: Niet juist. Poendoetan doelt op rijst, kippen etc., - met welk commentaar Dekker bedoelde: op geschenken van geringe waarde.

Vraag: Deze poendoetan, hoe wordt die verkregen: door een bevel of vrijwillig van de mensen?

Antwoord: Deze poendoetan wordt niet bereidwillig door de kampongmensen gegeven, doch zij volgen de geboden op, welke er van oudsher en van geslacht op geslacht zijn.

Commentaar: Fraai.

 

Een paar dagen later bericht de regent aan Dekker dat zijn neef, de regent van Tjandjoer hem zal komen bezoeken. Hij zegt arm te zijn. (Dit was waar. Hij had al eens een voorschot van ƒ3000, - op zijn salaris moeten opnemen, reden waarom er elke maand ƒ150, - van zijn salaris werd ingehouden. Daardoor kon hij zijn neef eigenlijk niet goed ontvangen.) Hij vraagt verlof koelies op te roepen om het gras op zijn erf te snijden (zonder betaling, wel te verstaan).

Dekker weigert de vergunning koelies op te roepen, maar zendt hem ƒ100,-.

De regent vraagt of deze ƒ100, - als een lening is bedoeld. In dat geval zal hij daarvoor een schuldbekentenis sturen.

Dekker antwoordt dat de regent die ƒ100, - maar terug moet sturen als hij ze niet wil hebben.

Op 18 februari legt hij de regent nogmaals vragen voor, vier ditmaal, over de armoede in het regentschap. De regent antwoordt ontwijkend.

In Max Havelaar staat over dit alles weinig of niets, maar wel wordt er verteld dat Havelaar in z'n eentje nachtelijke tochten maakte van twintig uur lang, waar niemand iets van wist en zonder dat iemand hem zag. Menigmaal had hij ergens al een misstand ontdekt in een afgelegen gehucht, vóór de inwoners zelf zich daarover bij hem kwamen beklagen. De tropennachten moeten in die tijd langer geduurd hebben dan heden. De wegen moeten ook veel beter (en beter verlicht) zijn geweest dan

[p. 45]



illustratie
Abraham Juliaan Langevelt van Hemert (1825-1880); controleur 2e klasse in de Residentie Bantam van 1854-1858; stond model voor Verbrugge in Max Havelaar; hij werd in 1862 assistent-resident van Grobogan en in 1875 resident van Ternate; het jaar daarop kreeg hij pensioen.

in onze tijd, waarin de dorpen van dit gebied, zeker in het natte seizoen, haast alleen met Landrovers en dergelijk materieel zijn te bereiken. Zulke verhalen in Max Havelaar zijn dan ook geheel in de trant van Les Mystères de Paris. De afstand Rangkas Betoeng - Parang Koedjang bedraagt ongeveer 30 km.

Op 20 februari meldt de controleur Langevelt van Hemert (Verbrugge in Max Havelaar) op een briefje, dat de regent werkvolk heeft opgeroepen om zijn erf schoon te maken. Dekker stuurt die mensen weg, als het werk pas half voltooid is. De regent schrijft daarop aan Dekker een brief, ‘erkent schuld niet vooraf aan de Heer Assistent-Resident verlof hiervoor te hebben gevraagd want ik volgde hetgeen gewoonte was.’ Zegt dat het erf er nu nog smeriger uitziet omdat het maar half schoon is en op de andere helft het wilde gras nog hoog staat. En hij vraagt of het werk voortgang mag vinden, omdat die mensen er nu toch al zijn.

Dit document en het briefje van de controleur zijn bewaard gebleven. Al het overige over de grassnijdersgeschiedenis (zie boven) is alleen bekend uit een vier jaar later geschreven kranteartikel van H.J. Lion, wiens lezing niet geheel klopt met de brief van de regent. Immers, de regent erkent geen verlof te hebben gevraagd, en volgens Lion had de regent wel degelijk eerst verlof gevraagd, maar was dit van te voren door Dekker geweigerd. Hoe dan ook, de regent liet zijn erf gratis wieden zonder Dekker's vergunning. Dit staat vast.

Op 23 februari bericht de regent van Tjandjoer, neef van de regent van Lebak, aan Dekker dat hij onderweg is en dat hij gaarne zijn opwachting bij de assistent-resident zal maken.

