terug  begin  verder
[p. 130]

13

Tine had in Brussel vriendschap gesloten met Stéphanie Etzerodt (geb. 1837).

Stéphanie is gedeeltelijk van Engelse afkomst. Haar vader was directeur van de Brusselse gasfabriek. Hoe de kennismaking met dit rijke meisje, achttien jaar jonger dan Tine, tot stand gekomen is, weten we niet.

De vriendschap is zeer innig. Stéphanie gaat dikwijls op reis en hoewel ze Nederlands kent, zijn Tine's brieven aan haar voor het grootste deel in tamelijk onvolmaakt Frans gesteld (hier in den vervolge grotendeels vertaald).

‘Ma Loutjou chère, ma noble enfant... je bent mijn kleine moedertje, ik omhels je met heel mijn ziel.’

Dit schrijft Tine op 30 maart 1863, wanneer Multatuli bij haar verblijft. Hij is Edu komen halen, om hem naar Holland te brengen, waar hij enkele dagen gaat logeren ten huize van de familie Hotz.

Multatuli voegt eigenhandig een (in het Frans gesteld) naschrift toe aan Tine's brief: ‘Lieve Stéphanie! Everdine is dol op u. (Er stond eerst “je”.) Ze praat alleen nog maar over u. Wat hebt ge gedaan om haar te betoveren?

Zelf heb ik al lang kennis met u willen maken. Er is in uw karakter veel waar ik heftig door geroerd word en ik geloof dat u van mij zoudt houden, als u die verfoeilijke taal las die Hollands heet...’

Is ook Stéphanie toegetreden tot zijn legioen? Op dat ogenblik heeft hij haar in elk geval nog niet leren kennen. Hij vertrekt voor Stéphanie terug is en Stéphanie, teruggekomen, gaat begin augustus weer op reis.

‘Meine allerliebste Stéphanie!’ schrijft Tine op 17 augustus 1863, ‘ma Loutjou chère!... Je weet niet hoe verdrietig je vertrek mij maakt! Mijn hart is zwaar en ik doe niets dan denken aan mijn kleine idool. Als je onzichtbaar mijn kamer om 11 uur 's avonds kon binnenkomen, zou je me in tranen zien; je portret is mijn schat, je haren zijn mijn verrukking... Ik kan niet meer buiten je (...). Mijn man heeft moed. Hij zegt me dat ik rustig moet zijn, dat alles goed zal gaan en ik doe het moeilijkste dat er is: wachten.’

Charlotte de Graaff logeert bij haar. Multatuli is in Nederland bij de familie Hotz en bericht in deze periode aan Mimi:

[p. 131]



illustratie
Tine's vriendin Stéphanie Etzerodt, de latere mevrouw Omboni (1837-1917).

‘Mimi, ik geloof niet dat veel vromen zo vroom zijn als ik. Gister schreef ik naar huis. En aan Everdine en aan Charlotte schreef ik alleen over u. Ik kon niet anders. Ik heb Everdine verzocht je te schrijven dat ik je zo liefheb. Aan haar heb ik mijn hart geopend. Dat zou de wereld vreemd vinden, nietwaar? Aan háár! En verdien ik dan beoordeeld te worden naar wereldse wijsheid?’

Of hij het verdiende, is een vraag. Dat het gebeurde, was een feit, en dat het wel altijd gebeuren zal, lijkt waarschijnlijk.

Enkele dagen eerder had hij aan Mimi bericht:

‘Van morgen stond Francisca bij mij en was zo hartelijk en ik ook. Ja, ik weet dat zij mij liefheeft, en ik houd ook veel van haar. (...)

En als ik dan heel hartelijk ben tegen Francis doe ik dan kwaad? Ben ik je ontrouw? Help mij regtzien. Maar wel zeg ik haar hoe ik jou in 't hart draag... ja, dat spreekt vanzelf.’

