terug  begin  verder
[p. 121]

12

Nederland, in de loop van de achttiende eeuw min of meer in slaap gesukkeld op zijn rijkdommen, stond aan het begin van Multatuli's optreden juist op het punt weer wakker te worden.

‘Dit land’, schreven de broers Jules en Edmond de Goncourt, die in september 1861 ons land bezochten, ‘is een stilstaand, slapend land. Je komt uit een museum en je ziet hetzelfde huis of dezelfde gracht, die je zojuist op een schilderij van Pieter de Hoogh hebt gezien.’

Het scheen ze toe dat in Nederland de doden in hun graven meer dood waren dan in andere landen.

Juist aan dit begin van de tweede eeuwhelft, kwam er een einde aan die rust. De op Java gemaakte winsten werden grotendeels besteed om er spoorwegen en kanalen van aan te leggen.

Op geestelijk terrein was Multatuli de grootste rustverstoorder. ‘Met welk recht’, schreef hij in Idee 437, ‘weert men de Sade, Pigault Lebrun of Paul de Kock uit zijn huis, als men z'n dochters de geschiedenissen in handen geeft van Abraham, Loth, Jacob, Juda, Ruth, Delila, Judith, Rachab, Bathseba en consorten?

Men omzwachtelt in 't dagelijks leven de onschuldigste zaken met te verregaande angstvalligheid, en schroomt niet zijn kinderen geheel andere, niet onschuldige zaken te laten lezen in 'n bijbel die geschreven schijnt om dragonders te doen blozen. En dat alles om god te dienen... foei, foei!’

Weinig konden de broers Goncourt vermoeden, dat wat het verbrijzelen van taboes betreft, Frankrijk door Nederland honderd jaar later voorbijgestreefd zou zijn.

Taboes... maar wat dient daar nu eigenlijk onder te worden verstaan?

Wie Multatuli's leven overziet, zal zich ongetwijfeld afvragen, welke taboes Sietske, Charlotte, Rosette, Cateau, Marie, Annet, Truida, Francisca, Mimi en al die andere geestdriftige meisjes nu eigenlijk hadden te doorbreken?

Van de remmingen en vreselijke inhibities waarmee de negentiende-eeuwse opvoeding de brave burger strafte, zoals de moderne psychologen beweren, valt weinig te bespeuren.

[p. 122]



illustratie
Huis van Jan Douwes Dekker in Den Haag, Sophialaan 9; tegenwoordige toestand. (Foto WFH)

Misschien is het wel zo geweest dat de mensen toen al ongeveer hetzelfde deden als nu, alleen er werd veel minder over gepraat, dat is zeker. Nog sterker: het was destijds een fundamenteel kenmerk van de maatschappelijke komedie, in net gezelschap zo ongeveer precies het tegenovergestelde te beweren van wat men op schilderachtige plekjes in de duinen bereid was te doen. Het niet bestaan van betrouwbare voorbehoedmiddelen vormde bij dat laatste natuurlijk wel een handicap. Maar men vergisse zich niet: ook Multatuli's denkbeelden over sexuele hygiëne waren allesbehalve zo complexvrij als de tegenwoordige en het gebruik van het condoom vond hij bij voorbeeld zeer onzedelijk. ‘Als de maatschappij moet gered worden met beschermende vliesjes... bah! Waarom niet liever rechtstreeks onanie aangeprezen?’ (aan Roorda 27 jan. 1872) Een opvatting nog heden geheel in overeenstemming met de R.K. moraalleer. Belangrijk en voor die tijd iets nieuws was het evenwel dat hij het sexuele leven niet beschouwd wilde zien als de absolute maat van alle zedelijkheid en fatsoen.

 

Hij logeert nu veel bij broer Jan in Den Haag. In juni 1862 stelt hij zich weer kandidaat voor de Tweede Kamer. Het minieme aantal stemmen dat hij krijgt, wordt niet eens in de krant vermeld.

