terug  begin  verder
[p. 103]

10

De commissie die hem steunen wilde, liet het ten slotte afweten. ‘De reden dat men zo partij trekt voor Brest van Kempen is eenvoudig dat hij geen hulp nodig heeft en ik wel’, vindt hij.

De commissieleden oordelen dat hij weer naar Indië moet gaan en hoewel hij nu al zegt: ‘Ik ben geen schrijver en wil 't niet zijn’, ziet hij in die raadgeving toch alleen maar een smoesje om van hem af te komen.

En dat zag hij waarschijnlijk niet verkeerd: geen betrekking van enig belang is hem ooit aangeboden, in Nederland niet, in Indië niet en niet in de West. Het is altijd bij voorspiegelingen gebleven.

Hij brengt een bezoek aan minister Rochussen, die hem vertelt: ‘De dames zijn gek op je. Hoe vind je dat?’

Nou, Multatuli vindt 't belangrijk genoeg om het gauw aan Tine over te brieven. Boudweg had hij Rochussen gevraagd hem te doen benoemen tot secretaris-generaal, welke post vrijgemaakt was door Loudon, die minister zou worden. Rochussen stuurde hem door naar Loudon. Loudon legde hem uit dat een zekere heer Feith al lang recht had op de vacant geworden plaats. Heel redelijk en bescheiden gaf Multatuli Loudon daarin gelijk.

‘En’, vertelde Multatuli op 3 januari 1871 aan Roorda (hij vertelde het ook in Idee 945, zie VW, vi, 138): ‘om mij te troosten voegde hij erbij: maar laat u dit niet te veel spijten. Geloof me, ge zijt voor die betrekking... de betrekking die hij, Loudon, met ere bekleed had, en die hij verliet om minister te worden... die betrekking is een aaneenschakeling van nietigheden waarmee ge u niet zoudt kunnen verenigen.’

‘Gij hebt geschreven geen christen te zijn’, sprak Loudon vervolgens, ‘welnu ik ben wel een christen en daarom...’

Een enveloppe met inhoud werd hem overhandigd. Op straat bleek de inhoud ƒ25, - te zijn: gering bedrag dat niet als een geschenk aan een groot man kon worden beschouwd. Enige maanden later retourneerde hij Loudon ƒ25, - onder dankbetuiging.

Dat hij deze ƒ25, - terugbetaalde heeft ook Loudon zelf vermeld in z'n gedenkschrift. (Zie VW, x, 420) In andere opzichten klopt het relaas van Loudon niet hele-

[p. 104]



illustratie
James Loudon (1824-1900); christen en o.a. minister van Koloniën van 1861-1862; schreef geringschattend over Multatuli in zijn mémoires, ofschoon hij de ƒ25. - die hij de schrijver aanbood binnen korte tijd prompt terugkreeg. (Iconographisch Bureau, Den Haag)

maal met het door Multatuli vertelde. Loudon leefde tot 1900 en kan dus (uit de Ideën) Multatuli's lezing van de gebeurtenis hebben gekend. Bij de belangstelling die zowel Rochussen als Pahud, en Loudon zo nu en dan voor Multatuli toonden, moet waarschijnlijk in aanmerking genomen worden, dat zij gaarne voor ‘kunstzinnig’ doorgingen - bij Van Twist of Thorbecke viel daaraan niet te denken.

 

Er zijn lichtpuntjes in zijn bestaan. In dat van Tine niet zozeer.

‘Siet is heel hartelijk en zelfs hartstochtelijk’, bericht hij haar. Hij beseft wel dat Tine jaloers wordt, maar ‘ik zeg haar (Siet) altijd dat je daar boven bent’. En zou Tine zijn woorden beschaamd maken in de ogen van Siet door wel jaloers te zijn? Natuurlijk niet.

Een week of vijf later leest Tine:

‘Je bent niet wellustig en kunt dus niet geheel indringen in de positie van anderen die 't wel zijn. (...) 't Is vals van je dat je zegt dat Siet hoogstwaarschijnlijk meer waarde heeft dan jij en dat zij veel geschikter voor mij zou zijn. Dat kan je niet menen; zeg nu eens oprecht of je dat meent? Je weet heel goed dat ik doodongelukkig zou wezen zonder jou, en je begrijpt heel goed het onderscheid tussen een caprice en de verhouding tussen u en mij die oneindig inniger is. (...) Dag lieve hart, ga toch nooit denken dat ik iemand boven je stel. Kus de lieve jongens. Dag mijn Tine, mijn eigen Tine.’