 

De brieven aan Mimi horen onder de ontroerendste die hij ooit schreef aan een vrouw. Heftiger dan zijn jeugdbrieven aan Tine, maken ze zo mogelijk een nog oprechter indruk. En toch kon hij om haar het andere lieflijks dat hij ontmoette, niet overslaan. Er spreekt uit z'n brieven zo nu en dan ook twijfel aan de waarde van zijn erotische bezetenheid, twijfel of het wel mogelijk is van zoveel vrouwen tegelijk te houden, als ze op die manier toch niet allemaal even gelukkig worden, hoe hij ook mag preken. Zo schrijft hij niet aan de anderen.

Duidelijk blijkt ook dit: langzaam, voorzichtig en taai is Mimi bezig de alleenheerschappij te veroveren. Tot op zekere hoogte zal haar dat ook lukken, maar helemaal lukt het haar nooit, zelfs niet op zijn oude dag. Soms, bereid zich met minder tevreden te stellen, verzuchtte zij, wanneer hij in vuur geraakt was voor een nieuwe liefde: ‘Als hij er tenminste zijn mond maar over hield.’

Zij zal wel niet beseft hebben dat hij ALLES met zijn mond deed en niet anders kon. Zijn mond houden, was het verschrikkelijkste, letterlijk het dodelijkste dat er voor hem bestond. Lang leefde hij dan ook niet meer, toen ook zijn mond hem niet meer bevredigen kon.

[p. 132]



illustratie
Tine.

[p. 133]



illustratie
Antwerpse Steenweg 70 (thans gesloopt) en Rue de Berlin 31, Brussel (thans Elzas-Lotharingenstraat) (Foto WFH). Tine woonde achtereenvolgens in deze huizen, een hoog.

Tine bleef goede moed houden. Soms kwamen wel drie van zijn vriendinnen tegelijk bij haar logeren en heldhaftig speelde zij de engelenrol die hij haar voorgeschreven had. Al te klein en armoedig behuisd was zij waarschijnlijk niet. Ze hield ook een dienstmeisje (wat in die tijd voor zeer weinig geld mogelijk was). Maar de rekeningen van de bakker en de slager stegen torenhoog en ze moest haar man bijna wekelijks de vreselijkste bedelbrieven sturen om geld. Vooral geldgebrek is het geweest dat haar leven tot een hel maakte, niet zozeer gebrek aan liefde.

‘Hij met al zijn zijsprongen’, schreef Tine op 13 november 1863 aan Stéphanie, ‘houdt toch van mij zoals weinig vrouwen worden liefgehad. Ik geloof dat het is omdat ik dit voorheb, dat ik hem begrijp; niet dat mijn geest zo verheven is, maar ik geloof dat ik hem begrijp met het inzicht des harten en dan nog verwijt ik me zo dikwijls dat ik niet groot genoeg ben, dat ik me niet hoog genoeg weet te verheffen tot zijn grootheid van ziel, dat me zoveel ontbreekt om de waardige vrouw van een dichter te zijn, van een genie. Mijn karakter is te zacht, ik houd te veel van rust, wat dikwijls een fout in mij is. In Den Haag was een familie tot wanhoop gebracht wegens de verering van een van hun dochters voor Dekker; ze dachten dat ik ongelukkig was en verlaten. Ik heb me daar vertoond, ik heb gepraat en gepleit, men heeft mij op een treffende wijze ontvangen en het hele gezin heeft me de grootste vriendschap bewezen. Ten slotte hielden ze van mij en begrepen het edele karakter van Dekker en dat de hoogstaande geestdrift van hun dochter niet verspild was. Zo ben ik erin geslaagd een beetje geluk te schenken en daarvoor ben ik beloond omdat Dekker tevreden over me was. Geluk geven, dat is meer ontvangen dan je geeft. Slechte mensen begrijp ik niet. Ze moeten worden beklaagd.’

