terug  begin  verder
[p. 143]

14

Het ongeluk, de onhandigheid of het genoegen waren hem overkomen op 1 december 1865 des avonds omstreeks 9 1/2 ure, in de Salon des Variétés aan de Nes. Het relaas over de klap in Tine's brief van 19 januari '68 is onjuist en toont aan hoe weinig zij van zijn wedervaren op de hoogte was. Het zoontje van de toneelspeelster zat naast hem en allebei hoorden ze dat een paar mannen luidkeels ordinaire opmerkingen maakten over deze vrouw, die niet mooi was, maar wel mooi zong, in de eenakter Lady Beefsteak, klucht met gezang.

De oude Eduard kwam boven in de getergde schrijver en hij deelde klappen uit. Van de aan deze bewerking onderworpen heren liepen Jesaja de Vries en Jacob Jacobs naar de politie.

Twee dagen daarna brengt Multatuli een bezoek aan de familie Koning en aan Edu die daar logeert.

Hij vertelt het verhaal in geuren en kleuren. Sietske zit er ook bij. Iedereen lacht, maar Eduard de Jongere lacht niet. Hij spreekt de onsterfelijke tekst: ‘Dek bemoeit zich ook altijd met dingen die hem niet aangaan.’ Het zijn de eigen woorden van Droogstoppel zelf - zie Max Havelaar, tweede hoofdstuk. Had Edu dat boek toen al gelezen en geheel de partij van Droogstoppel getrokken? Misschien, maar misschien ook niet.

Het was niet de eerste keer dat hij zijn papa de les las. Multatuli schijnt zich toen nog met zulke uitspraken van ‘Kleine Max’ te hebben geamuseerd, weinig beseffend hoe vervreemd het kind van hem was. De zeldzame dagen die hij bij zijn gezin doorbracht, speelde hij met zijn kinderen ‘als met gelijken’ en ze tutoyeerden hem en noemden hem bij zijn huisnaam ‘Dek’. Zouden, terwijl Tine hem toch ook altijd weer zijn zin gaf, gelijk gaf, al dan niet na enig tegenstribbelen, zijn kinderen hem op den duur niet ook altijd zijn zin geven, gelijk geven?

De 18de januari 1866 moest hij voor de rechtbank te Amsterdam verschijnen om zich te verantwoorden voor het uitdelen van de klappen in het variététheater. Hij kwam, hoewel hij van plan was op reis te gaan. De zaak werd niet op het aangekondigde uur in behandeling genomen en hij moest wachten. Te lang, vond hij. Dus liet hij de rechters een briefje brengen dat Multatuli geen vrijheid had zo ruw met zijn

[p. 144]



illustratie
De Salon des Variétés van Duport, in de Nes te Amsterdam.

tijd om te springen en hij vertrok naar Duitsland, waar Mimi zich bij hem voegde. Bij verstek werd hij tot vijftien dagen gevangenisstraf veroordeeld en twee maal acht gulden boete.

Een verblijf in de gevangenis schrikte hem op zichzelf niet af, maar hij had belangrijker dingen te doen: zijn kersvers uitgevonden allernieuwste speelsysteem op de proef stellen in Homburg. Het systeem werkte niet. Alweer bleek het vaderland van Richard Wagner aan deze Parsifal de ring der Nibelungen die eindeloze hoeveelheden goudstukken produceren kan, niet te willen afstaan. Geheel platzak vinden hij en Mimi ten slotte een kamer boven een banketbakker te Koblenz. Zelfs zonder geld voor brood, leven ze van oudbakken taartjes.

Eind maart, bij de nadering van een nieuwe huurtermijn, moet Tine met Nonnie bij nacht en ontij uit Brussel vluchten voor haar schuldeisers. Alles wat ze bezit, het speelgoed van de kinderen, kleren, zijn verlovingsbrieven, blijft achter bij de huisbaas Willème. Ze neemt haar intrek op de zolderkamertjes van d'Ablaing van Giessenburg en eet op krediet in de ‘Oude Graaf’ tegenover ‘Polen’.