Maar ook al was er niemand op de wereld die hij boven haar stelde, ze zat met de lieve jongens ver bij hem vandaan, zonder geld. Hij kon het haar niet sturen, want, zo schreef hij: ‘Ik heb iets gedaan waarover ik mij schaam, ik heb namelijk geld uitgegeven. (...) Ik kan je daardoor vandaag geen geld zenden, maar ik hoop spoedig.’

Over zijn caprice met Sietske Abrahamsz bleef hij haar op de hoogte houden.

‘Had je niet juist uit die verhouding met Siet kunnen merken dat ik zo dol opje gesteld ben? Maak je toch maar volstrekt niet ongerust op dat punt. Morgen meer.’

Het meerdere is een lang antwoord op een ons niet bekende brief van Tine, die klaarblijkelijk vol verwijten stond.

‘Siet zegt dat zij mij wil toebehoren naar lichaam en ziel, als ik dat vraag’, vertelt hij.

[p. 105]



illustratie
Sietske, de Fancy uit de Minnebrieven, als oude vrouw, mevrouw Wienecke-Abrahamsz (1842-1912). ‘Zij is puur lelijk door teveel expressie in 't gelaat’.

Weinig twijfel kan eraan bestaan dat Siet hem op die wijze toebehoord heeft, al weet men niet of hij het heeft gevraagd.

 

In 1910 was Siet een oude vrouw en ze stelde haar herinneringen aan hem te boek. Hij was van plan haar hertogin van Sumatra te maken. Nadat hijzelf keizer van Insulinde zou zijn geworden natuurlijk. We mogen aannemen dat Siet het niet verzonnen heeft, maar dat hijzelf het verschil tussen een vastomlijnd plan en een wensdroom niet meer wist, is hoogst onwaarschijnlijk.

In 1876 bekende hij aan zijn vriend Roorda van Eysinga: ‘Ik ben despoot uit overleg, uit berekening, met studie. Ik heb mijzelf deze karaktertrek opgedrongen, omdat ik na ingespannen en diep denken tot de conclusie was gekomen dat deze richting de enige is waarmee iets te bereiken valt. (...) Wanneer 't me gelukt Holland uit Insulinde te jagen, mag men mij doen wat men verkiest. En ook zonder de traditionele ondankbaarheid van naties en publieken, ikzelf verlang niet naar hoogheid of schijn daarvan. Ik ben er te hoogmoedig voor. Met plezier wil ik hertogen maken, maar ikzelf verlang geen andere hoogheid dan verheven te hebben. (...) Het staat aan u, al of niet eens te zijn met deze beschouwingen. Maar bedenk dat ze in mijn gemoed meer dan dertig jaar oud zijn. Dat ik ze nooit uit het oog verloor! (...) Och, er is zo weinig nodig om de piramide om te gooien. De zaak is zo klein dat de schooljongen van 't jaar 3000 zich 'n paar eeuwen vergissen zal, als de meester hem vraagt: wanneer hield het (gewezen) landje Holland op, te regeren in de Indische Archipel?

Maar klein is ze niet voor mij die zo vaak te tobben had met kamerhuur, dagelijks brood en postzegeltjes. Waar haalden toch de “helden” van Plutarchus en Cornelius Nepos telkens hun legers vandaan, en hoe deden ze om aan viktualie te komen?’

Ja. Hoe?

Geen enkele geschiedschrijver is van mening dat ze bleven zitten wachten tot een commissie van rijke burgerheren hun die onmisbare zaken achterna kwam brengen en daarom alleen al is het absurd in Multatuli's dictatoriale neigingen iets anders te zien dan een caprice op zichzelf.

[p. 106]



illustratie
Poolsch Koffiehuis, ook genaamd Polen, Kalverstraat, Amsterdam.

Siet werd geen hertogin van Sumatra. Wel inspireerde deze liefde hem tot een van de grilligste, wildste boeken die de Nederlandse literatuur rijk is: Minnebrieven.

Welke held uit Plutarchus: Perikles, Pompejus, Caesar of Antonius heeft ooit zijn ziel op die manier blootgelegd, in, wat Multatuli zelf noemde ‘een arabesque van aandoeningen’?

Het nieuwe boek leverde ook geld op, maar niet voor zijn eigen gezin. ‘Ik die geen geld heb voor u, voor mij, voor de kinderen’, schreef hij Tine, ‘heb een gezin gered dat gisteren ƒ400, - nodig had.