 

Slechte mensen en misschien ook minder slechte mensen konden op hun beurt Tine niet begrijpen. Stromen inkt zijn er vergoten om het karakter van Dekker zwart te maken, juist ook wegens dit bezoek dat hij Tine dwong aan de familie Hamminck Schepel te brengen, waar zij de edele aard van zijn liefde voor Mimi, bij Mimi's ouders in het licht moest stellen en zodoende een einde maken aan het veto dat majoor Schepel had uitgesproken over de relatie. En dit lukte Tine.

[p. 134]



illustratie
Johannes Christiaan Pieter Hamminck Schepel (1808-1870), majoor infanterie, gepensioneerd als kolonel, portretschilderij door F. Hupsch; Maria Hamminck Schepel, geb. Volck (1815-1863), de ouders van Mimi.

De publieke opinie is meestal niet in staat geweest Tine anders te beschouwen dan als een bedrogen, verwaarloosde, misbruikte vrouw. Voor het onweersprekelijke feit dat zij minstens even excentriek was als hij, had men geen oog. Zelfs haar eigen kinderen hebben het niet begrepen en dat zou ook een onmogelijke eis geweest zijn. Hetzelfde eigenaardige in haar karakter dat haar van hem bijna alles verdragen liet, maakte ook dat haar kinderen hartstochtelijk veel van haar hielden en haar beschouwden als een heilige.

 

Ruim negen maanden daarna zou Francisca Post, bij Tine in Brussel logerend, bevallen van een meisje, Françoise. Het kan uit de werken van haar zwager Jacques Hotz zijn voortgesproten. Later is dit kind spoorloos verdwenen.

Op 1 oktober 1865 meldt Tine aan Stéphanie:

‘Francisca heeft een dochtertje sinds drie weken. Je begrijpt dat dit alles mij zeer in beslag genomen heeft. Ik had beloofd voor haar te zullen zorgen en ik heb mij over haar ontfermd; mijn geweten verwijt mij niets in dit opzicht. Maar als je in de misère bent, kun je weldaden niet op de juiste waarde schatten. Het zij zo...!’

 

Sedert eind 1862 geeft Multatuli ook openbare voordrachten.

Een van zijn meest geruchtmakende toespraken heeft hij gehouden op het Congres van de internationale vereniging tot bevordering der sociale wetenschappen, dat op 26 september 1864 geopend werd in het koninklijk paleis op de Dam en een week later besloten met een groot galadiner in het Paleis voor Volksvlijt, waarbij de koning aanzat. Het kreeg, ook internationaal, veel aandacht in de pers.

Multatuli hield op 1 oktober in het koninklijk paleis een in het Frans gestelde toespraak, waarin hij enkele van de op Java bedreven koloniale gruwelen releveerde en de politieke denkbeelden van conservatieven en liberalen gelijkelijk afkeurde. Deze inleiding liet hij volgen door een in het Frans vertaald fragment uit het slot van Max Havelaar.

De NRC van 2 okt. 1864, bijvoegsel p. 1-2 schreef er nogal ironisch over. Een zekere heer Bake had betoogd dat ‘de Javaan tot in alle eeuwigheid aan gedwongen

[p. 135]

arbeid onderworpen moest worden, omdat hij in zijn indolentie en zucht naar vermaak anders zelfs de rijst niet zou aanplanten die hij voor zijn eigen voeding behoeft.’

Rochussen had gewezen op de enorme winsten die het koloniale stelsel afwierp voor Nederland en ook voor Java zelf, en dat daarom volstrekt niet geroerd mocht worden aan het systeem; het moest zachtjesaan gewijzigd worden, ‘maar hij achtte het niet oorbaar mede te delen waarin.’

Douwes Dekker ‘sprak heel veel van zichzelf en van het lijden van de Javaan, precies in dezelfde bewoordingen, die men in de Max Havelaar kan aantreffen.’

 

Geestdriftiger was de Amsterdamsche Courant van zondag 2 en maandag 3 okt. 1864, avond-editie p. 1: ‘Met de voorlezing van de laatste regelen van zijnen roman Max Havelaar besluit hij zijne rede, die met daverende toejuichingen ontvangen werd.’

