terug  begin  verder
[p. 64]

5

Wat had Everdine precies bedoeld, toen zij uitriep: ‘Goddank, dat gij eindelijk uzelf wilt zijn’?

Was zij blij dat hij het ambtelijke keurslijf van zich afgeschud had?

In Max Havelaar wordt het min of meer zo voorgesteld.

Maar... wat was ‘hijzelf’? En besefte zij wat ‘hijzelf’ was? Heeft zij bedoeld dat hij schrijver worden zou, had ze enig idee wat daarvan de gevolgen konden zijn en aanvaardde ze die?

Ruim tien jaar eerder, toen zij nog met hem verloofd was, had hij haar opgebiecht: ‘Geen betrekking zou mij beter passen dan die van schrijver, dat heet, als ik mij eerst een jaar of tien oefende en er mij geheel op toelegde. Als ik fortuin had, genoeg om middelmatig te leven, geloof ik waarlijk, dat ik alle andere bezigheden, die mij toch nimmer aanstaan, aan een zij zette. Uw onlangs uitgedrukte vrees, dat ik dan te veel in hogere kringen rond zou dwalen enz., was immers scherts? Ik zou mij juist laag bij de grond houden, - ik zou mensen schilderen en die vindt men niet hoog. Help mij wensen, mijn Eefje, dat er een tijd mag komen, waarin ik mij om den brode niet hoef te bekommeren, waarin ik acht uren daags mensen zoek om de overige acht uren te besteden tot het opschrijven van hetgeen ik gevonden heb. Ik zeg dit verkeerd, - voor het laatste heb ik drie maal meer nodig.’ (Brief geschreven te Poerwakarta, 29 okt. 1845)

Om den brode moest hij zich na zijn ontslag meer dan ooit bekommeren. Hij bekommerde zich er ook om; merkwaardig genoeg zonder enig resultaat. Hij overweegt een rijstpelmolen te kopen, maar hij kan er het geld niet voor krijgen. Ander lonend werk vindt hij niet. Zijn verklaring dat hij overal wordt afgewezen omdat hij voor alles ‘te knap’ bevonden wordt, mag met enige korrels zout worden genomen. Een land waar het hem mogelijk was geweest als minderjarige snotneus controleur ter Westkust van Sumatra te worden, zou daar geen enkele broodwinning te vinden geweest zijn voor een eervol ontslagen assistent-resident - al was die natuurlijk veel knapper dan de minderjarige controleur?

Het is niet zeer twijfelachtig dat hij toch in feite een heel ander leven wilde: terug naar Europa, schrijven misschien, of rijk worden, nog altijd. Schrijven was natuurlijk geen broodwinning.

[p. 65]

Ten slotte gaat hij, een jaar na het ontslag, met geld van z'n broer Jan naar Europa scheep, op de vlucht voor zijn schuldeisers heet het. Zelf zei hij dat hij koningin Victoria wel eens wilde zien, en Napoleon iii en Keizerin Eugénie. Hij had trouwens (weer) een systeem ontdekt om rijk te worden. Kort voor zijn vertrek maakte hij kennis met Sicco Roorda van Eysinga, die levenslang zijn bewonderaar zou blijven. (Zie VW, xiv, 379, 536) Everdine, weer zwanger, bleef met Edu achter op Jan's tabaksplantage te Bodjonegoro (residentie Rembang).

Het ligt voor de hand dat Dekker, tijdens dat jaar waarin hij werkloos op Java bleef, nog niet precies wetend wat hij nu kon of wilde doen, met vele kennissen over zijn affaire heeft gepraat. Een van hen was de artillerie-officier Ant. Haga, die hij had leren kennen in mei 1855, op het schip dat hem van zijn Nederlands verlof naar Java teruggebracht had. Haga vertelde over de kennismaking in een brief aan zijn zuster, mevrouw Blijdesteijn te Sneek.

In augustus 1856 hield dominee Pieter Douwes Dekker van Den Helder een preek te Woudsend. Hij ontmoette de familie Blijdesteijn. De brief van Haga kwam ter sprake. Pieter memoreerde deze ontmoeting in een brief die hij op 25 augustus aan een ouderling schreef en vermeldde dat Haga ‘moest toestemmen en goedkeuren dat hij (Eduard) zich zo kras had verzet tegen vele en velerlei misbruiken en knevelarijen - en liever dan deze langer te dulden zijn ontslag had gevraagd.’ (VW, ix, 640)

Deze brief, waarin iets doorschemert van de gunstige indruk die Dekker's ontslag nemen op zijn kennissen of sommigen van zijn kennissen maakte, is ontdekt in 1913 door dominee K. Vos, overigens geen bewonderaar van Multatuli. De brief bewijst dat Dekker niet door iedereen voor gek versleten werd, zoals soms wel wordt gedacht. Hij bewijst ook dat hij de ‘zaak van de Javaan’ niet pas vier jaar later uit zijn duim zoog en niet of niet alleen ontslag genomen had in de hoop promotie te zullen maken.