Dat is mijn antwoord op de door v.H. (= zijn zwager, baron van Heeckeren tot Waliën, WFH) rondgestrooide vertelling, dat ik een afzetter ben, dat ik een dief ben.

Ter terugbetaling dier ƒ400, - schrijf ik die Minnebrieven. Laat mij begaan. (...) Dag engel. Och, ik wou je zo graag een brief van Siet zenden. Ik kan 't haast niet laten. 't Is een edel kind.’

 

Enige tijd tevoren was de beroemde schrijver op het Damrak aangesproken door een juffrouw, die hem vertelde dat zij zo'n honger had. Diep geroerd door haar verhaal had hij haar voorgesteld elke morgen bij hem te komen ontbijten in het Poolse Koffiehuis, waar hij logeerde.

Ze mocht niet praten, want op de vroege uren van de dag was hij niet in de stemming voor conversatie. Martinus des Amorie van der Hoeven, andere broer van jeugdvriend Bram, hoogleraar in het Romeins en Hedendaags Recht, liep het meisje eens bij hem tegen het lijf en zei bij het weggaan: ‘Het helpt niets. De poel der zondaars moet gevuld blijven. Als je er hier een uithaalt, valt er ergens anders een in.’

Het meisje borduurde uit dankbaarheid en omdat ze toch niet praten mocht, een paar pantoffels voor haar gastheer.

In deze zelfde periode kreeg Multatuli ook eens bezoek van een heer die hem vertelde dat hij Stamkart heette, doctor in de letteren. De doctor had op staande voet ƒ400, - nodig voor een behoeftig gezin. ‘Ik bezit op het ogenblik geen vierhonderd

[p. 107]



illustratie
Oudst bekende portret van Tine (1862).



illustratie
Huis van Mordechai Jessurun Lobo, die een tweedehands boekhandel dreef aan de Botermarkt (Rembrandtsplein 6) te Amsterdam, en bij wie Multatuli van eind augustus 1860 af enige tijd op kamers woonde, zoals ook een mooie, zestienjarige fotografe.

gulden’, zei de berooide Rodolphe. Maar hij vroeg en kreeg van de uitgever Günst vierhonderd gulden voorschot op een boek dat hij nog schrijven moest en gaf het geld aan Dr. Stamkart.

Deze nobele handeling bleef in Minnebrieven niet onvermeld en waarom ook niet? Het was een nobele handeling waar de schrijver voor betaald had. En hoe! Vele jaren later zou zijn tweede vrouw, Mimi, zijn verrassing beschrijven toen op een zekere ochtend Dr. Stamkart bij hem binnentrad met aan zijn arm het ontbijtstertje dat hij voorstelde als zijn verloofde. ‘Zij had een bijbel met een gouden slot in de hand en kwam vriendelijk glimlachend naar Multatuli toe. Was dat niet zijn ontbijtstertje? Ze bedankte hem voor wat hij voor de haren had gedaan. Zou ze niet eens iets voor hem mogen borduren? Pantoffels heeft u al, zie ik...

Want hij had de door haarzelf geborduurde pantoffels aan zijn voeten.

Toen liep hem de gal over. “Ja juffrouw, zoals u ziet... Maar nu heb ik er genoeg van en maak nu maar gauw dat je weg komt.” Maar hij was tevreden over zichzelf omdat hij haar niet verraden had, voor het geval de doctor niets wist van de “ontbijt-geschiedenis”...

Zijn indruk was evenwel dat het meisje, teleurgesteld wijl het haar niet was gelukt hem beter te plunderen, de doctor in de letteren op hem had afgestuurd.’

Volgens een andere lezing gebeurde het toen Multatuli bij Lobo logeerde en had de letterkundige doctor, na onder valse voorwendsels geld van hem losgekregen te hebben om met het ontbijtstertje te trouwen, de euvele moed nog eens langs te komen ter verwerving van een nieuwe subsidie. Stamkart, Johannes Adrianus, geboren te Amsterdam in 1829, was ‘privaatonderwijzer’. Hij schreef een vierdelig werk over de Tachtigjarige Oorlog, en levensbeschrijvingen van de stadhouders Willem i, Willem ii, en Willem iii. (Biogr. Wbk. d. N- en Z-Ned. letterk., 1878)

Maar hoe hij zich ook misdragen had tegenover Multatuli, Minnebrieven was en bleef opgedragen aan die doctor bij wijze van ‘openlijke betuiging van sympathie’.