Omstreeks dit zelfde ogenblik vernam Dekker, of eigenlijk moet ik hier zeggen, want de documenten vertellen er niets over: Max Havelaar, van de weduwe Carolus, mevrouw Slotering, dat haar man door de schoonzoon van de regent, de demang van Parang Koedjang, was vergiftigd.

Een politieonderzoek daarnaar heeft niet plaatsgevonden; mevrouw Slotering had misschien geen aangifte gedaan?

Dekker is nu, mede onder indruk van het aarzelende gedrag dat hij in de controleur waarneemt, tot de overtuiging gekomen dat deze zaken heel anders moeten

[p. 46]



illustratie
Carel Pieter Brest van Kempen, geb. Amsterdam 1815; wordt in 1835 commies bij de Resident van Batavia, in 1846 secretaris van de Residentie Batavia; 1847 assistent-resident van Madoera, en een der eersten die in de binnenlanden van dat eiland doordringen; 1851 resident van Menado, 1854 resident van Riouw, 1855 resident van Bantam, 1857-1863 resident van Jogjakarta; krankzinnig geworden en 4 februari 1865 overleden in het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen te Utrecht.

worden aangepakt dan tot dusver. Hij wil drie dingen: het bezoek van de regent van Tjandjoer verhinderen, want dat bezoek zal de regent van Lebak veel geld kosten en hem dus tot nieuwe misdaden drijven; de zaak entameren voordat Van Twist, die formeel al was afgetreden, het bestuur aan zijn opvolger zou hebben overgedragen; en, ten slotte, niet zelf ook vergiftigd worden zoals zijn voorganger.

Op 24 februari stuurt hij een officieel stuk aan zijn chef, de resident C.P. Brest van Kempen te Serang, waarin hij de regent beschuldigt van misbruik van gezag door onwettige beschikking over de arbeid van zijn onderhorigen, hem verdenkt van knevelarij door het vorderen van opbrengsten in natura, zonder of tegen willekeurig gestelde onvoldoende betaling en de demang van Parang Koedjang verdenkt van medeplichtigheid aan bovenstaande feiten.

Hij verzoekt zijn chef hem op te dragen: ‘1e De regent voornoemd met de meeste spoed naar Serang te doen vertrekken en zorg te dragen, dat hij noch vóór zijn vertrek, noch gedurende de reis in de gelegenheid zij om door omkoping als anderszins invloed uit te oefenen op de getuigenissen die hij zal moeten inwinnen, 2e de demang van Parang Koedjang voorlopig in arrest te nemen, 3e gelijke maatregel te treffen tegen andere erbij betrokken personen, 4e bedoeld onderzoek terstond te doen aanvangen.’

Het was een brief waarin een ondergeschikte zijn chef zonder voldoende opgave van redenen voorschreef wat er moest gebeuren, en de ingrepen die hij voorstelde waren verregaand. Zelfs in 1939, zoveel jaar later, toen de invloed van de Javaanse hoofden zeer veel kleiner was dan in 1856, zou een regent heel wat meer op zijn kerfstok moeten hebben gehad, vooraleer men op die manier tegen hem zou zijn opgetreden, oordeelde E. Du Perron.

Brest van Kempen nam dan ook geen genoegen met die brief. Op 25 februari antwoordde hij dat hij de volgende dag ‘even’ naar Rangkas Betoeng zou komen om over de kwestie te praten. Er had zijns inziens eerst met hem overleg gepleegd moeten worden en nu dit niet is gebeurd, schiet hem, om daarin te voorzien, niets over dan zijn juist zo drukke bezigheden te onderbreken en zelf te komen.

In Max Havelaar wordt dit, ‘dat Havelaar hem stoorde in zijn drukke bezigheden’.

[p. 47]



illustratie
Assistent-residentswoning te Rangkas Betoeng aan het begin van deze eeuw; opgeblazen in 1949; het huis was waarschijnlijk niet precies hetzelfde huis als waarin Dekker woonde, maar stond wel op dezelfde plek.