‘Ach Dek’, schrijft ze hem, ‘mijn knieën knikken zo als ik dat eethuis binnenga.’

D'Ablaing, zeer tot wanhoop gebracht door het uitblijven van nieuwe kopij en zelf trouwens ook door schuldeisers geplaagd, noteert nauwkeurig elke cent die hij voor Tine uitgeeft en berekent huur voor de kamertjes, voor het gebruik van een kachel, enzovoorts. Al eerder heeft hij Multatuli à raison van een appel en een ei het auteursrecht op enkele van diens boeken afhandig gemaakt, Ideën I en II, Over Vrijen Arbeid, en De Bruid daarboven, ‘voor 1/4 of 1/5, ja eigenlijk nog minder van de waarde.’ (Multatuli aan Tine, 18 februari 1865)

D'Ablaing verzint nu een nieuwe manier waarop Multatuli Tine's schulden delgen kan: hij zal moeten meewerken aan een blaadje ‘De Omnibus’, waaraan uitgever d'Ablaing ook zelf weinig bevleugelde bijdragen slijt. Een voddig krantje, vindt Multatuli, bij uitzondering eens niet al te goed en uitgevers gek en hij weigert in te gaan op die chantage.

Helaas is zijn andere uitgever, Van Helden, ook geen kapitalist.

Tine kan zelfs geen postzegel betalen om haar brief aan Stéphanie te frankeren.

[p. 145]



illustratie
Prof. Dr. Joh. van Vloten (1818-1883); theoloog, spinozist, historicus en neerlandicus; schiep een kolossaal oeuvre, waarvan alleen een schotschrift tegen Multatuli, wiens vriend hij aanvankelijk was geweest, enige bekendheid heeft behouden.

Gelukkig heeft Stéphanie haar, eerder, postzegels gestuurd. Maar antwoord van Stéphanie blijft voorlopig uit.

 

Men had weer eens een comité gevormd om geld bijeen te brengen voor de vrouw en kinderen van Multatuli. Professor Van Vloten, Kallenberg van den Bosch, Van der Valk en Busken Huet publiceerden een circulaire die te kennen gaf dat het bijeen te brengen geld niet aan Dekker zou worden uitbetaald, maar uitsluitend aan zijn vrouw en kinderen ten goede komen zou. Eigenlijk staat er in bedekte termen dat Multatuli ontoerekenbaar is op financieel gebied. De actie levert weinig op. Het comité had gevraagd om bijdragen van ƒ25, - à ƒ100, - tot een totaal van ƒ2000, - per jaar. Er blijken in Nederland geen tachtig personen te vinden die jaarlijks ƒ25, - willen missen voor het gezin van hun grootste schrijver.

Tine smeekt links en rechts om hulp, aan prof. Van Vloten, aan Potgieter, makelaar, en dichter van moeilijke vaerzen. Pas eind juni komt er soelaas: Van Vloten en de anderen krijgen wat geld voor haar bijeen en Stéphanie en haar man, prof. Omboni, stellen haar voor bij hen in Milaan te komen met Edu en Nonnie. Stéphanie heeft daar een baantje gevonden voor Tine, bij een vriendin van Stéphanie. ‘O, zeg tegen je vriendin dat niets me te erg zal zijn, als ik maar snel kan beginnen iets te verdienen. Werk vernedert niet, ellende en gebukt gaan onder een last van schulden wel. (...) Mijn God, dat het mogelijk zal zijn je te omhelzen! Ik geloof mijn ogen niet! Ik ben zo zenuwachtig dat mijn pen niet vooruit wil. (...) Ik wil dat Dekker het weet als ik al op reis ben. Oh, hij zal je erkentelijk zijn.’

