terug  begin  verder
[p. 58]

4

Verhalen schrijven, al of niet waar, daarvan was nog geen sprake, nadat Dekker zijn functie had overgedragen aan Van Hemert, zijn standplaats had verlaten, enige tijd gelogeerd had bij Brest van Kempen, en was aangekomen in Batavia.

Teleurgesteld dat de gouverneur-generaal zijn ontslag aanvaard had, was hij wel, maar de hoop op een zeer eervolle herbenoeming of iets van dien aard, had hij - misschien - niet verloren: in elk geval wilde hij de opperbestuurder persoonlijk spreken.

Zijn hoop kan aangewakkerd zijn door de zware schuldenlast waarvan hij zich nu minder dan ooit kon ontdoen, hoop tegen beter weten in waarschijnlijk en zelfs tegen, mogelijk ook voor hemzelf verborgen, dieper willen in. Anders dienen dan hij te Lebak gediend had, kon en wilde hij immers niet? De gouverneur-generaal had hem duidelijk laten weten dat hij het wel degelijk anders wilde.

Hij schrijft Duymaer van Twist een brief, betoogt dat de gronden waarop de afkeuring van de gouverneur-generaal gebaseerd was ‘verdicht en leugenachtig’ zijn. Dat hij dit bewijzen kan. En hij vraagt om een audiëntie.

(Die ‘gronden’ zijn: de wijze waarop hij te werk gegaan is bij de ontdekking of veronderstelling van kwade praktijken, de houding aangenomen tegenover zijn chef, het verrichten van onderzoekingen tegen de regent zonder voorafgaande raadpleging van de resident, het niet staven van zijn beschuldigingen door feiten, veel minder bewijzen, het doen van voorstellen die ertoe zouden hebben gestrekt de regent aan ‘een hem moreel geheel vernietigende bejegening’ te onderwerpen, de weigering aan zijn chef volle opening van zaken te geven.)

Zonder te weten dat Van Twist in eigen ogen het oordeel (of de veroordeling) van de Raad van Indië had getrotseerd te zijnen gunste, zonder het advies van de Raad van Indië te kennen, bracht hij Van Twist onder het oog: ‘u bent misleid door uw adviseurs.’ Een afschuwelijke vergissing, niet alleen omdat Van Twist in werkelijkheid een zeer lage dunk had van de Raad van Indië, maar ook om het volgende.

De Raad van Indië was, in tegenstelling tot Van Twist, niet van mening geweest dat Dekker van te voren overleg had moeten plegen. Het schriftelijke advies eindigde als volgt: ‘De Raad van Nederlands-Indië neemt voorts de vrijheid op te merken,

[p. 59]



illustratie
Charles Ferdinand Pahud, zich na zijn aftreden als gouverneur-generaal noemende Pahud de Mortanges (1803-1873); van 1849 tot 1855 minister van Koloniën; gouverneur-generaal van 1856 tot 1861.

dat hij de bevelen van het opperbestuur, om niet zonder voorafgaand overleg met het hoofdbestuur, onderzoek te doen naar strafbare handelingen van regenten, vervat in het geheim besluit van 6 augustus 1840 La.L3, buiten beschouwing gelaten heeft, vermits hij meent zich te herinneren, dat hetzelve door latere bevelen van het opperbestuur is vervangen.’

 

Vice-president van de Raad van Indië was Dekker's vroeger zeer tevreden oud-chef Ruloffs, die hem nog had geholpen ter gelegenheid van de Natalse moeilijkheden.

Hoe Van Twist over Ruloffs dacht, wist Dekker evenmin.

Ruloffs was, schreef Van Twist eens, ‘nors, streng, onaangenaam en ongemakkelijk, van zeer slecht zedelijk gedrag, had vroeger op Java een bijzit bij zich in huis, met zijn vrouw en volwassen dochters... heeft nu en passant een jong meisje ongelukkig gemaakt.’ Ook over de andere leden van de Raad was Van Twist weinig te spreken.

Dekker's onjuiste vermoeden dat Van Twist zich door deze Raden van Indië had laten ‘misleiden’, kan in de bewindsman niet de nodige nieuwsgierigheid hebben gewekt hem te ontvangen. (Van Twist heeft zich overigens altijd op het standpunt gesteld: die man heeft ontslag gevraagd, ik heb hem gegeven waar hij om gevraagd had, daarmee is de zaak uit.)

Dit alles is verdrietig, maar ook wel een beetje komisch.