‘Even’: de afstand Serang - Rangkas Betoeng bedraagt ongeveer 43 kilometer. Heen en terug zal de drukbezette resident zesentachtig kilometer moeten afleggen in een rijtuig, over slechte wegen. 't Is op het eerste gezicht curieus dat hij, die immers drukke bezigheden had, niet, omgekeerd, Dekker gelastte naar Serang te komen om nadere toelichting te geven. Dat Brest van Kempen zelf op reis ging, zal verklaard moeten worden uit de behoefte ook met de regent te praten. In elk geval was Brest van Kempen wel ernstig verontrust. Dat er niet met hem van te voren overleg was gepleegd kan hij moeilijk als vleiend hebben ervaren, maar Dekker was het geenszins verplicht.

Dekker ontvangt de brief dezelfde dag en schrijft er onmiddellijk een antwoord op, 's avonds om 11 uur. Het zal de reizende resident de volgende ochtend tegemoet worden gebracht. In dit antwoord verdedigt Dekker zijn geheimhouding opnieuw met het argument dat anders de regent, b.v. door omkoping, de klagers het zwijgen zal kunnen doen opleggen.

Ook krijgt de chef van zijn ondergeschikte te horen: ‘Ik heb de meeste hoogachting voor Uwedg. doch ik ken de geest die men de geest van de O.I. ambtenaren zou kunnen noemen en die geest bezit ik niet.’

Wat Brest van Kempen, dit nauwelijks verhulde blijk van wantrouwen lezend, heeft gedacht, moeten we helaas gissen. De toon tussen de beide heren, tijdens het gesprek de volgende dag, blijft hoffelijk. Dekker volhardt in zijn weigering verdere opening van zaken te geven, alvorens de arrestaties hebben plaatsgevonden, en Brest van Kempen blijft erbij dat hij zonder de feiten te kennen, niets wil ondernemen.

Brest van Kempen bezoekt die dag ook (met medeweten van Dekker) de regent, vraagt hem of hij een grief tegen de assistent-resident heeft (antwoord: helemaal niet, maar hij heeft de mensen die mijn erf moesten schoonmaken naar huis gestuurd, zodat ik voor schut gezet ben in het oog van mijn omgeving, en dat nog wel terwijl mijn neven straks op bezoek komen) en Brest van Kempen biedt hem tweehonderd gulden aan. Dekker verneemt dat laatste doordat de regent het naderhand aan de controleur Van Hemert vertelt, die het overbrieft aan Dekker.

[p. 48]



illustratie
De regent van Lebak, Karta Nata Negara, met twee bedienden, waarvan een de gouden pajong, teken van hoge waardigheid, vasthoudt.

Een deloyale handeling van zijn chef! Met dat geld zal de regent immers in staat zijn de klagers plat te krijgen, zodat Dekker automatisch in het ongelijk zal worden gesteld.

Tot zijn laatste snik zal Multatuli er deze uitleg aan geven.

Maar misschien was het geen deloyale handeling. Het is mogelijk Brest van Kempen's geld geven aan de regent anders te duiden. De regent verkeerde in financiële moeilijkheden, die erger zouden worden door het bezoek van andere regenten. Het was onmogelijk gebleken dat bezoek (zoals Dekker eerst wilde) te doen afzeggen. De regent moest hen met de verplichte praal ontvangen - en zulke heren kwamen met een gevolg van familieleden, lijfwachten en danseressen, te zamen omstreeks honderd man! En op 26 februari 1856 wist Brest van Kempen niet beter dan dat het hele criminele onderzoek niet zou doorgaan en er dus ook geen klagers meer hoefden te worden omgekocht. Het aanbieden van geld aan arme regenten was op zichzelf niets bijzonders: ook Dekker had het immers al eens gedaan, nog geen week voordien.

 

Het was algemeen bekend dat de regenten ook uit geldelijke noodzaak tot hun misdragingen kwamen: hun ambtenaarssalarissen, hoewel dikwijls hoog, waren toch niet groot genoeg om als een vorst te leven. De regent verdiende ongeveer evenveel als Dekker (ƒ700, - per maand, verminderd met ƒ150, - afbetaling op verkregen voorschotten) en Dekker moet alle begrip hebben gehad voor dat probleem...

Later schreef Multatuli eens: ‘Ik geef u zoveel meer, zei de heer die een nieuwe knecht in dienst nam, mits ge niet steelt. Ik kan't er niet voor doen, zei de knecht. Nu, de hoofden kunnen 't er niet voor doen. Maar al kon 't, zouden ze 't willen? Schadeloosstelling voor niet-stelen, plus 't stelen zelf, is toch altijd preferabel boven schadeloosstelling alleen.’ (VW, xi, 625)

Toch zou Multatuli altijd blijven beweren dat de resident dat geld aan de regent had gegeven om Havelaar te nekken.