‘De hoofdzaken zijn deze: ik wil het goede. Daartoe is nodig: macht. Indië was mijn punt van uitgang, doch blijft onderdeel. (De hele wereld is vol domme slechtheid.) De naam Insulinde representeert voortaan mijn algemeen streven, als Nazareth het Christenidee.

Macht dus. Kunt ge (met vele anderen) mij daarin helpen, dan zeg ik: volg mij. Zo niet, dan blijf ik je alleen liefhebben als mijn Mimi...’ (11 september 1862)

Dat laatste is tenminste iets, zal de arme Mimi hebben gedacht, die niet eens de macht bezat van haar vader gedaan te krijgen dat zijn brieven haar ongehinderd bereikten.

De eerste bundel Ideën verschijnt en het succes is groot, maar van werken komt voorlopig niets meer en de verliefde schrijver laat zijn uitgever wachten op nieuwe kopij. Waarschijnlijk in de hoop hem aan te vuren, leest d'Ablaing van Giessenburg

[p. 123]



illustratie
Auguste Henri Edouard Douwes Dekker (1850-1924); oudste zoon van Jan; hield al op zeer jeugdige leeftijd een dagboek bij; schreef een brochure ter verdediging van de nagedachtenis van zijn oom Eduard (Aesculaap als Caricatuurschilder, 1888) tegen de psychologische analyse van zijn neef Dr. Th. Swart Abrahamsz (Eene Ziektegeschiedenis, 1888).

hem de les en wel op zo'n manier dat het nog altijd als een aannemelijke samenvatting van Dekker's veelvormige en grotendeels raadselachtige karakter kan worden opgevat. Daarom zal deze analyse Multatuli misschien wel eerder hebben ontmoedigd dan aangevuurd.

‘Ge verbeeldt u trots te zijn en men beschuldigt u ervan; - ik daarentegen zeg u dat gij en publiek beiden liegt, ge zijt niet trots, gij verheft u niet boven anderen, ge gevoelt u niet sterk (...). Ware dit zo (...), ge zoudt niet hulpbehoevend naar anderen de armen uitstrekken, en anderen de macht vragen die ge in u zelf hebt (...). Roep niet de hulp van anderen in, terwijl ge uw kracht door werkloosheid laat verlammen, de schat van uw geest nutteloos verspilt, uw kostbare tijd renteloos voorbij laat gaan. (...) Neen Dekker, ge zijt niet trots (...) Bij uw hoogmoed is twijfel aan eigen kracht, twijfel aan eigen waarde, wel niet tegenover anderen maar in uzelf.’

Vooral die laatste opmerking lijkt mij onbetwistbaar juist.

 

Van boeken schrijven is geen sprake meer, hoewel hij d'Ablaing beterschap belooft.

Lange brieven daarentegen gaan naar alle windstreken. Een nieuw plan doemt op: er zal door d'Ablaing en hem, met behulp van Jan's geld, een grote uitgeverij worden opgericht, een dagblad misschien.

In oktober 1862 verblijft hij omstreeks twee weken in Brussel. Als hij terugkomt te Amsterdam, blijkt dat Jan niet meer dan ƒ1000, - aan d'Ablaing heeft voorgeschoten, in plaats van de ton waarover gesproken is. Rampen hebben Jan's tabaksplantage getroffen. Hij verkoopt z'n nieuwe huis in Den Haag en verdwijnt met z'n hele gezin naar Indië, zonder zelfs van Eduard afscheid genomen te hebben. ‘'t Is infaam!’ schrijft Eduard aan d'Ablaing, 8 november 1862.

