terug  begin  verder
[p. 80]

7

Het boek dat Dekker en zijn gezin ‘er boven op zou helpen’, was verschenen op 14 mei 1860. De koning, die er rechtstreeks in werd toegesproken, kreeg er ook een exemplaar van, maar Willem iii bevestigde de ontvangst niet eens.

De auteur zelf schreef geestdriftig aan Van Lennep:

‘Ik heb mijn Max! Ik heb mijn Max! Hartelijk dank voor al de zorg. Wilt gij mij op de hoogte houden van de kritiek? Ik ben dol nieuwsgierig naar den indruk. Kan ik te weten komen wat de koning doet? Louis xiv se promena lui-même of soi-même... Leest de Koning lui-même?

Ik heb een paar verbeteringen gezien waarvoor ik dankbaar ben. Die noot over 't rijm (ijd, eid &) vind ik heel aardig. Ik zocht begerig naar meer. Maar al de vragen van Frits zie ik niet. Durfde De R. (de door Van Lennep aangetrokken uitgever De Ruyter, WFH) die niet drukken? Er is trouwens niet aan verloren.’

Een dag of tien later begon het tot hem door te dringen dat de verspreiding van het boek veel te wensen overliet. Schijnheilig schreef Van Lennep hem op 1 juni: ‘Ik ben te meer verlangend dat het debiet toeneme, omdat het moet strekken niet alleen tot bevordering der zaak maar ook in uw personeel belang. Immers is met 15 juni het halfjaar om.’

Van Lennep had hem een halfjaar honorarium voorgeschoten. Met de louche overdracht van het auteursrecht heeft hij nooit de bedoeling gehad Multatuli financieel te schaden en hij heeft dat ook niet gedaan, afgezien door middel van de slechte verkoop dan.

Tine was in Brussel blijven wonen met haar kinderen, ‘om buiten het bereik van haar familie te zijn’, heette het...

Het boek wordt druk besproken en uitgelaten bericht hij Tine, die het in Brussel allemaal op een afstand meebeleven mag, over zijn stijgende beroemdheid. Maar de kwade tongen komen ook in beweging. De vijftig gulden die Van Twist hem eens gegeven heeft, wordt door de volksmond al opgeblazen tot ‘hem en zijn gezin de hele winter onderhouden’. Dekker stuurt Van Twist nu een briefje dat als volgt eindigt: ‘Ik zal u die vijftig gulden terugzenden, zodra ik een koffertje zal ontvangen hebben, dat ik ergens aan een spoorstation heb achtergelaten.’

[p. 81]



illustratie
Willem iii (1817-1890), Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg.

Er zitten geen vijftig gulden in dat koffertje, bekent hij schalks in een andere brief, aan Van Lennep. (16 juni 1860, VW, x, 252)

Veel schrijft hij aan Tine en de ‘pierewieten’ in Brussel, maar te zien krijgen ze hem niet. Geldzendingen worden uitgesteld. 11 juli gaat hij eindelijk naar Brussel op weg, 15 juli meldt hij uit Spa dat hij zijn geld verspeeld heeft en vraagt hij Tine hem 1000 franken te sturen, zodat hij zijn geluk nogmaals proberen kan. Al op 29 juli is hij terug in Amsterdam, geheel platzak. En bestaan mensen die op plannen broeden hem uit de financiële nood te helpen. Maar waarom praten ze zoveel, waarom sturen ze hem niet eenvoudig, flink en anoniem, een paar bankjes van duizend over de post, vindt hij.

 

Professor Veth, hoogleraar Oosterse Talen te Amsterdam, later Leiden, leest niet alleen Max Havelaar, maar heeft ook de afloop van de Lebak-zaak bestudeerd, aan de hand van het Koloniaal Verslag 1856. Hij geeft Multatuli gelijk in ‘De Gids’.

27 augustus blijkt Tine weer geld van Multatuli te hebben gekregen en hij beveelt haar: 1e Een goed korset te kopen, en 2e haar zwarte japon heel netjes te laten maken; ‘heb je geen geld om zij te kopen, schrijf mij dan, ik zal het sturen.’ (VW, x, 295)

Niet veel later komt hij op het idee zijn portret in 500 exemplaren te laten vermenigvuldigen teneinde dat voor een flink bedrag aan de man te brengen.

Dit portret schijnt een totale mislukking te zijn geweest. Het leek niet en er is voor zover bekend geen enkel exemplaar van bewaard gebleven.