Zelf was Dekker matig tevreden over de uitwerking van zijn woorden. ‘De hollandse couranten hebben - more majorum - mijn taal en den indruk die ze maakte, verdraaid’, noteerde hij. ‘Gelukkig dat ze allen elkaar tegenspreken.’

‘Ik kwam om aan Europa te zeggen hoe de Nederlanders den Javaan behandelen, of liever ik kwam openlijk constateren, dat zij zwijgen als betrapte dieven op alles wat ik sedert vier jaar daarover gezegd heb. Toch schijn ik - gedreven door Juvenaalse verontwaardiging - niet zo heel slecht te hebben gesproken.’ (VW, xi, 392)

 

Multatuli schrijft niet veel anders dan brieven in deze periode. In geen geval verdient hij genoeg om nog langer in hotels te vertoeven. Nu richten enige handvaardige leden van ‘De Dageraad’ een paar kamertjes voor hem in op de zolder van d'Ablaing van Giessenburg, aan wie hij zijn huurschuld eventueel in inkt zal kunnen betalen.

Had hij maar genoeg geld om een eigen krant op te richten!

Een oud idee, dat al eerder op een fiasco is uitgedraaid, geeft de man die eens gedroomd heeft gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië te worden, weer wat hoop: hij zal zijn portret in de handel brengen. (Heeft hij niet altijd beweerd dat hij geen schrijver was, maar wel een goed mens, met andere woorden: dat de man achter

[p. 136]



illustratie
Portret van Multatuli door C. Mitkiewicz, Brussel (1864).

[p. 137]



illustratie
Lithografie naar de foto van Mitkiewicz.

[p. 138]



illustratie
De toneelspeler Daan van Ollefen (1824-1900).

het werk belangrijker was dan het werk?) Met de opbrengst van de portretverkoop zal hij een krant oprichten.

De Brusselse fotograaf Mitkiewicz maakt een foto waarnaar ook een lithografie wordt getekend.

Een echte foto zal voor ƒ50,- te koop zijn, een litho voor ƒ10,-.

Er wordt in de winkel van d'Ablaing van Giessenburg een apart loketje getimmerd, waarachter de schrijver plaatsneemt om de verkochte portretten onmiddellijk van een opdracht (citaat uit zijn werk) en handtekening te voorzien. Er verschijnen haast geen kopers. Zo goed als niemand is bereid dergelijke bedragen op tafel te leggen voor de beeltenis van hem, die veel geleden heeft.

 

Om niet van zwaarmoedigheid helemaal te verteren, gaat hij veel uit, bezoekt schouwburgen en variété's, meest in gezelschap van gefortuneerde vrienden die de onkosten dragen.

De rekening van de Brusselse fotograaf blijft onbetaald. Van tijd tot tijd brengt deze portrettist een lastig bezoek aan Tine, die dichter bij hem in de buurt woont dan de geportretteerde lastgever zelf, maar zo mogelijk nog minder geld heeft.

Haar wanhoop stijgt.

 

De kinderen werden groter en ze waren allesbehalve dom. Ze zagen de schuldeisers en hoorden de ruzies over geld. Ze ontmoetten de vriendinnen van hun vader, ze hoorden hun moeder 's nachts huilen. Ze hoefden geen ‘papa’ tegen hun vader te zeggen, maar noemden hem ‘Dek’ als alle intimi, en tutoyeerden hem, wat in die tijd zeer buitengewoon moet zijn geweest. Ze namen waar dat Dek bijna nooit thuiskwam, zoals de vaders van andere kinderen. Ze hoorden en zagen heel wat rare dingen thuis. Naar school gingen zij niet, omdat hun vader meende dat het schoolonderwijs bedervend werkte. Edu kon op zijn tiende jaar nauwelijks spellen.

Maar andere kinderen gingen wel naar school en daar werden ze jaloers op, want kinderen houden er niet van anders dan andere kinderen te zijn. Waarom waren ze anders dan anderen? Moeder legde hun uit dat het een voorrecht was kinderen van

[p. 139]



illustratie
Edu en Nonnie.