Nu, dat was Dekker helemaal niet. Ten eerste moet hij in zijn geest de scheiding van zijn gezin aan een geografische limiet hebben gebonden: Brussel betekende geen scheiding, Milaan wel. Hij heeft de hulppogingen van Stéphanie zelden anders dan als duistere machinaties beschouwd, ingegeven door jaloezie en wraakzucht. Stéphanie troggelde zijn gezin van hem af, omdat hij aan Mimi de voorkeur gegeven had boven haar. Het was Stéphanie's bedoeling hem te schande te maken als waardeloze echtgenoot, tegenover het publiek dat hij zo innig verachtte.

Had hij hierin gelijk? Niet alleen op hem, maar ook op zijn kinderen maak-

[p. 146]



illustratie
Everhardus Johannes Potgieter (1808-1875).

ten de reddingspogingen van Stéphanie achteraf een allesbehalve royale indruk.

Was ze alleen maar jaloers op Mimi? Of had ze het gevoel dat ze meer recht op Tine's liefde kon doen gelden dan hij?

De hulp die het Nederlandse comité aan Tine bood, onderging hij als een belediging en dat Tine die hulp accepteerde, vond hij een vorm van verraad. Kon het niet worden uitgelegd als een bewijs dat de mensen die hem voor ontoerekenbaar hielden, gelijk hadden?

Hem, de gezondene, die Nederland en Nederlands-Indië van een bankroet redden zou! Wat bleef er van zijn prestige over als zijn vrouw ondersteund werd door heren die niet aan zijn zending geloofden? Ondersteunden ze z'n vrouw misschien juist om hem belachelijk te maken?

Dat sommige van deze heren zich niet voor z'n gezin uitsloofden (mondjesmaat overigens) omdat ze hem als schrijver zo bewonderden, was ongetwijfeld waar.

Zo werd de kas gehouden door Potgieter. Potgieter, in wiens ogen Multatuli nooit veel anders dan een herrieschopper is geweest.

Toen Kneppelhout, eenmaal veelbelovend student-auteur onder het pseudoniem Klikspaan (Studententypen, 1841), later schatrijk en verdord, weigerde een kleine bijdrage te leveren, omdat hij geen reden zag de vrouw te steunen van ‘iemand die stijl had’, riep Potgieter uit, in een brief aan Busken Huet: ‘Oude Kneppelhout! die niet hieldt wat Gij beloofdet, wees toch niet jaloers van Multatuli; die overleeft zich immers ook al!’

In 1864 al, dacht Potgieter, brave sukkel.

Uit Italië schreef Tine aan Potgieter de ene bedelbrief na de andere. Hij honoreerde haar beden. Het baantje dat Stéphanie voor Tine gevonden had (gezelschapsdame van een uitgaande vrouw) was niets. Een volgend baantje is nog erger: opzichteres op een kostschool. Vijftien uur werken per dag, een paar uur vrij per maand en alles wat er overblijft, na aftrek van kost en inwoning voor haarzelf en Nonnie, is precies 5 franken (3 gulden). De Omboni's schenen weinig tijd voor haar te hebben, want zo'n aanstaande professor in de geologie maakt nu eenmaal veel reizen.

Edu gaat bij een Italiaanse onderwijzer in huis om Italiaans te leren en Nonnie

[p. 147]



illustratie
Conrad Busken Huet (1826-1886).

krijgt vioolles. Geen kwaad woord staat er in Tine's brieven over haar man. Integendeel. Ze beklaagt hem dat hij nu zo ver van zijn gezin is. Ze vraagt Potgieter of hij niet ook iets voor Multatuli kan doen, onder geheimhouding dat zij dit voor hem heeft gevraagd. Ja, haar liefde is engelachtig, onbegrijpelijk engelachtig, zo hoog, puur en volmaakt, dat het wel een wonder zou zijn als Multatuli haar niet was gaan haten - niet met zoveel woorden, maar in vele daden.