Mag het waarschijnlijk worden geacht dat de zeer schrandere regent er dan met de controleur over zou hebben gepraat? Deze wetenschap was immers een wapen in handen van zijn vijand Dekker tegen zijn beschermer Brest van Kempen.

[p. 49]

Op de brieven die Dekker aan Brest van Kempen schreef, is in de loop der tijden heel wat kritiek geleverd.

Dekker had al eerder de gewoonte aangenomen zijn ambtelijke missives tot stilistische kunststukken te maken. Dit kwam hem goed van pas, toen hij ze in zijn roman Max Havelaar verwerkte: hij kon ze nagenoeg ongewijzigd overschrijven en toch de romanlezer blijven boeien.

Bij mijn weten zijn er geen tekenen bewaard gebleven dat hij voordien de andere ambtenaren heeft verbaasd met zijn zo literair geformuleerde mededelingen, al prees Rochussen eens de stijl van een door Dekker opgesteld rekest. (VW, x, 114) Ook stond hij sinds lang als ‘excentriek’ bekend.

Van het gemiddelde ontwikkelingspeil der toenmalige Indische ambtenaren dient men zich geen al te optimistische voorstelling te maken. Menigeen was nauwelijks in staat een begrijpelijke brief in normaal ambtenaren-Nederlands te schrijven. Voor een deel waren zij gebrekkig opgeleide avonturiers, jongens die in Nederland niet hadden willen deugen - als Dekker zelf, zou ik bijna zeggen, maar niet, als hij, tot een wilde levensloop gebracht door overmaat aan begaafdheden.

Minder amusant dan zijn literaire briefstijl was Dekker's tactiek bij conflicten de tegenpartij te dreigen: ‘Geef mij mijn zin, want anders neem ik ontslag en zullen mijn vrouw en kind honger moeten lijden en dat zal dan uw schuld zijn.’

Deze tactiek paste hij ook in het Lebak-conflict toe en niet voor het eerst. Toen later zijn vrouw en kinderen ten slotte werkelijk honger leden, zou hij, consequent, de schuld daarvan op anderen blijven schuiven.

Nooit heeft hij misschien beseft dat het beroep op de honger van zijn vrouw en kinderen voortkwam uit:

a behoefte de schijnheiligheid van zijn z.g. christelijke tijdgenoten aan de kaak te stellen en

b onwetendheid dat deze laatsten, nog veel schijnheiliger dan waar hij ze toch al voor hield, in hun hart zouden kunnen denken: nou, als jij daar nú al bang voor bent, dat je vrouw en kinderen honger zullen lijden, barst jij dan maar met je vrouw en kinderen, of zorg zelf maar dat zij geen honger lijden.

[p. 50]

Zo verging het hem veelvuldig.

Multatuli was agressief en argeloos tegelijk, en zijn maatschappelijke nederlaag moet toegeschreven worden aan deze combinatie van eigenschappen, een waarmee grootse literatuur is voortgebracht, maar nog nooit een overwinning in de jungle behaald. Het moet ingeschapen masochisme worden genoemd, waardoor hij zich keer op keer, met een onfeilbare zekerheid die in de letterlijke zin noodlottig kan worden genoemd, want stoelend op een in zijn karakter verankerde herhalingsdwang, in het hoekje van de verliezers wist te plaatsen.

Als kind al het jongetje dat altijd de schuld kreeg, tot hij van de weeromstuit misschien werkelijk schuld had... Misschien onschuldig van bedrog beschuldigd op Natal... Voortdurend in de schulden, zijn verliezen pogend goed te maken aan de speelbank, de enige plaats waar ze, zoals hij zelf terdege wist, met wiskundig vastgestelde waarschijnlijkheid op den duur alleen maar nog groter konden worden, is hij, de mensen verachtend en honend, toch altijd heel naïef, heel aandoenlijk, blijven hopen dat ze door zijn verwijten tot inkeer zouden komen en hem helpen. Nooit hielpen ze hem voldoende. Natuurlijk niet: diep innerlijk was hij ervan overtuigd dat ze niet deugden en dit toonde hij aan door honger te lijden.

