terug  begin  verder
[p. 89]

8

Uit alle opschudding komt niets concreets voor hem te voorschijn.

 

Broer Jan blijft hem financieel helpen, maar als hij roekeloos geld uitgeeft, bij voorbeeld aan cadeautjes voor meisjes, wordt Jan kwaad. Ruzie volgt.

 

Er was in de Kamer wel wat over Max Havelaar gezegd, maar wie kon erover zeggen wat er volgens Multatuli over gezegd moest worden? Alleen hijzelf zou dat kunnen.

In het kiesdistrict Tiel kandidaat gesteld, behaalde hij op 17 oktober 1860 negen stemmen.

‘Lieve hart’, schrijft hij op 25 oktober aan Tine, ‘mijn enig vermaak is de meisjes A., of liever Siet, die een engel is, maar ze heeft mij niet lief. Ze houdt van mij, meer niet. Maar ik heb haar wel lief.’

Vervolgens stelt hij zich kandidaat in Leeuwarden. Ach, er werd ook hier niet al te zeer gerild en Multatuli's voorspellingen dat Indië spoedig voor Nederland verloren zou gaan, als er niet naar hem geluisterd werd, hadden weinig invloed op de uitslag van de stemming. Hij kreeg in Leeuwarden op 30 oktober 1860 tien stemmen. (De winnaar behaalde er 839.)

Heeft hij zich deze politieke nederlagen sterk aangetrokken? Daarvan is in zijn brieven eigenlijk geen spoor te vinden, maar of alle brieven die hij in die tijd schreef, bewaard gebleven zijn, weten we natuurlijk niet. Op regering en parlement kan hij, gezien deze verkiezingsresultaten, moeilijk de indruk gemaakt hebben iemand te zijn met wie rekening gehouden moest worden. En ze hielden dan ook geen rekening met hem.

De ‘ellendige’ Van Twist, de ‘plichtvergeten’ Van Twist, de ‘onbekwame’, de ‘onwetende’, de ‘luie’ Van Twist bleef nog tot 1862 in de Tweede Kamer en nadat hij deze verlaten had, bezette hij van 1865 tot 1881 een zetel in de Eerste Kamer.

Hoe Multatuli hem ook uitschold, wat Multatuli ook over hem beweerde, het was klaarblijkelijk voor de (rillende?) kiezers geen reden niet meer te stemmen op Van Twist.

[p. 90]

Zeer kort samengevat verkondigt Max Havelaar drie stellingen:

a de Javaan wordt uitgezogen en mishandeld;

b de ambtenaar die zich daartegen verzet wordt door het opperbestuur berispt, is aan zijn eer verplicht ontslag te nemen, lijdt honger;

c het moederland heeft belang bij de mishandeling van de Javaan, sluit er zijn ogen voor en strijkt de winsten op onder psalmgezang van Droogstoppel, die ‘gemene dief minus de moed om in te breken’, zoals hij in Vrije Arbeid zal heten.

De conclusie kan dus geen andere zijn dan: het koloniale systeem is een schande, er moet een eind aan komen. En zo gezien is dus Max Havelaar een antikolonialistisch betoog in romanvorm.

Het is de vraag of Multatuli het zo heeft bedoeld.

Ieder die in die jaren beweerd zou hebben dat er een einde moest komen aan de Nederlandse heerschappij over Indië, zou zijn beschouwd als een verrader die zich keerde tegen de Staat.

Hoe zou zo iemand kunnen menen aanspraak te mogen maken op de dankbaarheid van zijn landgenoten en een hoge positie?

Multatuli bedoelde de publikatie van Max Havelaar geenszins als een onvaderlandslievende handeling.

Integendeel, hij vond dat het vaderland hem dankbaar moest zijn. Hij was niet tegen het koloniale systeem en niet tegen het cultuurstelsel.

Maar hij meende dat Indië voor Nederland verloren zou gaan als men niet naar hem luisterde. Deed men dat wel en gaf men hem een machtspositie om hem in staat te stellen Indië te reorganiseren naar zijn eigen denkbeelden, dan zou het voor Nederland behouden kunnen blijven, tot voordeel van Javaan en Hollander beide. Daarom was het dat hij ‘hersteld’ moest worden.

Maar dit ‘herstel’, wat kon dat eigenlijk inhouden? Hij had vrijwillig ontslag genomen en hij had het eervol gekregen. Ongevraagd ontslagen was hij niet.