[p. 140]

een genie te zijn, maar ze bleven erbij dat ze liever doodgewone kinderen waren.

Met hun moeder en de vriendin van hun moeder - ook hun vriendin - Stéphanie, reisden ze eind februari 1865 naar Amsterdam om de première van vaders toneelstuk De Bruid daarboven bij te wonen.

‘Mevrouw Dekker had gelijk wij verwacht hadden het noodzakelijk gevonden zich met haar kinderen te Amsterdam eens aan de zijde van haar man in het openbaar te vertonen om voorgoed een eind te maken aan al de leugens die omtrent hun huwelijksgeluk, vooral in de laatst verlopen maanden alhier rondgestrooid zijn’, noteert d'Ablaing.

Edu van elf jaar en Nonnie van zeveneneenhalf vervelen zich dood bij de voorstelling.

‘Dag Dek! Dag Dek!’ roepen ze, als hij na afloop op het toneel komt. Daarna paraderen de leden van ‘De Dageraad’ langs de loge waar de familie Dekker zit en Tine drukt de hand van de vereerders.

 

Financieel soelaas brachten de uitvoeringen van De Bruid daarboven niet. En het werd nog wel door twee toneelgezelschappen tegelijk op de planken gebracht. Maar buitenlandse auteurs konden gespeeld worden zonder dat men een cent auteursrechten betaalde, dus moesten Nederlandse auteurs al blij wezen wanneer ze geen geld hoefden toe te geven om te worden opgevoerd. Zo ging dat in een klein land als het onze.

 

Tine's toestand in Brussel verergert tot het ondraaglijke.

Sietske Abrahamsz weet het haar toekomende moederlijk erfdeel in handen te krijgen, reist met een deel daarvan naar Brussel en betaalt Tine's lastigste schuldeisers.

Tine had gedacht dat Sietske oom E. zou meebrengen, maar dat bleek niet zo te zijn, wat Tine zeer verdrietig maakte. Want oom E. had voor zichzelf een ander deel van Sietske's erfenis weten los te praten en, van de beste bedoelingen vervuld, was hij daarmee, vergezeld door Mimi, naar Wiesbaden gereisd om een nieuw systeem aan de roulette te proberen. O! Als hij nu eens een paar honderdduizend gulden zou

[p. 141]



illustratie
De musicus David Koning (1820-1876), bij wie Edu in 1865-1866 een maand of negen logeerde; Sietske was er gouvernante.

hebben gewonnen! Maar de roulette is, wat onbarmhartigheid en ongevoeligheid voor goede bedoelingen betreft, een getrouwe afspiegeling van het hele leven - en zij verliezen.

Tine wil er nu een eind aan maken en met Nonnie naar Indië gaan. Maar Multatuli, zich nog altijd vastklampend aan het ideale Havelaar-gezinnetje uit de gelijknamige roman, legt haar uit dat hij door een scheiding van een halve aardomtrek groot geheel ‘geknakt’ zal worden en Tine gaat gehoorzaam naar Brussel terug.

Sietske was inmiddels gouvernante geworden in het gezin van David Koning, een welgesteld musicus en groot bewonderaar van Multatuli. Het zal Tine's lasten enigszins verlichten als ook Edu bij de familie Koning in huis komt. Hij kan er bovendien wat leren. Edu blijft dus in Amsterdam bij Koning.

 

Voortaan is Tine in Brussel eenzamer dan ooit. Stéphanie, begrijpend dat ze Mimi nooit zal kunnen verdringen uit het hart van de grote dichter, verlooft zich met de geoloog Giovanni Omboni en vertrekt voorgoed naar Italië. Zelfs een dienstmeisje heeft Tine niet meer. ‘Mijn loetjoe, mijn lieveling! Geloof nooit dat mijn liefde voor je bekoeld is. Ik denk alleen maar aan jou, leef alleen in jou en toch kon ik je niet schrijven; ik had je te veel te zeggen, maar ik zou het heel dicht bij je hardop hebben moeten zeggen. Na je vertrek heb ik te veel geleden.