 

Dekker zowel als Brest van Kempen wendden zich na hun vruchteloze bespreking tot de gouverneur-generaal. Ook Brest van Kempen wist van dreigen en hij gebruikte een bestuurlijk dreigement dat indruk moest maken op elke andere bestuurder. Hoe vooruitstrevend (volgens de historici en in eigen ogen) de gouverneur-generaal Duymaer van Twist ook was, hij was een bestuurder en meer kon hij niet wezen, anders was hij niet lang gouverneur-generaal gebleven. Ook de hem adviserende Raad van Indië bestond uit bestuurders, wat eveneens niet goed anders denkbaar is. Brest van Kempen schreef, na verklaard te hebben dat hij Dekker's grieven tegen de regent geenszins bij voorbaat als onmogelijk wilde verwerpen, dat toch, zo aan het beginsel van opvatting en uitvoering, door de Assistent-Resident van Lebak in deze aangelegenheid gevolgd, door de Regering mocht worden hulde gedaan, alsdan, naar zijn bescheiden mening de Residenten volstrekt de pas werd afgesneden, aan

[p. 51]

gewichtige aangelegenheden van Inlands bestuur in het hun toevertrouwd gebied, tijdig de zo nodige leiding te kunnen geven.

Daar viel en valt helaas weinig tegen in te brengen.

De Raad van Indië gaf als zijn ruimschoots toegelichte opinie (die Dekker nooit onder ogen gekregen heeft): Dekker is ongeschikt voor het Binnenlands Bestuur, hij moet eervol ontheven worden van het assistent-residentschap van Lebak.

Vice-president van de Raad was Ruloffs, eertijds Dekker's chef en hem goed gezind. Ook toen nog? Waarschijnlijk wel.

Want wat er na Dekker's eervolle ontheffing met hem zou moeten gebeuren, vertelde de Raad niet. Onjuist is het dat de Raad Dekker wilde doen ontslaan, zoals Van Twist en vele anderen later hebben beweerd, want ontheffen is niet hetzelfde als ontslaan. Geen ontslag dus, maar wat dan?

Er bleven enkele mogelijkheden over: hem plaatsen bij een andere overheidsdienst, of hem op wachtgeld stellen, bij voorbeeld. Beide oplossingen zouden voor de toch al berooide Dekker financieel nadelig zijn geweest. Van Twist besloot lankmoedig tot een overplaatsing naar Ngawi, zelfde rang, zelfde salaris. Maar Dekker moet alsnog volledige opening van zaken geven aan Brest van Kempen (bevel dat hij later in Max Havelaar niet zal vermelden). En zijn nieuwe chef in Ngawi, de resident van Madioen, krijgt een aanschrijving dat hij Dekker scherp in de gaten moet houden en binnen een half jaar rapport over hem uitbrengen.

De overplaatsing ging vergezeld van een ontevredenheidsbetuiging. Later zou Van Twist een en ander voorstellen als een buitengewoon grote gunst. Toegegeven, Van Twist zou hem zwaarder hebben kunnen treffen, maar was het wel zo'n grote gunst? Want wat had Dekker feitelijk misdaan? Niets dan:

a op gespannen voet raken met zijn inheemse wederpartij over een kwestie waarin Dekker de wet aan zijn kant had;

b een poging zijn meerdere, de resident, onder de voet te lopen.

Maar zijn bewering dat de regent zich aan misbruik schuldig maakte, was volkomen juist en zijn vrees dat de regent, als het van de resident afhing, daarvoor niet krachtig genoeg op zijn vingers zou worden getikt, kwam uit.

[p. 52]

De ontevredenheidsbetuiging was scherp geformuleerd. Een oude bewonderaar van Dekker, Hoogeveen, adjunct-secretaris van de gouverneur-generaal, schrijft hem een amicaal briefje: wees maar blij er zo te zijn afgekomen en houd je nu maar stil.

Maar Dekker voert zijn dreigement uit en neemt ontslag. Brest van Kempen probeert hem nog tot andere gedachten te brengen (wat later niet in Max Havelaar zal worden vermeld). Nee, hij trekt zijn ontslagaanvrage niet in.

‘Goddank’, roept zijn vrouw uit, ‘dat gij eindelijk uzelf wilt zijn.’