Ambtenaren die wegens een verschil van inzicht ontslag namen, zijn er meer geweest. Ze vonden met meer of minder moeite een andere broodwinning. Het eigenaardige van Multatuli's geval is, dat hij er, lang voor hij ontslag nam, al bijna een

[p. 66]



illustratie
Het Casino te Homburg. (Collectie P. Spigt)

gewoonte van gemaakt had ermee te dreigen en daarbij te voorspellen dat zijn vrouw en kinderen dan honger zouden lijden.

 

Een andere broodwinning vindt hij niet meer en zo goed als zijn hele verdere leven wordt nu de vervulling van die voorspelling.

 

In Marseille stapt hij juni 1857 aan land. Ontmoet een dame. Bezoekt Noord-Italië. Reist door Frankrijk met een uit een bordeel verloste prostituée, Eugénie, die niet knap is, maar wel lief. Bezoekt Arles, maar niet Nîmes, zie Havelaar, opheldering (82). Speelt in Duitsland aan de roulettetafel en verliest.

Omstreeks het begin van 1858 belandt hij te Brussel in het armoedige hotelletje ‘Au Prince Belge’. Hij heeft zich ‘laag bij de grond gehouden’ omdat daar mensen te vinden zijn en die ‘vindt men niet hoog’.

Hij is voortdurend voor schuldeisers op de vlucht, durft zich in Nederland niet vertonen.

De hoop ‘laag bij de grond’ mensen te vinden, komt uit: Eugénie geeft hem zo nu en dan wat geld, de eigenaar van de ‘Prince Belge’ eist geen contante betaling, de clientèle van het etablissement waardeert zijn vriendelijkheid en zijn gesprekken, zijn medeleven met hun misère. Altijd al was hij, mits in een goed humeur, zijn gezelschap waard geweest.

Op al deze omzwervingen heeft hij een zwaar pak documenten over de Lebakzaak met zich mee gesleept, dat hij zijn hele leven bij zich houden zou. (Pas lang na zijn dood wordt het ernstig bestudeerd.)

Gebaseerd op gegevens uit dit pak schrijft hij een lange brief aan Duymaer van Twist. Deze brief was, toen hij hem in januari 1858 schreef, een particuliere brief, en of een eventuele publikatie hem al voor ogen gezweefd heeft, weet men niet. Naar de stijl te oordelen zou men zeggen van wel.

Het is vooral een verdrietige brief, opgebouwd rondom het refrein ‘Waarom wilde Uwe Excellentie mij niet horen?’

Ondanks sommige ouderwetse oratorische effecten, kun je hem ook nu nog moei-

[p. 67]



illustratie
Jan Douwes Dekker en zijn tweede vrouw Louise Marie Elise Adolphine Bousquet (1826-1910). (Olieverfportretten door G.N. op ten Noort, eigendom van N.A. Douwes Dekker)

lijk met droge ogen lezen. De schrijver zegt weer in Indische dienst te willen treden, hij vraagt Van Twist's steun. Maar: ‘Anders dienen dan ik te Lebak diende, kan ik niet.’

Niet lang voor zijn dood heeft Multatuli betoogd dat deze brief, in tegenstelling tot Max Havelaar, de kwestie beter uiteenzette dan de roman en nog meer geloof verdiende, omdat hij bij Van Twist niet met verhaaltjes hoefde aan te komen.

Voor de tegenwerking van Brest van Kempen geeft hij in de brief de volgende verklaring: ‘Het was des residents belang mijn aanklacht onwaar te maken. Uwe exc. zoude toch, als het door mij gevraagd onderzoek had aangetoond hoe deerlijk de toestand was der bevolking, daarvan aan den resident van Bantam rekenschap gevraagd hebben, die dat alles vroeger had behoren te weten.’

Geen corruptie dus bij Brest van Kempen, maar strijd voor eigen reputatie. Zou het?