Jan's oudste zoontje, Auguste, was twaalf jaar oud en hield toen al een dagboek. Ze vertrokken geenszins in paniek. Op 22 oktober 1862 reisden ze naar Londen, waar ze tien dagen bleven om de stad te bezichtigen. Vervolgens gingen ze scheep naar Indië op een Nederlands zeilschip en bereikten na honderdtwintig dagen Pasoeroean (Oost-Java). Ze vestigden zich te Grissee (Gresik), 25 km NW van Soerabaja. Op 25 augustus 1864 schreef Auguste in zijn dagboek: ‘Pa begint tegenwoordig erg te

[p. 124]



illustratie



illustratie
De componist Richard Hol (1825-1904), die een Saïdjah-elegie voor cello en piano schreef.

sukkelen aan verlamming of reumatiek, vooral in de benen.’ Pas 48 jaar oud, overleed Jan op 11 september 1864, volgens Marie Anderson aan een te overvloedig gebruik van madera, maar Auguste schreef in zijn dagboek: ‘De steeds in hevigheid toegenomen ziekte van onze lieve brave papa, maakte een einde aan zijn voor ons zo dierbaar leven.’

Eduard is nu de enig overgeblevene van Engel Douwesz. Dekker's kroost.

Piet was al in juli 1861 gestorven. Eduard noch Tine waren op zijn begrafenis verschenen.

Jan en Eduard waren als vijanden uit elkaar gegaan.

Toch staat het vast dat Jan, in de perioden waarin zij geen ruzie maakten, veel van hem heeft verdragen en veel voor hem gedaan heeft. De al geciteerde brief van Piet (dit boek pag. 68) is niet het enige bewijs daarvoor.

 

Financieel een verkwister, is Multatuli erotisch gezien een verzamelaar. In 1845 legde hij een pas verworven haarlokje van Everdine naast een van Caroline, welke handeling hij terstond aan Everdine berichtte. (VW, viii, 208) Zelfs Eugénie blijft hij in de goede zorgen van Tine aanbevelen en na zijn dood bezat zijn tweede vrouw nog een door hem altijd bewaarde zwarte haarlok van Clio (Si Oepi Keteh).

 

In januari 1863 stond Charlotte de Graaff hem alles af wat zij bezat: een paar duizend gulden.

Een maand later vindt in het Grand Théâtre de première plaats van een Duits toneelstuk Die Schule des Lebens met in de hoofdrol de geenszins schraal ontwikkelde Duitse actrice Laura Ernst. Na het tweede bedrijf wordt, als intermezzo, de ‘Saïdjahelegie’ uitgevoerd, die intussen gecomponeerd is door Richard Hol. Multatuli is dus in de zaal bij de première. Hij neemt waar dat er veel stoelen leeg zijn. De volgende dag schrijft hij een vlammend geestdriftige beschouwing: De School des Levens.

Nadien loopt het storm. Laura Ernst beloont hem met haar portret dat voorzien is van een omstandige opdracht, waaruit diepe kennis van Multatuli's oeuvre spreekt. Had zij die uit de boeken opgedaan, of uit de mond van de schrijver zelf? Niet lang

[p. 125]



illustratie
De Duitse toneelspeelster Laura Ernst.

daarna zal hij haar naar Brussel zenden, naar Tine, ‘om te genezen van verdriet’.

 

Elf jaar later (4 apr. '74) zou hij Vosmaer schrijven: ‘Ik heb Laura Ernst enigszins leren kennen. Ze was 'n allerordinairste beroeps-artiste. Eigenlijk 'n dégoutant schepsel. De Kunst was haar slechts métier, niets dan métier. Maar in dat métier was ze knap. Noch vroeger noch later heb ik ooit iemand zo horen reciteren, niet declameren noch acteren, neen, weinig meer dan lezen. Ik wist niet dat zó iets bestond. Muziek haalt er niet bij! Nog ruisen mij sommige intonatiën in 't oor. Overigens was zij, fysiek en moreel, 'n grof schepsel, waarvan ik je bij gelegenheid 'n komiek voorbeeld zal aanhalen. Lelijk was zij ook, maar dit verhoogde de waarde van haar kunst-uitoefening, om niet kunst te zeggen.’

Het beloofde ‘komieke voorbeeld’ heeft hij nooit aan het papier toevertrouwd en dit blijft het nageslacht dus onthouden.