Van Twist stond hem niet te woord. Van Twist had een zweer aan zijn voet. Van Twist had het te druk met zijn aanstaand vertrek naar Holland. En kort daarop (14 mei 1856) vertrok hij. Van Twist was niet in staat een hervormer in hem te zien.

Dekker heeft ook nog geprobeerd de nieuwe gouverneur-generaal, Pahud, te benaderen, zonder daar veel van te verwachten. Hij kende Pahud en wat erger was: Pahud kende hem. Pahud kende hem van zijn zwartste of zwakste zijde, zijn geldgebrek door eigen schuld, zijn gebedel om voorschotten tijdens het Hollandse verlof, toen Pahud minister van Koloniën was. Dat Pahud aan Dekker's opzienbarende gedragslijn te Lebak een bijzonder hoogdravende uitleg zou geven, was uiterst onaannemelijk. Pahud ontving hem dan ook evenmin.

[p. 60]

De aanklacht tegen de regent van Lebak en diens helpers was ondertussen geenszins in de doofpot gestopt.

Nadat Dekker, om de klagers te beschermen, was blijven weigeren opening van zaken te geven, d.w.z. hun namen te noemen, is Brest van Kempen, nog onder Van Twist zelf, het onderzoek begonnen. De controleur Van Hemert was hem daarbij van weinig nut. Op 26 april 1856 (wat zeer kort na Dekker's vertrek uit Lebak moet zijn geweest) antwoordde Van Hemert desgevraagd aan Brest van Kempen, dat hem geen onregelmatigheden van de regent bekend waren, behalve de geschiedenis met de grassnijders.

Het lijkt wel of de ware Slijmering deze Van Hemert is geweest.

Gelukkig bracht Brest van Kempen's eigen onderzoek nog heel wat meer aan het licht.

Over het lot van de klagers staat in de officiële stukken niets. Werden ze vermoord en in de rivier gegooid? Er is alleen iets over bekend uit Dekker's eigen pen. Na zijn ontslag, maar terwijl hij nog in Rangkas Betoeng zat, stuurde hij een brief aan Van Hemert, op 15 april. Toen al namen de trawanten van de regent represailles en werden klagers geterroriseerd: ‘Zeven mensen hadden geklaagd. (...) Zij keerden naar hun woonsteden terug. Onderweg ontmoet hen hun dorpshoofd. Hij moet hun gelast hebben hun kampong niet weer te verlaten en nam hen (naar men mij rapporteert) hun kleren af om ze te dwingen thuis te blijven. Een hunner, ontsnapt, vervoegt zich weer bij mij en verklaart niet naar zijn kampong te durven terugkeren.’

Deze brief staat ook in Max Havelaar. Er is wel beweerd dat er helemaal geen klagers waren en dat ze er niet konden zijn, omdat Dekker te kort in Lebak was geweest om het vertrouwen van de bevolking te hebben kunnen winnen, enz. Maar de brief is authentiek en gericht aan Van Hemert, die Lebak al jaren kende. Zou hij Van Hemert sprookjes hebben verteld?

 

Brest van Kempen stuurde op 20 september 1856 een lijvig rapport over zijn recherches aan gouverneur-generaal Pahud. Op 11 december van hetzelfde jaar stelde Pahud zijn vonnis te boek: de regent Karta Nata Negara heeft ‘zich schuldig ge-

[p. 61]



illustratie
Serang, huis van de Resident, omstreeks 1856.

maakt aan onderscheidene ongeoorloofde heffingen van arbeid, geld en karbouwen tegen onevenredige of geen betaling’.

Maar er zijn verzachtende omstandigheden: gebrek aan financiën omdat de regent zoveel familieleden en andere hovelingen onderhouden moet. Conclusie: de resident zal de regent weliswaar ernstig de les moeten lezen, maar de regent krijgt ook een kleine financiële tegemoetkoming. Het bedrag waarmee zijn salaris maandelijks werd gekort wegens schulden aan de overheid, zal met honderd gulden worden verminderd.

De demang van Parang Koedjang en nog een paar andere lagere ambtsdragers werden ontslagen.

‘Toean Dekker’, placht de regent later te vertellen, ‘wel een goed heer, maar een beetje gek. Hij deed hier niets dan op z'n kantoor zitten met natte doeken om z'n kop tegen de hoofdpijn.’