‘Herstel’ zou, geloof ik, voor zijn gevoel hebben moeten inhouden dat de regering zeer diep onder het juk zou zijn door gegaan. Men zou hem hebben moeten smeken een hoge functie en een vorstelijke schadevergoeding te aanvaarden.

[p. 91]

Maar daarvoor was het ongelijk van de regering toch te vaag. Welke verplichting had de Staat aan hem? Dat hij het grootste boek van zijn tijd had geschreven, telde niet mee. Zijn voorspellingen dat Indië voor Nederland op korte termijn verloren zou gaan als men Havelaar niet ‘herstelde’, kwamen niet uit, en tachtig jaar later ging Indië door heel andere oorzaken voor Nederland ‘verloren’. Niet omdat men er te weinig ambtenaren als Havelaar naartoe gestuurd had, maar omdat de inheemse bevolking op de aanwezigheid van Nederlandse bestuurders helemaal geen prijs meer stelde.

Toch neemt al dit ongelijk niet weg, dat iemand die het parlementaire stelsel liefheeft, door onbehagen zal worden bevangen bij de gedachte aan alle dove, blinde en stomme nulliteiten die bij honderden in de Kamers hebben gezeten, jarenlang soms. Zij wel; maar voor deze briljante, welsprekende man was er geen plaats.

In wezen was hij gezagsgetrouw. Nooit is er sprake van geweest een revolutie te ontketenen, de Washington van ‘Insulinde’ te worden. Zelfs een begin van een poging daartoe heeft hij nooit ondernomen. Dit waren hoogstens verhaaltjes waarmee hij meisjes amuseerde. In 1876 schreef hij in een brief: ‘Indien men 't Hollands gezag verjaagt, vóór de stevige grondslagen van zelfregering gelegd zijn (waartoe groter eensgezindheid in de oppositie vereist wordt dan er tot nog toe bestaat!) dan zie ik met schrik de tijd tegemoet, dat men de “Hollandse tijd” betreuren zal. Anarchie, heerschappij van Amerikaanse vrijbuiters, van Europees canaille, zouden vreselijke gevolgen hebben. Land en volk zijn te goed voor zo'n proef. Insulinde is 'n prachtig paard, waarop 'n dief zit. Dat men die dief eraf werpt, is best. Maar men moet het niet doen voor men 't beest aan de teugel heeft, daar 't anders de wildernis in loopt en, onbestuurd, van de rotsen te pletter valt. Nog eens: Insulinde is te goed om er een Zuidamerikaanse republiek van te maken en de Javaan verdient iets beters dan als 'n roodhuid uitgeroeid te worden door Europese beschaving en jenever.’

En, iets verderop: ‘Het is juist ten gevolge der verdeeldheid van inlandse stammen en hoofden dat het zwakke Holland zo'n rol heeft kunnen spelen! En nu volgen de heel of half-blanken in Insulinde die van Holland àf willen, de inlandse hoofden na in onnozelheid!’ (Aangehaald in Kok, Multatuliana, 94)

[p. 92]



illustratie
Henriëtte Eduarda Douwes Dekker (1874-1935); kleindochter van Piet, vurig anti-militariste.

Napoleon worden?

Misschien zou hij dat wel hebben gewild, als een toverfee het hem op een presenteerblaadje had aangeboden, maar anders niet. Hij heeft zelfs nooit een begin van een poging gedaan de genoemde ‘heel of half-blanken die van Holland àf wilden’ onder één vaandel te verenigen. Hoe zou hij ook? Hij is nooit meer in Indië teruggeweest.

Geen revolutie. Hij meende dat het regeringsreglement goed was, maar dat de mensen die het moesten toepassen niet deugden. ‘De Havelaar-zaak is geen strijd tegen de wet, maar een strijd tegen 't verkrachten van de wet.’ (Over vryen Arbeid, VW, ii, 271)

Hij was een criticus van mensen, niet van systemen (die hij, of ze nu van rechts of van links kwamen, allemaal onzinnig vond). Op die manier slaagt men niet als politicus, maar wel als schrijver.

Als agitator, als strijder tegen de bestaande Nederlandse orde, is Multatuli een besluiteloze dromer in vergelijking met sommige van zijn latere bloedverwanten, ook al is hij zonder twijfel hun Grote Voorbeeld geweest.

Henriëtte Eduarda Douwes Dekker (1874-1935), kleindochter van Piet, strijdster tegen het militarisme, verscheurde haar paspoort en verzeilde van de ene gevangenis in de andere.