Zou Van Twist rekenschap hebben gevraagd aan Brest van Kempen? We hebben gezien hoe de Lebak-zaak was afgelopen (en heeft Multatuli daar, toen hij de brief schreef, nu echt niets van geweten?) Noch Van Twist, noch Pahud vroegen ooit ‘rekenschap’ aan Brest van Kempen die, integendeel, hoogst eervol zou eindigen als resident van Jogjakarta, met een echte sultan naast zich. Trouwens, Brest van Kempen had het vroeger wel geweten en er ook wel eens iets aan gedaan. En Brest van Kempen heeft ook nooit geprobeerd de aanklacht onwaar te maken, ofschoon hij clementie bepleitte voor de regent.

Het valt moeilijk de geciteerde tirade op z'n juiste waarde te schatten. Wat is hier aan het woord: Dekker's nooit aflatende vergeefse speculatie op het eergevoel van zijn tegenstanders, of... zijn sarcasme? Is het eigenlijk misschien alleen maar een steek naar Van Twist die, zoals we zagen, nooit ‘rekenschap’ gevraagd had aan Brest van Kempen?

Hoe het zij, Van Twist gooide deze hartroerende brief met alle bijlagen in de prullenmand en gaf geen antwoord. Het origineel is nooit teruggevonden. Van Twist heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat hij Dekker, buiten de Raad van Indië om, had onderscheiden door hem naar Lebak te sturen en dat hij hem goedgunstig

[p. 68]



illustratie
Ottilie Natalie Caecilia Mathilde Coss (1837-1870).

had behandeld door hem over te plaatsen naar Ngawi. Van Twist beweerde beledigd te zijn door Dekker's ontslagaanvrage en diep in zijn hart heeft hij Dekker, afwisselend boetprofeet, smekeling en bedelaar, volledig veracht. In Van Twist's bibliotheek is na zijn dood geen enkel boek van Multatuli aangetroffen. Die boeken werden hem wel toegestuurd, door Multatuli zelf, en ook door bewonderaars van Multatuli, soms met honende briefjes erbij. Hij las ze niet en gooide ze weg. Dit laatste heeft een van zijn vrienden in 1910 medegedeeld in de NRC.

 

Omstreeks april 1858 keert ook Jan Douwes Dekker met zijn gezin naar Nederland terug. Everdine blijft met haar kinderen op zijn plantage achter. (Niemand heeft zich ooit de vraag gesteld waarom.)

Via Jan komt nu dan toch eindelijk een ontmoeting met Van Twist tot stand. Van Twist was inmiddels lid van de Tweede Kamer geworden en zou, als hij gewild had, iets goed hebben kunnen maken. Maar hij vond helemaal niet dat er iets goed te maken viel en de ontmoeting draaide op een diepe vernedering uit voor Dekker. Dekker was, vertelde hij op 16 juni 1860 aan Van Lennep, naar Van Twist gegaan, en had hem om antwoord op z'n brief gevraagd. Van Twist zei daarop dat hij ‘zoo goed schreef’. (Dekker aan Tine, 9 nov. 1859) Het lijkt haast onmogelijk dat Van Twist hem bij deze gelegenheid niet uiteengezet heeft hoe goedgunstig hij hem in eigen ogen had behandeld. Hij bood Dekker ƒ50, - aan, die deze accepteerde. Ook beweerde Van Twist hem wel te willen aanbevelen als tolk bij het Engelse Gezantschap, mits Dekker voldoende Engels kende. Het draaide op niets uit.

 

Jan betaalt de schulden van zijn broer en Eduard gaat opnieuw zwerven.

Toevallig staan in deze periode ook de zaken van Jan er niet florissant bij. Bezorgd schrijft broer Pieter op 9 juni 1859 aan Kruseman:

‘... den 8 mei heb ik te Cleve gepreekt en daar de vrouw van Jan gesproken. Hij was toen zoekende naar een geschikt verblijf voor vrouw en kroost binnen onze grenzen, maar buiten Noord en Zuid Holl - zijne kinderen van welke hij één - (een allerliefste jongen) aan de mazelen heeft verloren waren toen redelijk wel. -

[p. 69]



illustratie
Johan Constant Wilhelm baron van Heeckeren tot Waliën (1819-1868); van 1845 tot 1858 ambtenaar in Indië, later woonachtig te Den Haag; gehuwd met Everdine's zuster Henriëtte.



illustratie
Henriëtte Maria, baronesse van Heeckeren tot Waliën-Van Wijnbergen (1822-1905).

Voor 't ogenblik weet ik zijn adres niet - en zie ook geen kans om het op te diepen. Ik moet lijdelijk wachten tot hij mij schrijft.