Sommige commentatoren zouden later zijn ontslag nemen de daad van een gek noemen. Ten onrechte. Wie de ontevredenheidsbetuiging: ‘Van uwe verdere handelingen in die betrekking (d.w.z. Ngawi) zal het geheel afhangen of UEdG. bij het binnenlands bestuur zal kunnen geplaatst blijven’, goed leest, begrijpt dat aanblijven de volledige dwarsboming van zijn ideeën over de bestrijding van de misstanden zou hebben betekend. Het was logisch dat hij ontslag vroeg. En hij kreeg het prompt.

 

Het lijkt of hij er ook toen niet van overtuigd is geweest dat dit het einde van zijn bestuurscarrière zou zijn en of hij voortging iets anders te verwachten van Van Twist. Of dit oprechte verwachtingen waren, dan wel een tactiek om de Zwarte Piet naar de tegenpartij terug te spelen, zullen wij nooit weten. Blijkens een aantekening, kort na de bespreking met de resident op 26 februari gemaakt, staat vast dat hij er al vrij spoedig rekening mee gehouden heeft het onderspit te zullen delven. Hij heeft nooit gedacht dat Van Twist Brest van Kempen zou overplaatsen en de regent toch gevangen laten nemen. Alleen op een berisping had hij niet gerekend, want hij had tenslotte zijn plicht gedaan, zij het op een ongebruikelijke manier. Alles bij elkaar is hij vierentachtig dagen in Lebak geweest.

Uit de archiefstukken had hij vernomen dat op de aanklachten van zijn voorgangers tegen regent en hoofden niet altijd zo bijzonder krachtig was gereageerd. Uit ervaring wist hij hoe zijn naaste medewerker, de controleur Langevelt van Hemert, sidderde bij de gedachte alleen al aan drastisch ingrijpen.

[p. 53]

Er bestaat over de Lebak-zaak een enorme literatuur, jammer genoeg voor een groot deel ontstaan toen alle betrokkenen dood waren en men niemand meer iets vragen kon.

 

Een veel gehoorde aanmerking op Dekker's handelingen is dat hij de ‘adat’ (inheems gewoonterecht) niet voldoende kende. Ik zie niet in wat dit ermee te maken had - er zijn trouwens ettelijke passages in zijn geschriften, waaruit blijkt dat hij wel degelijk wist rekening te moeten houden met inheemse gebruiken, zoals het geven van geschenken enz., die in een Europees land onduldbaar zouden zijn geweest (zie bij voorbeeld Max Havelaar, vijfde druk, 211 e.v.). Wat hem ergerde was niet alleen hoe, adat of geen adat, de inheemse potentaat de bevolking gebruikte en misbruikte alsof deze mensen zijn persoonlijk eigendom waren, terwijl daarover niets in de Nederlandse wetten stond, die de assistent-resident had te handhaven; het ergerlijkste was dat de Nederlandse ambtenaren uit eigenbelang en gemakzucht de wetten niet krachtig genoeg handhaafden.

Dekker's falen als ambtenaar moet eerder toegeschreven worden aan een onderschatting van de Nederlandse ‘ambtenarenadat’, om dat woord nog eens te gebruiken: hem werd niet toegestaan over zijn Nederlandse chef heen te lopen, ook niet door de vooruitstrevende Van Twist. En misschien kon dat wel niet anders.

Al was de gouverneur-generaal de machtigste autocraat ter wereld, zelfs de grootste despoot kan niet de ambtenarenpyramide waar hij op troont gaan uithollen door een superieur in zijn hemd te zetten tegenover een ondergeschikte, als daar geen wettige reden voor is. De beleidsbeslissing die Brest van Kempen had genomen, was misschien onjuist, maar in geen geval onrechtmatig.

Daar kwam bij dat een gouverneur-generaal op politieke gronden werd benoemd. Heel wat gouverneurs-generaal waren nooit eerder in de kolonie geweest en moesten geheel bouwen op de kennis van zaken en de bestuursroutine van de residenten. De residenten waren de eigenlijke machthebbers.

Van Twist was zo'n gouverneur-generaal. Toen hij z'n aanstelling kreeg, vroeg hij of J.C. Baud, die gouverneur-generaal geweest was van 1831-1834, niet met hem kon

[p. 54]

mee gaan om hem te adviseren, waarop Thorbecke sprak: ‘Gij gaat alleen, of gij gaat niet.’