't Zou jammer zijn ‘het publiek in de waan te brengen dat alles wat men schrijft onwaar is. Och, laten we het kaf sparen om het koren!’ staat in Minnebrieven te lezen.

Al eens eerder had Multatuli zijn schrijversloon geheel afgestaan voor een lief-

[p. 108]



illustratie
Derk Roelfs Mansholt (1842-1921); landbouwer te Meden, bewonderaar van Multatuli.

dadig doel. Wijs mij de plaats waar ik gezaaid heb is zelfs opzettelijk geschreven om de slachtoffers van een overstromingsramp op Java te steunen. De opbrengst was niet gering en hij gaf alles weg. De indruk die dit op zijn schoonfamilie gemaakt heeft, laat zich raden. Net als al zijn tegenstanders en schuldeisers zullen zij hebben gezegd: hij kan best geld verdienen als hij wil, zijn gezin zou geen gebrek hoeven te lijden wanneer hij niet met alle geweld de Rodolphe moest uithangen. In feite zijn het Tine en de kinderen die betalen voor deze koninklijke gebaren, die op niets dan ijdelheid berusten.

Het was hem al spoedig na de verschijning van Havelaar in mei 1860 niet ontgaan dat Van Lennep, die het boek gevaarlijk bleef vinden, de verkoop niet bevorderde. Daarover kwam ten slotte een rechtsgeding, dat Multatuli verloor. Van Lennep, met z'n goed bewaarde briefje en een gezegeld stuk waarop Multatuli het auteursrecht had afgestaan, moest juridisch gezien wel winnen.

 

Alleen in kleine kring begon men Multatuli als een soort Jezus-figuur te beschouwen. Een Jezus zonder God dan - diepe indruk maakte zijn in het atheïstische tijdschrift ‘De Dageraad’ gepubliceerde Gebed van de Onwetende. De handelingen van Jezus, die immers op de farizeeërs een even paradoxale, zo niet misdadige indruk maakten, hebben hem zonder twijfel ook beïnvloed.

‘Zei Jezus niet: “Er zullen altijd armen zijn”? En zei Jezus dat niet om hulp aan hèm bewezen, als dringender voor te stellen dan armzorg?’ schreef Multatuli in een brief aan Mansholt. (5 november 1880)

Welbewust had hij uitgemaakt dat het dringender was zijn geld te geven aan op straat ontmoete armen, dan aan zijn eigen vrouw en kinderen. Soms deed hij zelfs zichzelf te kort, maar Multatuli's veroverende persoonlijkheid (als hij in een goed humeur was) maakte dat hij menigmaal zonder te betalen eten kon in het restaurant ‘De Oude Graaf’, tegenover ‘Polen’.

 

De uitgever van Minnebrieven was Günst, vrijmetselaar en uitgever zonder geld. In deze tijd ontmoette hij nog een andere uitgever, Rudolph Charles d'Ablaing van

[p. 109]



illustratie
Dr. Frans Christiaan Günst (1823-1886); vrijmetselaar en uitgever van Minnebrieven.



illustratie
Gerrit Broens (1813-1880); directeur van het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad; schreef onder het pseudoniem Hagiosimandre o.a. een bewonderende brochure over Multatuli.

Giessenburg, ook een vrijmetselaar, ontwikkeld man en voorzitter van de in 1856 opgerichte vrijdenkersvereniging ‘De Dageraad’. Ook d'Ablaing van Giessenburg is niet rijk, maar Multatuli vindt van hem: ‘Dat zou de flinkste medestander zijn die er te krijgen is. Hij is entier.’ Zijn firma heette R.C. Meijer. (D'Ablaing, buitenechtelijk geboren, heette oorspronkelijk Meijer.) Hij heeft in een soort van dagboek aantekeningen nagelaten over Multatuli's wedervaren.

Meijer publiceert een brochure van Hagiosimandre (= G. Broens jr.): Max Havelaar! Een beroep op de Nederlandse vrouwen. De nood van Havelaar's gezin wordt geschetst, de ondankbaarheid van het Nederlandse volk gegispt. Deze brochure is aanleiding voor R.J.A. Kallenberg van den Bosch, oud-officier en vrijmetselaar, ƒ60, - aan d'Ablaing van Giessenburg te sturen ter ondersteuning van Multatuli en de zijnen. Kallenberg van den Bosch was rentmeester van Prins Frederik (1797-1881), die de oom was van koning Willem iii en grootmeester van de Nederlandsche Vrijmetselarij. Als Multatuli in financiële nood een beroep op Kallenberg van den Bosch deed, was dat nooit tevergeefs. Bijna zou ik voor de verleiding bezwijken te denken dat langs deze omweg het Koninklijk Huis toch gereageerd heeft op de boeken en de brieven aan de koning, die het van Multatuli ontving, maar dit is voor zover ik weet nooit uitgezocht. Kallenberg's vriendschap was een der trouwste die hij ooit heeft ondervonden. Toch stelde de uitwerking van Hagiosimandre's brochure Multatuli teleur.