 

Door Mimi leerde hij de Haagse directeur van een ijzergieterij, Jacques Hotz, kennen en diens vrouw Truida. Truida heeft een zuster, Francisca, die een vriendin van Mimi is.

Het zijn ruimdenkende mensen en, als bijna al zijn vrienden en vriendinnen, rond twintig jaar jonger dan hij. Truida en Francisca bewonderen de schrijver al spoedig na de kennismaking. Hotz, die zich, van vooroordelen vrij, wel eens door zijn schoonzusje Francisca laat verwennen, vraagt Multatuli te logeren en geeft hem een soort baantje in zijn fabriek, waarvoor hij weinig of niets hoeft te doen. De praktische Hotz hoopte dat de grote Multatuli misschien wel eens hier of daar een klein artikeltje over zijn fabriek wilde schrijven, maar deze hoop was ijdel. Toch verschafte de ijzergieterij van Hotz Multatuli enige indrukken die hij gebruikte in zijn latere toneelstuk Vorstenschool.

Mimi's vader blijft haar elke omgang met Multatuli verbieden en wil zelfs zijn naam niet horen in zijn huis. Bij de familie Hotz kan Mimi spreken over en met haar aanbedene.

‘Ja’, schrijft Multatuli haar, ‘bij Hotz zal ik veel komen... Toen ik vrijdag daar aan-

[p. 126]



illustratie
Jacques Cornelis Paulus Hotz (1834-1875); vriend van Multatuli, eigenaar van de ijzergieterij en machinefabriek De Prins van Oranje



illustratie
Zijn vrouw Trui of Truida (Geertruida Johanna Arnolda) Hotz-Pino Post; ze hield veel van Multatuli, maar had na de dood van haar man talloze verhoudingen, wat de schrijver niet aanstond.



illustratie
Francisca Pino Post; zuster van Truida, tegen wie Multatuli soms ‘heel hartelijk’ was.

[p. 127]



illustratie
Annetta Hamminck Schepel (1844-1931); zusje van Mimi, dat ook veel van Multatuli hield en Mimi (Maria Frederika Cornelia) Hamminck Schepel (1839-1930).

schelde was mijn indruk: die schel heeft zij aangeraakt! Of't kinderachtig is, kan me niet schelen, 't is zo!’

Op ongedwongen avondjes neemt men proeven met een nieuwe kick: chloroform.

Eens op een keer, toen Mimi uit haar bedwelming ontwaakte, zag ze dat haar jongere zusje Annette op de knieën van Multatuli zat.

Annette zou trouwens ook de zijne worden, op een nacht in een hotel te Delft, waarheen hij een wandeling met haar gemaakt had, en het was te laat om nog terug te wandelen naar Den Haag, beweerde Marie Anderson. - Maar een andere zuster van Mimi, Christien, heeft dit tegengesproken in een ongedateerde brief. (Collectie Paul Marijnis; zie NRC Handelsblad 19 febr. '82)

 

Half maart 1863 is de sentimentele constellatie rondom de schrijver nooit welsprekender geschetst dan in een brief die hij op 17 maart 1863 aan Mimi schreef, waarvan hier enkele fragmenten:

‘Marie is inderdaad bewonderenswaardig. (...) Ik merk dat vooral op in haar spreken over u. Met vreugde zegt ze altijd: “Ik heb Mimi gezien!” Denk eens na wat dat zeggen wil in haar die veel van mij houdt, en weet hoe ik u liefheb. Is dat niet heel groot? Als deze brief dik wordt, ben ik beschaamd die haar te geven. Er is wreedheid in. Maar dat merk ik aan haar niet. Zij is in staat om (ongemaakt) te zeggen: O, dat zal Mimi plezier doen!

Ik heb haar dikwijls gezegd hoe lief ik je had. Dat was mijn pligt, vind ik. Zij nam het lief en gul op, sprak erover alsof het de natuurlijkste zaak der wereld was, en vraagde nooit: en ik dan? (...)