Dr. Ernest François Eugène Douwes Dekker, kleinzoon van Jan, werd geboren in 1879. Illegale avonturen te veel om op te sommen. Hij was de stichter van de ‘Indische Partij’, die de leus Indonesië los van Holland voerde, werd door de polities van vele staten gezocht, onderging diverse gevangenisstraffen en verbanningen. Zo groot was zijn haat tegen Nederland, dat hij zich tot Indonesiër liet naturaliseren en de naam Dr. Setiabudi aannam. In 1950 stierf hij te Bandoeng, in het door hem gedroomde Indonesië, althans een dat los van Holland was.

Hun namen zijn vergeten. In hoeverre hun idealen verwezenlijkt zijn, zouden ze alleen zelf kunnen beoordelen, als zij op aarde terug mochten keren. Hun publikaties, door niemand meer gelezen, zullen hoogstens nog stof kunnen opleveren voor hun biografen, maar wat daden betreft is Multatuli, vergeleken met hen, geen man

[p. 93]



illustratie
Dr. Ernest François Eugène Douwes Dekker, zoon van Auguste, kleinzoon van Jan; Indisch nationalist; geboren in 1879, stierf hij in 1950 als Indonesisch onderdaan te Bandoeng onder de naam Dr. Setiabudi.

van de daad. Hoogstens was hij de man van een daad... waar hij zijn hele verdere leven over schreef en eigenlijk voortdurend over bleef tobben.

Tussen het einde van het jaar 1859 toen hij zijn boek nog als stok achter de deur had en het voorjaar van 1860 toen de stok te voorschijn was gekomen, streed Eduard Douwes Dekker de beslissende verloren veldslag in de verloren oorlog van zijn leven. Toen werd voorgoed vastgesteld dat hij een schrijver zou zijn, geen Kamerlid, geen staatssecretaris, geen Raad van Indië of gouverneur-generaal - zelfs geen hoofdredacteur van een veelgelezen dagblad. De drang een van die dingen toch te worden, zal hem later herhaaldelijk te machtig blijken - hij lijdt nu eenmaal aan herhalingsdwang. Maar alles wat er werkelijk gebeurt en duurzaam van waarde zal blijken, is dat hij nog verscheidene andere boeken schrijft.

Het publiek is ondankbaar, vindt hij. Het bewondert hem, maar het geeft hem niet wat hij waant werkelijk te wensen: macht, maatschappelijk aanzien. Kort voor zijn dood nog, zal hij, op zijn mislukte aspiraties terugkijkend, zeggen dat er in de wereld alleen iets verbeterd kan worden door soldaten en geweld.

De enorme belangstelling die zijn geschriften wekken, troost hem niet. Hij twijfelt of hij wel oprecht bewonderd en begrepen wordt. Tastbare resultaten blijven immers uit en zelfs voldoende geld komt er niet op tafel. Laster tiert welig, aan vitterijen geen gebrek en bovendien pronken anderen met zijn denkbeelden zonder dat zijn naam wordt genoemd.

Elke schrijver is een sprookjesverteller, ook hij. Zijn manier van leven bevat meer waarheid over zijn geheimste wensen en frustaties, dan zijn woorden. - Maar het publiek was tenslotte zijn biechtvader niet, al hebben heel wat lezers die zich van hem afkeerden, zich beklaagd dat ze waren voorgelogen. Zijn boek was bedoeld als een strijdschrift voor de verdrukte Javaan. Alleen zijns ondanks was het ook bekentenisliteratuur.

Het zou vreemd zijn als hij, met alles wat hij in 1859 achter de rug had aan schandalen, ernstig zou hebben gedacht het nog tot Raad van Indië te kunnen brengen. Wel hoefde iemand om iets soortgelijks te bereiken niet zo braaf te zijn, men zie hierboven wat Van Twist over Ruloffs dacht. Maar Multatuli's loslippigheid werd

[p. 94]

hem noodlottig en nog noodlottiger: het aldoor maar grotere geldgebrek, waarover hij niet zwijgen kon, omdat er anders geen mogelijkheid was aan geld te komen. Ik geloof dan ook niet dat hij ernstig geloofd heeft nog Raad van Indië te kunnen worden, of iets van dien aard. Integendeel, juist dat hij niets werd, was het krachtigste wapen van deze moralist. Juist dat Havelaar bespuwd werd en vernederd, bewees dat hij gelijk had als hij degenen die zijn boek zo mooi vonden, voor huichelaars uitmaakte.

terug  begin  verder