 

Eindelijk gaat hij eens naar Brussel. Daar begint hij aan Over Vrijen Arbeid in Nederlandsch Indië en de Koloniale Agitatie.

De liberalen waren aanvankelijk van plan hem bij te vallen, maar ze waren voorstanders van vrije arbeid. Hij zag geen heil in afschaffing van het cultuurstelsel en viel de liberalen dus niet om de hals. Zo mogelijk is dit een nog heroïscher daad geweest dan het ontslag nemen in Lebak. Want omdat er niet meer dan twee partijen waren, stond hij nu volledig buiten het politieke spel. Hij zag dit in, en de brochure (beter: het boekje, meer dan 100 pagina's) Vrije Arbeid is bedoeld als opwekking tot het stichten van een derde partij. Cultuurstelsel of vrije arbeid is de kwestie niet,

[p. 110]



illustratie
Rudolf Charles d'Ablaing van Giessenburg (1826-1904); vrijmetselaar, selfmade godsdiensthistoricus en uitgever onder de firmanaam R.C. Meijer.

omdat ook vrije ondernemers niets op Java kunnen beginnen, zonder de regenten, die misbruikers van hun macht, naar de ogen te zien. ‘De kwestie over vrije arbeid is geen kwestie.’ Anti-kolonialist is hij niet, anti-koloniale agitatie heeft hij met Max Havelaar niet beoogd.

Eind januari 1862 keert hij naar Amsterdam terug en voltooit daar Vrije Arbeid. D'Ablaing van Giessenburg geeft het uit. Pas acht maanden later zal hij weer enkele dagen naar Brussel gaan, na wanhopige smeekbeden van Tine, omdat Edu ziek is. Verder heeft hij zich dat jaar niet in het legendarische Havelaar-gezin vertoond.

Literair en op het gebied van de aandoeningen is het een vruchtbare tijd. Na de verschijning van de Vrije Arbeids-verhandeling, een van de schitterendste die hij ooit heeft geleverd, stijgt zijn roem weer. Hagiosimandre's aan de Nederlandse vrouwen geadresseerde brochure moge tot een teleurstelling hebben geleid, aan vrouwen is er in Multatuli's leven geen gebrek. Hoeveel het er zijn geweest en wie, is niet geheel bekend.

Zij vormen een soort vrouwenlegioen voor Insulinde, de ‘dochters van Insulinde’ noemt hij ze.

De Minnebrieven zijn ‘een getrouwe spiegel van een maand aandoeningen en indrukken. Er bestaat geen boek dat waarder is’, bericht hij Kallenberg van den Bosch. (5 augustus 1866)

 

Eraan gewend nu dat het publiek van zijn boeken alleen begreep dat hij ‘zo aardig’ schreef en niet dat het hem moest steunen in zijn strijd, had hij in Minnebrieven geen geheim gemaakt van wat hij over het publiek dacht: ‘Publiek, ik veracht u met grote innigheid.’

God bestaat niet, is door ons gefantaseerd, maar wordt toch gehoorzaamd. Zijn god is een meisje, Fancy (= Fantasie).

Zij is meer dan de muze van dit boek alleen, zij is de drijfkracht van alles wat hij de moeite waard vindt in zijn leven: de onberaden daden, de grote dromen. Zij rechtvaardigde dat hij net als Woutertje Pieterse zijn ‘meest nabijliggende plichtje’ verwaarloosde.

[p. 111]



illustratie
Reijer Jan Antonie Kallenberg van den Bosch (1822-1892); rentmeester van Prins Frederik der Nederlanden.

Multatuli's liefde voor Sietske Abrahamsz schijnt na die uitzinnige maand waarin hij Minnebrieven schreef, wel wat oppervlakkiger te zijn geworden.

Tine heeft in Minnebrieven haar rol nog eens duidelijk gedefinieerd gezien: alles opofferen aan haar Max, haar dichter; andere vrouwen aanmoedigen haar voorbeeld te volgen.