De ontevredenheidsbetuiging bevat niettemin een bewering die het stuk niet eerlijker maakt, maar aan ons wel duidelijk hoe wanhopig Dekker's onderneming was. Er staat namelijk dat er over de regent ‘steeds gunstige getuigenissen waren afgelegd’. Als dit iets bewijst, bewijst het alleen maar dat de regent, om welke redenen dan ook, jarenlang de hand boven het hoofd was gehouden, want zijn knoeierijen waren eerder gemeld.

Moeilijk is het, de vraag te beantwoorden wat Dekker, na Brest van Kempen's weigering op 25 februari, beter had kunnen doen of laten om een in ambtelijke zin voor hem gunstiger resultaat te verkrijgen. Dat ‘Nederlands-Indië’, die ambtenaren en hun usances, ze bestaan immers al lang niet meer.

De manier waarop Dekker de zaak aansneed, was tot mislukken gedoemd - blijkbaar, want het mislukte. Wat er zou gebeurd zijn als Brest van Kempen min of meer op Dekker's oorspronkelijke voorstellen was ingegaan, zullen we nooit weten, helaas. En ook weten we niet zeker wat de uitkomst zou zijn geweest als Dekker te werk gegaan was op de manier van zijn voorgangers: van te voren overleg plegen met de resident en een lang onderzoek beginnen dat onmogelijk verborgen had kunnen blijven voor de regent. Zou dan inderdaad gebeurd zijn wat hij altijd gezegd heeft te hebben gevreesd? Zou er zijn geschipperd, zou de regent de klagers de mond hebben gestopt met geld, voor zover het niet mogelijk was ze uit de weg te ruimen, en zouden daarna de misbruiken zijn blijven voortbestaan? Hoogstwaarschijnlijk wel. Maar zijn eigen despotische principes konden evenmin in praktijk worden gebracht, gezien de numerieke zwakte van de Nederlanders daar, en de gedweeë houding van de bevolking jegens haar inheemse hoofden.

Jammer is het ook, dat men zo weinig af weet van Carel Pieter Brest van Kempen. Kort voor Dekker in Lebak kwam, was Brest van Kempen eenenveertig jaar oud geworden. Dat zijn assistent-resident hem vier jaar later als ‘Slijmering’ onsterfelijk zou maken, kon hij niet vermoeden.

Had hij dit verdiend?

[p. 55]

Zijn bewaard gebleven foto toont een uiterst onaantrekkelijk facie, dit kan niet worden ontkend. Hij was niettemin, ook in het oog van Dekker, een ontwikkeld en beschaafd man.

Op Madoera had hij, zeggen zijn biografen, misbruiken bestreden.

De manier waarop hij in Max Havelaar beschreven werd, bleek zo nauwkeurig te zijn, dat iedereen die Brest van Kempen wel eens ontmoet had, wist wie er met Slijmering werd bedoeld. Merkwaardig is dat Multatuli hem laat spreken (‘Omdat. Hij. Het. Zo. Druk. Had.’, met achter ieder woord een punt) zoals lijders aan sommige vormen van krankzinnigheid een brief schrijven. Brest van Kempen zou negen jaar later krankzinnig sterven. Hij kan in 1856 al in een pre-psychotisch stadium hebben verkeerd. Zijn manier van spreken wijst daar niet alleen op, maar ook zijn door Multatuli naar voren gehaalde saaiheid, zijn gezicht waarop ‘zijn neus zich verveelde omdat er zo weinig op voorviel’, zijn koude blik, waarin iets lag dat ‘denken deed aan een logarithmentafel’, - zijn contactarmoede zegt de moderne psychiater. Brest van Kempen was vrijgezel.

 

Dekker kon eind 1859, toen hij Max Havelaar schreef, natuurlijk niet weten dat Brest van Kempen krankzinnig worden zou. Zijn beschrijving van de man is doeltreffend, maar wreed in het licht van wat later bekend is geworden.

Ondertussen kan geen mens beweren dat Brest van Kempen in 1856 heeft gehandeld als iemand die ontoerekenbaar was. Uit de bijval die het opperbestuur zijn deel liet worden, blijkt eerder het tegenovergestelde.