Ik heb twee lieve brieven van je ontvangen; je spreekt mij moed in, je wil me opwekken door me goede, zeer goede raad te geven. Dank je, mijn schat, mijn Loulou die ik zozeer liefheb.’ (16 nov. 1865)

 

Op 19 januari 1866 schrijft ze: ‘... Je weet dat ik niets dan melancholie in mijn hart heb en je begrijpt dat het op den duur heel erg vervelend wordt aldoor hetzelfde te herhalen. (...)

Dekker heeft zojuist de Ideën (t.w. de tweede bundel - WFH) en de Bloemlezing voltooid. Hij is nog in Holland. Edu, mijn goede kleine wilde, is nog steeds bij de familie Koning. Ik snak ernaar hem te zien. Edu tekent zo goed naar de natuur en Non begint ook. Het schijnt dat ze allebei smaak in en roeping voor het tekenen

[p. 142]

hebben en Nonnie is heel muzikaal volgens haar leraar. Hij is trots op zijn leerling. Non wordt steeds liever en heel intelligent. Ze praat heel dikwijls over jou; als ze merkt dat ik verstrooid ben, wijt ze dat altijd aan jou; “jij denkt altijd aan Stéphanie”, en meestal raadt ze dat goed.

Mimi is op 't ogenblik in Duitsland; ze is een hele tijd bij mij geweest en dat is goed. Ik weet wat je me wilt zeggen, maar, mijn Loetjoe, kent wat gij beoordeelt en als je alles wist, zou je me gelijk geven. Francisca is in Holland met haar kind; het kleintje moet erg lief zijn. Ik ben goed voor haar geweest, dat kan ik in alle gemoedsrust zeggen en ik heb er niet de minste voldoening van, ze vond niets goed. Het zij zo! Er bestaan zoveel mensen die geen hart hebben!

Een paar dagen geleden schreef Dekker mij: “Gisteravond overkwam mij het ongeluk, of had ik de onhandigheid of het genoegen vier heren klappen om de oren te geven, die zich vrolijk maakten over een uitstekende toneelspeelster, een fatsoenlijke vrouw op de koop toe. De zaal was in opschudding, iedereen gaf me natuurlijk ongelijk. Want “iedereen” is stompzinnig en wreed. Niet het geringste begrip van ridderlijkheid.”’

Tine ging ook wel eens naar een schouwburg of een lezing om wat afwisseling te hebben. ‘Onlangs’, schrijft ze in dezelfde brief aan Stéphanie, ‘woonde ik het college van Bancel “De menselijke Spraak” bij. Heel mooi. Het was in de zaal van de Vrije Universiteit. Wat een mooie zaal! O, ik dacht zo veel aan jou; zo dikwijls hebben we samen naar zijn lezingen geluisterd. De zorgen kwellen mij ten dode. Ik zou zo graag nog een beetje genieten, want er zijn zoveel dingen die de ziel verheffen en het hart goed doen. Maar ik leef niet meer; ik verval van de ene wrede opwinding in de andere. Ik lijd te veel. Vrij dikwijls denk ik erover een einde aan mijn leven te maken, maar mijn hart bloedt als ik eraan denk de kinderen te verlaten en de moed ontbreekt me. Wat heeft geld veel waarde, want ik zou veel kunnen verdragen zonder me te beklagen; maar als er helemaal geen geld meer is, kun je geen opgewekt gezicht meer zetten. O, het is afschuwelijk! Nee, je kunt niet begrijpen wat ik lijd. Niet zelden ben ik bang gek te worden. Wie weet wat er nog gebeuren zal. Mijn hoofd gloeit. Hoe heerlijk zou ik het vinden bij je te zijn; soms huil ik en dat lucht me op...’

terug  begin  verder