Ene Rosette Beyers, ene Cateau. Er is over deze vrouwen of meisjes weinig bekend, behalve dat Rosette ‘mal’ was.

Meer op de voorgrond treedt Charlotte de Graaff (1837-?), al heb ik vergeefs gezocht naar haar portret en naar meer gegevens over haar dan er in bestaande Multatuli-literatuur te vinden zijn.

Charlotte was de vrijgevochten dochter van een dominee in Bloemendaal. De schrijver noemde haar ‘Prul’.

Maar zij is ‘een engel van hoge liefde’. Dit laatste schrijft hij als hij Charlotte pas een paar weken kent, aan weer een nieuwe liefde, Mimi Hamminck Schepel.

Zeer jaloers op de overige ‘dochters van Insulinde’ was Charlotte niet, voor zover bekend. Ook Sietske Abrahamsz heeft trouwens beweerd niet jaloers te zijn geweest. ‘Met Charlotte de Graaff en Mimi heb ik steeds vriendschappelijk omgegaan, nooit die malle vrouwenjalouzie gevoeld’, schreef zij in 1887 aan haar neefje Edu. Maar de herinneringen die zij in 1910 publiceerde, verraden bittere gevoelens om alles wat ‘oom E.’ haar wijsmaakte en ze op den duur niet meer geloven kon.

Als de anderen wordt ook Charlotte naar Tine in Brussel verwezen. Daar krijgt Charlotte in 1863 zelfs een miskraam.

 

‘Jezus begon met vissers. Ik vang met meisjes aan.’

Voor velen wordt hij een soort Jezus-surrogaat, dit is niet te sterk uitgedrukt.

De gewone mensen houden hem voor een wellusteling, een dronkaard, een fuifnummer dat geleend geld opmaakt in bordelen. Van wellustigheid afgezien, is dat allemaal laster. En zelfs in zijn wellustigheid kan meer dichterschap dan werkelijkheid hebben gescholen.

Multatuli was een man van eenvoudige behoeften, sober wat eten en drinken be-

[p. 112]

treft. Zelfs wijn dronk hij zelden. Zijn lievelingsdrank was thee. Hij rookte veel sigaren. Bruingebakken gehakt en goed gaar gestoofde osselappen smaakten hem bijzonder goed. Niemand heeft hem ooit in een bordeel aangetroffen en voor liefde betalen hoefde hij niet. Vrouwen achternalopen met kostbare geschenken evenmin. Hij was geestdriftig genoeg over alle vrouwen die hem zo wel wilden hebben.

Zijn goklust is bijna te wanhopig om uit speelsheid te worden verklaard. Het liefst amuseerde hij zich in de huiselijke kring met praten en spelletjes. Maar wel waar is het, dat hij in de enkele betrekkelijk simpele verlangens die hij had, zo mogelijk met gulle hand voorzag. Overmatig grote fooien strooide hij in hotels om zich heen, om maar vooral op z'n wenken bediend te worden, ‘om kalmte te kopen’. (brief aan Van der Ghinst, 30 mei 1870) Hij liep nooit in een vuil overhemd, liet zijn kleren aanmeten bij de beste kleermakers, reisde bij voorkeur eerste klas. Zich bekrimpen was hem onmogelijk, zuinig zijn kon hij niet, financiële zelfbeheersing bracht hem geheel van streek.

Het geld glipte door zijn vingers zonder dat hij het aan drinkgelagen en andere uitspattingen verkwistte. Iedere bedelaar of oplichter vond bij hem gehoor. Hij kon geen aalmoes geven zonder veel meer te geven dan er verwacht werd. Zich doof houden voor de stem van Fancy zou zijn dood zijn, wist hij - en zo was het. Toen haar stem op den duur in zijn oude, ontgoochelde oren niet meer die weerklank vond van vroeger, ging hij ook gauw dood.

De vrouw die door haar praktische aard het laatst van zijn leven nog enigszins draaglijk gemaakt heeft en hem voor nieuwe financiële catastrofes behoedde, stond waarschijnlijk verder van Fancy af dan de meeste andere die hij had leren kennen.

Maar het duurde betrekkelijk lang voor zij haar ware aard toonde en op de weg tot haar was tot het laatst ruimte voor zijsprongen.

Was niet het begin van hun verhouding eigenlijk alleen maar een zijsprong?

[p. 113]



illustratie
Het z.g. Sjaalman-portret van Multatuli, dat in werkelijkheid een modieus gekleed heer weergeeft; in 1862 vervaardigd door Löwenstamm.

terug  begin  verder