Hij hield er trouwens niet van gefotografeerd te worden en moest er soms van overgeven - zoals van meer dingen die hem nerveus maakten. Er bestaan dan ook maar weinig authentieke portretten van hem. Zo nu en dan duiken oude foto's op van mensen die op hem leken.

Geen enkele fotograaf heeft b.v. kunnen vastleggen hoe Multatuli eruitzag als hij lachte, wat jammer is, want hij lachte veel.

Het ene plan na het andere wordt gesmeed om aan geld te komen, en zijn beroemdheid min of meer uit te buiten.

[p. 82]



illustratie
Vijf pseudo-portretten van Dekker.
a Dit portret wordt tot de huidige dag door menigeen voor authentiek gehouden. Het zou gemaakt zijn toen Dekker 34 jaar oud was, omstreeks 1854. Alleen al om stilistische redenen moet het uit veel later tijd stammen en kan het dus niet de nog betrekkelijk jeugdige Dekker voorstellen.




illustratie
b Daguerréotypie in het Prentenkabinet te Leiden. Er is geen ander ‘bewijs’ dat dit Dekker zou zijn, dan dat de vorige eigenaar, de fotoverzamelaar Grégoire, dit op goed geluk heeft beweerd.



illustratie
c Misschien het mislukte portret uit 1860, waarop hij er, vond hij, te jong uitzag.

[p. 83]



illustratie
d Niet Multatuli, maar Albert Holle (1834-1885). Zie Over Multatuli ii.



illustratie
e Door Henri Ett, toen hij Multatuli, Twee Brieven uit Menado (De Vrije Bladen, mei-juni 1948) uitgaf, voor de schrijver gehouden. Deze mening heeft Ett naderhand herroepen.

Hij heeft ook veel amourettes.

‘Lieve hart’, schrijft hij op 4 september 1860 aan de heldin van Max Havelaar, ‘je weet immers dat ik dol van je houd, dat je mijn beste enigste Tine bent? foei, waarom ben je nu melancolique geweest? Al mijn amourettes komen toch op u terug.’

Bijna wekelijks zullen in de volgende jaren allerlei varianten op deze bezwering in zijn brieven aan haar terugkomen.

Vrouwen, meisjes, vreemde en verwante, bij troepen worden ze verliefd op hem.

‘Over het geheel is 't of de vrouwen mal zijn, zelfs op straat en in Artis. Maar ronduit gezegd onpleizierig vind ik het niet. Je zoudt me ook niet geloven als ik zei dat ik het onaangenaam vond.

Lieve beste heb je nu je corset al? Doe dat toch. Liever twee dan een, het zal je goed doen voor je rug.’ (VW, x, 307)

 

Voorlopig ging hij niet naar Brussel om te kijken of het korset haar goed stond.

Des te meer kwam hij over de vloer bij de kinderen van zijn overleden zuster Kaatje (Catharina). Dat waren Catharina van vijfentwintig jaar oud, Anna die drieentwintig is, Sietske van achttien, en Theodoor, twaalf.

Hij vindt ze allemaal lief, maar Sietske verreweg de liefste van allemaal.

‘Siet komt morgenavond thuis. Zij schrijft allerhartelijkst en laat u groeten, ook Catharina, 't zijn lieve kinderen. C. is geheel anders dan wij dachten, 't is een flinke meid, maar zij is niet te vergelijken bij S. die ik voor een genie houd, of althans voor een bijzonder krachtige ziel. Ze is nu pas achttien jaar, maar ze heeft een lip die wil... neen, ze heeft geen lip. Zij is puur lelijk uit overmaat van expressie in 't gelaat. Al mijn amourettes meetedelen zou te lang worden. Jammer dat ik er zo ellendig slecht uitzie. Niet omdat ik ziek ben... integendeel, maar ik ben wat af. Ik heb de laatste tijd wat sterk geleefd.’

Waaraan hij, ter vermijding van misverstand, toevoegt: ‘Je begrijpt wel, ik meen 't zieleleven.’ (17 september 1860; VW, x, 314)

[p. 84]



illustratie
Titelblad eerste druk Max Havelaar.