Dat alles nu is geen geheim. Maar mag ik u toefluisteren: dat Jan financieel door brand en watervloeden (op zijn tabaksplantage, WFH) - en door de dwaasheden van zeker iemand en diens vrouw - behalve wat vroeger geschiedde - ook onlangs vreselijke klappen gehad heeft.

Ik durf niet gissen hoeveel die zeker iemand aan Jan reeds gekost heeft.’

‘De zeker iemand is E. Douwes Dekker’, heeft Kruseman in potlood op de brief aangetekend. (Gepubliceerd door Annelies Dirkse, Tirade 1975)

 

De 27ste juni 1859 vestigt Jan zich op het buitengoed ‘De Buthe’ te Brummen. Eduard is intussen - hoe of waarom blijft raadselachtig - diep in Duitsland terechtgekomen, namelijk te Kassel.

Innige maar, als 't waar is, platonische verhouding met de mooie en ontwikkelde Ottilie Coss, dochter van een rijtuigfabrikant. Hij maakt er Duitse verzen, die zij corrigeert. Hij vertelt haar over Indië, over Lebak, over zijn grote liefde voor Everdine, over zijn kind. Hij leest haar enkele fragmenten voor, die later in Max Havelaar zullen komen. Ottilie zal hem niet vergeten, maar sluit een huwelijk dat hij haar ontraden had. Hij verlaat Kassel met nieuwe schulden.

Een vreemd en onverklaard feit is het, dat er uit al deze jaren zo goed als geen brieven van hem bekend zijn, te vreemder omdat hij daarvoor en daarna zeer frequent aan Everdine schreef (en later aan zijn tweede vrouw) als hij op reis was. Toch correspondeerden zij. Het Duitse gedicht in Max Havelaar (223-227) is een brief van haar uit deze tijd, door hem ‘vertaald in jamben, en Edu (die volstrekt geen knap kind is) had de stof geleverd’. (VW, xi, 121)

Pas in 1859 vertrekt ook Everdine met haar twee kinderen en een baboe per landmail, alsof er grote haast bij was, naar Europa. ‘Landmail’ was ongeveer viermaal zo duur als geheel over zee. In de zomer ontmoeten ze het gezinshoofd, dat nu, voor het eerst, zijn dochtertje Nonnie ziet. Waar vindt de ontmoeting plaats? Te Luik. Waarom daar? Dat weet niemand precies. In elk geval omdat het buiten Nederland was,

[p. 70]



illustratie
Harriet (Harriet Elizabeth) Beecher Stowe (1811-1896); haar Uncle Tom's Cabin or Life among the Lowly verscheen als feuilleton in 1850 en in 1852 in boekvorm; dit pleidooi voor de afschaffing van de slavernij had ogenblikkelijk een enorm succes, maar de invloed ervan op Max Havelaar is minder groot dan wel eens is beweerd.

waar oude schuldeisers op de loer lagen. Misschien ook omdat het niet ver lag van Maastricht, waar een behulpzame vriend, Le Chateleux, woonde.

Ze deden een poging zich, voor de goedkoopte, neder te laten te Visé, precies tussen Luik en Maastricht. Maar de plaatselijke bevolking heeft nog nooit een baboe of andere dame in sarong en kabaai gezien en loopt te hoop. Om de onrust te bezweren vraagt de burgemeester of ze willen opstappen. Everdine trekt met kinderen en baboe naar Antwerpen om vandaar per boot naar Nederland te reizen. Geld voor kaartjes is er niet. Maar Dekker heeft bedacht dat ze tegen de kapitein moet zeggen haar beurs te hebben verloren. Deze raad volgt ze op. Na de landing te Rotterdam kan zij, onder geleide van een matroos, bij een bevriende hotelier het passagegeld lenen en ook nog iets voor de trein naar Den Haag, waar haar schatrijke zuster, Baronesse van Heeckeren tot Waliën, woont. Deze eist dat ze voorgoed met Dekker breken zal, maar Everdine toont zich daartoe niet van ganser harte bereid en wordt dus met ƒ20, - de straat weer op gezet. Eindelijk vinden de kinderen, de baboe en zij onderdak bij Jan Douwes Dekker, in diens grote landhuis ‘De Buthe’, te Brummen.

 

De hereniging met zijn gezin, na de scheiding van ruim twee jaar, had niet langer dan enkele dagen geduurd.