Aan Tine schrijven! O, waarachtig! Graag! Je kunt van haar nooit te veel goeds denken. Zij is een engel. Als je aan haar schrijft, doe 't dan zoals een gelovige bidt, je kunt niet te oprecht wezen. Ik heb geen woorden om haar gemoed te schetsen. Daar is geen vlek in. En meen niet dat uwe liefde voor haar in 't minst strijdt met je genegenheid voor mij. Dat is niet waar. Dat zouden bedorven mensen zich opdringen, maar 't is zo niet. (...) Van u weet ze dat ik je liefheb, dat je den wil van je vader volgt en mij daarom ontwijkt, maar je brieven heeft ze niet gelezen. (...) Deze brief ware

[p. 128]

genoeg om je het grootste recht te geven in haar hart. Ja, zonder dat, ze weet dat ik je liefheb. Ja, schrijf haar, (...) Zeg dat ik je voorstel haar te vragen om 'n slordig antwoord, zodat je 't bijna niet lezen kunt. Ze kan zo komiek knoeien in haar brieven.

Zie hierbij een paar. Eerst wou ik je wat verklaring en toelichting geven, maar 't is beter van niet. Laat dat verregaand négligé maar blijven. Ik vind het lief. En zie eens wat 'n gloed overal. En dat is na veel tobben en lijden! Is 't niet schoon? (...) Wat je in de brieven niet begrijpt sla je maar over of als 't je interesseert, vraag het mij.

Charlotte de Graaff is sedert den dood harer moeder bij mij. Deze had mij dat laten beloven. Lotje heeft haar beetje geld aan mij gegeven. Marie weet dit, en jij nu ook. Anderen niet. (...)

Na die komieke brieven van Tine, zend ik je ook den brief van Laura Ernst, die ik naar Brussel zond om te genezen van verdriet. Kijk eens hoe Everdine mijn wissel gehonoreerd heeft. De brief die Laura mij schreef kan ik je niet zenden, en dat spijt me, daarin schrijft ze over Everdine en de kinderen, wacht: - neen, ik wou er wat uit copiëren, maar 't verveelt me. (...) Ik wou je (...) door 'n ander 't interieur laten schetsen waartoe jij behoort. Ik wou je (zo goed als zonder den Haag en je ouders te verlaten mogelijk is) thuis maken in mijn kring. (...)

Schrijf flink aan Tine dat ik je dol liefheb, toe! Ogod, ik zal je geen démenti geven, en zij mij noch u een verwijt! (...) Over onze verhouding zal ik goed nadenken. Maar dat ze bestaat, innig, heilig en onverbrekelijk, staat vast. M'n hart huwt je.

Dag Mimi, mijn Mimi,

Uw Eduard is dat goed? Ik heel graag.’

 

Acht dagen later:

‘Ik heb naar huis geschreven dat ik je weerom heb. Tine (en ook Charlotte) weten wat ik eronder leed. Tine schrijft er niets over, dat hoeft ook niet. Eigenlijk hoefde zij nooit iets anders te schrijven dan 't dagelijkse (al 't andere weet ik van haar). Charl. noemt je naam op bijgaand strookje. Ik zend je dat; niet omdat je haar suffrage nodig

[p. 129]

hebt, maar om je te doen zien, dat in mijn kring, haast had ik gezegd: rijk, geen jalouzie heerst. Zij weet hoe lief ik je heb.’ (VW, xi, 122)

 

Zijn rijk...

 

‘Even als in de natuur vaak oorzaak en gevolg zo ineensmelten dat de handeling rondloopt in een cirkel zonder begin, zo ook is 't een moeilijk antwoord op de vraag: geloof ik in mijn roeping om dat geloof van anderen of is hun vasthouden een gevolg van mijn overtuiging? ik weet het niet, maar èn 't een, en 't ander is waar.’ (VW, xi, 172)

terug  begin  verder