 

Met de berisping van de regent, het ontslag van de demang van Parang Koedjang en nog een paar andere kleine figuren, was de hele ‘Lebak-zaak’ afgehandeld, nog in het jaar 1856 zelf. Dekker verbleef toen op Java. Is hem nooit ter ore gekomen hoe het afliep, of interesseerde het hem niet meer, of voelde hij dat deze afloop enigszins het boek ondermijnde waarover hij, misschien toen al, liep te denken?

Niemand weet het en niemand heeft het hem ooit gevraagd.

Maar in elk geval is het niet zó geweest, dat er pas in 1860, na het verschijnen van Max Havelaar, iets aan de knevelarijen te Lebak gedaan werd, zoals Multatuli in 1881 zou beweren, o.a. in opheldering(152) van Max Havelaar. Waarschijnlijk had hij iets horen verluiden over een bezoek dat Pahud in 1860 aan Lebak gebracht had - maar ook dit bezoek vond plaats voordat het eerste exemplaar van Max Havelaar op Java was aangekomen.

Beter op de hoogte met de afloop van Dekker's aanklacht tegen de regent en diens trawanten, was de oriëntalist prof. P.J. Veth, die in 1860 zowel de roman als de oorspronkelijke ‘zaak’ besprak in ‘De Gids’. Zijn conclusie: ‘De kleine dieven werden gehangen, de grote liet men lopen.’

[p. 62]

Wat er honderd jaar later nog van te zeggen?

Als een Nederlandse burgemeester maar een deel zou hebben misdreven van wat de regent misdreef, zou hij niet alleen ontslagen zijn, maar ook vele jaren in de gevangenis hebben moeten doorbrengen. Dat staat wel vast. Maar de gelegenheid tot wandaden van die omvang zou hem nooit gegeven zijn. Ook Dekker zelf was geen voorstander van ‘te zware straf voor knevelarij’. Want: ‘Dit doet opzien tegen het entameren der zaak.’ Deze aantekening maakte hij begin april 1856, zie VW, ix, 601.

Hoe zat het nu? Was een regent werkelijk zo machtig en was het Nederlandse Bestuur hoofdzakelijk lankmoedig uit zwakte en niet onwillig uit eigenbelang? Waren de maatregelen die Dekker tegen de regent voorstelde geen ‘haalbare kaart’ om het politieke jargon van de huidige politieke ambtenaren eens te spreken? Daarover zal wel niemand een onaanvechtbare uitspraak kunnen doen. Theorieën als dat Multatuli de Indonesiërs te veel door een Europese bril bezag, dat hij meer begrip had moeten hebben voor de uitheemse zeden, komen er feitelijk alleen maar op neer dat men de negentiende-eeuwse ambtenaar Douwes Dekker op zijn beurt onrecht doet en door een twintigste-eeuwse bril bekijkt. Hij was geen twintigste-eeuwse cultureel-antropoloog, maar een negentiende-eeuwse ambtenaar met verlichte ideeen. In de tweede helft van de twintigste eeuw, nu Europeanen geen bestuurlijke verantwoordelijkheden meer hebben in uitheemse streken, is het niet zo'n grote kunst op uitheemse zeden een warmbelangstellende visie te ontwikkelen.

In de negentiende eeuw stond voorop dat de Nederlanders niet op Java waren om zich onmogelijk te maken in dat land. Dat is ook nooit de bedoeling van Multatuli geweest. Daarnaast twijfelden juist de meest verlichte Europeanen er niet aan dat de bevolking tot Europese idealen van recht en zedelijkheid moest worden opgevoed.

Was strenger optreden tegen de regent van Lebak nu volstrekt uitgesloten om redenen van bestuursbeleid?

Op 8 november 1864 schreef de toenmalige minister van Koloniën (Fransen van de Putte) aan de toenmalige gouverneur-generaal (Sloet van de Beele) dat het besluit betreffende de beschuldigingen tegen dat inlands hoofd ingebracht door (...) Douwes

[p. 63]

Dekker zijn aandacht had getrokken. ‘Een zodanige, veel te lankmoedige beoordeling ten koste en ten nadele van de bevolking’ werd door hem ‘in genen dele beaamd’.

Een jaar later, negen jaar na ‘Lebak’, zou een opvolger van Brest van Kempen er wel degelijk in slagen de regent Karta Nata Negara te doen ontslaan. De bevolking kwam niet in opstand, maar bleef de regent wel aanbidden tot lang na zijn dood. Ook dit: dat deze regent in 1865 wel ontslagen kon worden zonder strubbelingen bewijst helaas niet dat het negen jaar eerder ook al doenlijk zou zijn geweest.

terug  begin  verder