 

Hij keert terug naar de armoedige, maar gastvrije ‘Prince Belge’ te Brussel en herschrijft zijn toneelstuk De Eerloze. Ene Pauline, ene ‘Estelle van 't Casino’ kruisen omstreeks die tijd of wat eerder zijn pad. Vooral de laatste, een tingeltangelzangeres, werkt inspirerend: hij begint aan wat zijn hoofdwerk worden zal: Max Havelaar. Ook in januari 1860 zoekt hij deze Estelle weer op in dat Casino, hopend op nieuwe inspiratie. Zelfs in 1864 was hij haar nog niet vergeten, en bekende hij aan zijn latere tweede vrouw Mimi: ‘Ik heb je al gezegd dat een chanteuse in Brussel mij de compositie van Saïdjah ingaf (niet de feiten! Die had ik meegebracht van Lebak!) neen, dat zachte. Ze heette Estelle. Maar ik heb haar nooit gesproken. Ook wilde ik dat niet, en de stumpert weet niet dat ik muziek van stijl putte uit haar gelaat.’ (VW, xi, 347)

[p. 71]

Max Havelaar moest een dergelijk boek worden als De hut van Oom Tom, hoewel ‘iets droogs en onbelangrijks’, n.l. zijn ruzie met het Indische gouvernement, eraan ten grondslag lag. Maar eer hij zijn vrouw voor het eerst in een brief bericht dat hij aan dit boek schrijft, heeft hij haar al herdoopt tot ‘Tine’, naar de opofferende echtgenote van de heldhaftige Max. (Voordien noemde hij haar zelden zo, meestal Eefje.) Tot het laatst van haar leven zal zij Tine heten, wat betekent dat hij haar niet alleen een andere naam, maar ook een geheel nieuw levensprogramma oplegt: niet meer de vrouw van een hoge bestuursambtenaar, maar van een genie.

Zijn brieven zijn helaas menigmaal misbruikt om aan te tonen, dat Multatuli lak had aan de ‘zaak van de Javaan’, dat hij het boek alleen maar schreef in de hoop er de regering mee onder druk te zetten, het dan te verkwanselen voor een hoge functie.

De brieven wekken deze indruk soms wel, maar het is billijk er rekening mee te houden wie degene was voor wie ze waren bestemd.

In de vier jaren die na het ontslag verstreken waren, zal het Tine misschien wel steeds moeilijker gevallen zijn God te danken dat Dekker eindelijk zichzelf wou worden. De brieven dienen om haar onrust te kalmeren, om haar hoop te geven dat ze uit de ellende kunnen raken. Die hoop kon hij noch haar, noch zichzelf verschaffen door uitsluitend van literair succes te dromen, want literaire successen die zo veel geld opbrachten als zij nodig zouden hebben om de schulden te betalen en verder te leven, waren in een klein taalgebied als het Nederlandse niet mogelijk.

Karakteristiek: op officiële stukken hem betreffende, zal tot zijn dood achter beroep altijd ingevuld worden: ‘Zonder’.

Zeker, hij was bereid van schrijversroem af te zien voor een hoge positie in Indië. Verraad van de Javaan? Grote onzin. Wou hij op korte termijn iets voor de Javaan bereiken, dan zou hij daar gemakkelijker en sneller in slagen als bestuurder dan als schrijver, laat staan als profeet of boetprediker. Dat moet hij toen al hebben ingezien - en zijn verdere leven heeft bewezen dat profeten en boetpredikers altijd weer in de woestijn terechtkomen.

Het duidelijkst vertelde hij Tine wat hij met het boek van plan was op 11 november 1859:

[p. 72]

‘Als men komt met een boek met de vraag “Wil je dat afkopen?” - dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel: namelijk verbetering van de boel in Indië en herstel van mijn positie. De zaak is dus niet dat ik zeg: geef mij zoveel of zoveel, dan zwijg ik, want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij alle andere uitwegen afsloot.

Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen, namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met een gepubliceerde considerans dat Z.M. mijn wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig bestuur desavoueert. Dat is een zedelijke triomf van 't principe en een materiële zegepraal voor mij, die ik, god weet het, nodig heb.’

De manier waarop het boek geschreven is, maakt het inmiddels hoogst onwaarschijnlijk dat hij er, tenminste bij het schrijven, rekening mee gehouden heeft het ooit in het vuilnisvat te gooien voor een benoeming tot Raad van Indië en een lintje. Dan zou hij zich immers hebben kunnen bepalen tot een aanklacht, een opsomming van schanddaden, en iedereen bij naam en toenaam hebben genoemd. Maar Brest van Kempen heet Slijmering, Collard Duclari, Van Hemert Verbrugge. En Nederlands Oost-Indië heet Insulinde - daarmee draagt dit gebied voor het eerst een eigen naam.

terug  begin  verder