[p. 85]



illustratie
Ds. Wolter Robert baron van Hoëvell; lid van de Tweede Kamer (1849-1862); auteur van o.m. Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet en daarmee voorloper van Multatuli en de ‘ethische politiek’; schreef in het door hem opgerichte Tijdschrift voor Nederlandsch Indië het verhaal De Japanse Steenhouwer, dat Multatuli tot de gelijknamige parabel in Max Havelaar inspireerde. (Iconographisch Bureau, Den Haag)

Op alle Nederlandse scholen wordt jaar in jaar uit verteld dat Max Havelaar van meet af aan ‘een rilling door den lande gaan deed’.

Het hangt er maar van af wat men onder een rilling verstaan wil. Dat meisjes en vrouwen de auteur van het boek niet meer onbespied door Artis lieten wandelen?

Het woord ‘rilling’ werd het eerst gebruikt in de Tweede Kamer, door het liberale Kamerlid Ds. Van Hoëvell, op 25 september 1860. Kort voordien was in de troonrede van dat jaar gezegd: ‘De toestand onzer overzeese bezittingen is in alle opzichten bevredigend.’

Van Hoëvell was, ongeveer tien jaar eerder dan Multatuli, begonnen de misbruiken op Java en de ellende van de bevolking aan de kaak te stellen, maar niet in proza dat rillen deed. Anderen dan specialisten op Indisch bestuursgebied, zal hij er nauwelijks mee hebben bereikt. Hij had ook niet hetzelfde doel als Multatuli: hij weet de ellendige toestand van de bevolking aan het cultuurstelsel en bestreed dit. Maar toch was Multatuli een gretig lezer van het door Van Hoëvell geleide ‘Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië’ en heeft hij o.m. De Japanse Steenhouwer aan Van Hoëvell ontleend en sterk verbeterd.

Van Hoëvell en zijn liberale medestanders wilden het cultuurstelsel vervangen door ‘vrije arbeid’. De bevolking diende niet langer gedwongen te worden een vijfde van zijn grond te verbouwen met gouvernementscultures. In plaats daarvan zouden Europese ondernemers land dienen te huren en daarop plantages aanleggen die door de inheemsen in loondienst zouden worden bewerkt.

Naast het cultuurstelsel bestond dit systeem trouwens toch al. Het leek mooier dan het was.

De armoedige bevolking, menigmaal diep in de schulden bij Chinese woekeraars, was soms maar al te gemakkelijk bereid haar grond voor een appel en een ei te verpachten. Daarna kon zij, voor zover bruikbaar, in dienst komen bij de landhuurder, tegen een niet al te hoog loon, dat sprak vanzelf. In plaats van, als onder het cultuurstelsel, haar eigen voedsel te verbouwen, kon zij dit kopen van de landhuurder of van anderen die wel een kleinigheid wilden verdienen. Allerlei misbruiken lagen voor de hand. Kortom, het zag er aanvankelijk niet naar uit

[p. 86]

dat ‘vrije arbeid’ minder nadelig voor de Javanen zou zijn dan het cultuurstelsel.

Nederland kende destijds niet meer dan twee politieke partijen. De conservatieven verdedigden het cultuurstelsel, de liberalen bestreden het. Van Hoëvell was liberaal.

Deze Van Hoëvell nu zei in de Tweede Kamer dat er ‘de laatste tijd een zekere rilling door het land gegaan was, veroorzaakt door een boek’. ‘Zal de geruststellende troonrede de indruk van het boek kunnen wegnemen?’ vroeg hij zich af.

Na zijn vraag nam de conservatief Mijer uit Zwolle, ex-procureur-generaal in Nederlands-Indië, het woord en vertelde dat Van Twist bij een andere gelegenheid wel degelijk een machtige regent had durven straffen. Op het boek nader ingaan zou betekenen te kort doen aan de waardigheid van de Kamer.

Weer kreeg Van Hoëvell het woord. Hij wou het boek niet prijzen of verdedigen, hij wou alleen weten of het betoog van de vorige spreker de rilling zou doen ophouden.

Toen stond Van Twist zelf op en zei: ‘... over dat boek, dat hier ter sprake is gekomen, zal ik niet spreken. Ik geloof dat de Kamer dit ook van mij niet zou verlangen. Ik meen dat uit hetgeen de schrijver van dat boek gelieft te zeggen voor mij geen verplichting tot verantwoording kan ontstaan. En ik meen verder, dat hetgeen ik over dat boek of over de schrijver van dat boek zou kunnen zeggen, de schijn van partijdigheid niet zou kunnen ontgaan. Ik zal dus over dat boek niet spreken; maar ik kan toch niet afzijn een woord van dank te richten aan ons geacht medelid uit Zwolle, voor hetgeen hij te dezer gelegenheid aan deze Kamer heeft medegedeeld. Het zal u ten minste de overtuiging geven, dat de afgetreden gouverneur-generaal niet terugdeinsde om ook de voornaamste hoofden van Java te straffen, wanneer hunne schuld was gebleken na een behoorlijk onderzoek.’