Wat nu bracht hem ertoe niet in Dekker's voorstellen te treden, een daad die hem bij vele generaties Multatuli-bewonderaars en anti-kolonialisten zo gehaat zou maken? Waarom koos hij (ogenschijnlijk?) de partij van de knoeiende regent?

Handelde hij als een behoedzaam ambtenaar of was hij corrupt, zoals Dekker al gauw suggereerde en de minister Hasselman veel later met zoveel woorden zou beweerd hebben? (Brest van Kempen, als gezegd vrijgezel, zat ‘onder de regent’, omdat deze hem ‘meiden’ leverde.)

Er kan geen twijfel aan bestaan dat zulke dingen wel voorkwamen. Maar of er in

[p. 56]



illustratie
Kaartje van Java uit 1850. (U.B. Leiden)

dit geval sprake van geweest kan zijn, is zeer onwaarschijnlijk, om de volgende redenen:

a Een andere minister, Van Zuylen, die Hasselman's verhaal aan Multatuli overbriefde, en trouwens Hasselman zelf ook, waren politici, die gepoogd hebben Multatuli met kletspraatjes te paaien. Dit is bewezen.

b Hasselman is assistent-resident van het aan Lebak grenzende Pandeglang geweest - maar in 1847-1849, toen Brest van Kempen op Madoera zat. Hij kon er dus uit eigen waarneming niets van weten.

c Dekker wist, toen hij te Lebak was, niets van meidenhistories. Collard, de commandant van het garnizoen (Duclari in de Havelaar), en Van Hemert hadden hem er blijkbaar ook nooit iets over verteld. En ze waren daar al lang.

d Brest van Kempen woonde in Serang, 43 kilometer verwijderd van de regent die in Rangkas Betoeng resideerde. Kon Brest van Kempen geen meiden dichter bij huis vinden? Een stroom meiden, over die afstand verplaatst, had onmogelijk onopgemerkt kunnen blijven.

e Brest van Kempen probeerde Dekker ervan terug te houden ontslag te nemen. Zou hij dat gedaan hebben als hij iets te verbergen had en een lastige pottekijker kon kwijtraken?

f Brest van Kempen vroeg de familie Dekker te logeren na het ontslag. Zou hij dat gedaan hebben, als... (zie boven).

 

Toch bleef Multatuli zijn hele leven de mening aanhangen dat het gedrag van Brest van Kempen ‘zweemde naar medeplichtigheid’.

Ook de overtuiging dat Carolus was vergiftigd, zou hij niet verliezen. De moordenaars van Carolus waren nooit opgespoord en o.a. daarover sprak Multatuli later, jaar in jaar uit, als hij zei dat er bloed kleefde aan de penningen die Duymaer van Twist in de Oost had overgespaard. Merkwaardig genoeg heeft hij zelf geen enkele poging gedaan deze moord te bewijzen.

Maar wie zou deze bewijzen hebben kunnen vinden?

Bensen, de arts die Carolus had behandeld, verklaarde dat Carolus niet, zoals

[p. 57]

Dekker meende, was gestorven enkele uren na bij de demang van Parang Koedjang te hebben gedineerd. Carolus leed al lang aan een ernstige leverziekte. Dat was de oorzaak van zijn dood. Dekker kende deze dokter Bensen heel goed en de familie Douwes Dekker moet hem ook na ‘Lebak’ betrouwbaar hebben geacht. Dokter Bensen's naam komt namelijk voor op de geboorteakte van hun dochtertje Everdina (Nonnie), gedateerd Soerabaja 1 juni 1857.

Wanneer het nu waar is, dat Brest van Kempen niet corrupt was en Carolus niet vergiftigd, mag dit voor Multatuli nogal tragisch worden genoemd. Dan waren de krasse maatregelen, die hij tegen de regent wilde nemen misschien werkelijk overijld. Dan is de werkelijke Lebak-zaak minder smerig dan de geromantiseerde.

Hieruit volgt misschien dat Douwes Dekker in de werkelijke Lebak-zaak gehandeld heeft op een manier die een smeriger zaak waardig zou zijn geweest. Brest van Kempen poogde Dekker te bewegen geen ontslag te nemen. Slijmering doet niets van dien aard en blijft daarmee in zijn rol. Maar de nobele Max Havelaar zal menige lezer in verwarring brengen door, na alles wat er was gebeurd, toch bij de slechte Slijmering te gaan logeren.

terug  begin  verder