Kortom, de hele Kamer, conservatief en liberaal, heeft zich met veel omhaal van woorden uitgesloofd over dat boek niet te spreken. Titel van het boek noch auteur was zelfs maar terloops bij name genoemd. De Lebak-zaak nog minder. Of Dekker al dan niet rechtvaardig behandeld was, werd niet gevraagd en kwam niet ter sprake. En dit is alles wat het parlement er ooit over gezegd heeft. Dit was alles wat de veronder-

[p. 87]

stelde rilling teweeg kon brengen. Daarna werd er nooit meer in de Kamer over gepraat.

Van Twist moet blij geweest zijn dat hij er zo was afgekomen - blij, maar om een heel andere reden, dan b.v. dat hij zich niet tegen Multatuli's aanval hoefde te verdedigen.

Wanneer we hem zien als een ambtenaar (en hij zal zich van zichzelf geen andere voorstelling hebben gemaakt) spreekt het vanzelf dat hij Multatuli's aantijgingen nooit bestreden heeft door op zijn beurt Multatuli zwart te maken (behalve dan dat hij, niet eerder dan in 1882 overigens, onthulde de berooide wraakengel wel eens ƒ50, - te hebben toegestoken).

Immers, talrijke bestrijders van Multatuli zullen in hun hart over Van Twist gedacht hebben: deze gouverneur-generaal heeft die gek ten slotte wel berispt, maar hoe heeft hij zo uilig kunnen zijn hem ooit aan te stellen?

Dus had Van Twist er alle belang bij de ambtenaar Dekker zo veel als maar mogelijk was te prijzen. Zelfs al zou de ambtenaar Dekker nooit enig ‘hart voor de inlander’ hebben getoond, dan zou Van Twist dat nog tot zijn laatste snik zijn blijven beweren, als excuus voor het feit dat hij hem had benoemd.

Het heeft ook, geloof ik, niet in hoofdzaak aan de speciaal Nederlandse bekrompenheid gelegen, dat geen enkele regering Multatuli ooit een behoorlijke functie heeft aangeboden (dat ze hem zelfs geen pensioen gaven, is misschien een tweede, al zag hij ook zelf in dat hij daar volgens de reglementen geen recht op had).

Multatuli, met alles wat hij zelf al in 1860 over zijn karakter, zijn excentriciteiten, duels, vroegere ambtelijke conflicten en slordig geldbeheer openbaar gemaakt had, zou in elke democratie een verloren man zijn geweest. Door de publikatie van Max Havelaar verschoot hij zijn laatste kruit. Iedere minister die iets voor hem zou hebben willen doen: hem staatsraad maken, een lintje opspelden of zelfs alleen maar hem zijn schulden aan het Rijk kwijtschelden en pensioen geven over zijn vervulde dienstjaren, zou uit de Kamer een stroom van verwijten naar zijn hoofd gekregen hebben - niet van geschokte dominees alleen, maar ook van opposanten die geen gelegenheid willen missen een minister een hak te zetten.

[p. 88]

... die man?

Iemand zo loslippig als Multatuli zou alleen bij een absoluut vorst nog een kans gehad hebben op een functie... d.w.z. zolang hij geen ruzie zou hebben gekregen met zijn heer. Dus niet erg lang waarschijnlijk.

Hij is er een goed voorbeeld van, hoe onder een democratisch bestel excentrieke mensen enerzijds in betrekkelijke vrijheid kunnen rondlopen en publiceren, maar anderzijds in het publieke leven geen been aan de grond krijgen. Daarvoor wordt door de bekrompenheid en afgunst van banale mensen wel zorg gedragen. Moderne verworvenheden van de democratie, zoals de democratisering van de universiteiten, garanderen dan ook dat zelfs aan de universiteiten buitengewone mensen geen wijkplaats meer zullen kunnen vinden. Dat dit strijdig is met het wezen van de universiteit, wordt door de idealisten van de middelmatigheid niet beseft.

terug  begin  verder