Wat had hij anders kunnen doen dan beweren en blijven beweren dat hij haar ten diepste liefhad? Een vrouw die zo engelachtig was? Zoals hij haar terroriseerde met zijn ontrouw, zo terroriseerde zij hem met haar engelachtigheid. Zijn miserabele geldgebrek kwam haar daarbij te hulp: zelfs zijn woede dat zijn vrouw ondersteund werd door een vijand als Potgieter en door heren die in een circulaire hadden laten doorschemeren dat hij ontoerekenbaar was, moest hij verkroppen. Er bestond maar één manier om aan die vernederende toestand een einde te maken: zich met zijn gezin herenigen. Tot wie zich om hulp te wenden? Kallenberg van den Bosch zond (alweer) enig geld, maar natuurlijk niet genoeg - het was tenslotte nooit genoeg.

Hij kwam op het idee toenadering te zoeken tot Busken Huet. Busken Huet was, evenals Potgieter, redacteur van ‘De Gids’, in die tijd het voornaamste literaire maandblad, dat er een gewoonte van maakte Multatuli's ter bespreking ontvangen boeken ongelezen terug te sturen - tijdschriftredacteuren hadden destijds nog goede manieren, maar waren voor boeken die hemelhoog uittorenden boven hun eigen molshoopjes al even allergisch als in later tijden.

 

Conrad Busken Huet (1826-1886), een afvallige dominee van de Waalse Kerk, in de journalistiek gegaan en redacteur geworden van de ‘Opregte Haarlemsche Courant’, is de kampioenoverschrijver van dat tijdperk. Hij wordt nu niet meer gelezen, al schreef hij minder saai en onbenullig dan de meeste van zijn tijdgenoten, doordat hij de Franse criticus Sainte-Beuve imiteerde. In kleine kring ging hij door voor een man die zijn tijd ver vooruit was en tot een jaar of veertig geleden werd op de Nederlandse scholen nog gedoceerd dat hij en zijn vriend Potgieter even belangrijk, zo niet belangrijker en in elk geval veel ernstiger waren dan Multatuli.

[p. 148]



illustratie
Isaac Dignus Fransen van de Putte (1822-1902); werd miljonair als suiker-planter; in 1863 minister van Koloniën in het tweede kabinet-Thorbecke; tegenstander van het Cultuurstelsel.

Huet leefde voorzichtig. Hij introduceerde Multatuli niet in ‘De Gids’, waar hij zelf trouwens uit moest stappen, maar bezorgde hem een baantje als correspondent van de ‘Opregte Haarlemmer’. Het correspondentschap hield in dat de gevierde schrijver van Max Havelaar, Minnebrieven en Ideën voor vijftig gulden per maand anonieme berichtjes ‘Van den Rijn’ mocht sturen. Er een persoonlijke opinie in uitdrukken was ten strengste verboden, het moesten persuittreksels zijn. Multatuli was blij, of deed alsof. Objectief, zoals vereist was, praatte hij Duitse kranten na. Maar hij had geen geld om veel Duitse kranten te lezen en daardoor maken z'n citaten menigmaal de indruk te zijn verzonnen. Dat waren ze dan ook. Ten slotte zoog hij een hele nietbestaande Duitse krant uit zijn duim, de ‘Mainzer Beobachter’, die hij, om zo te zeggen, in zijn eentje volschreef.

 

Een aantal maanden is het een redelijke bron van inkomsten voor hem. Dan, in oktober 1866, halveert de ‘Opregte’ het honorarium. Huet poogt hem te troosten met allerlei plannen, die natuurlijk op niets uitdraaien. Als het erop aankomt, heeft hij niets in te brengen bij de krant, beweert Huet. De uitgevers (fa. Enschedé) zijn de baas.

Goedhartig schrijft Multatuli hem terug, dat het een schandaal is: een zo begaafd man als Huet, kleingehouden door de directie van een Opregte Haarlemmer!

Voor zichzelf ziet hij geen andere uitweg meer dan een sollicitatie te richten tot de nieuw-benoemde gouverneur-generaal, Mijer. Dit is dezelfde Mijer die in de Tweede Kamer bij het debat van 1860 partij getrokken had voor Van Twist. Heel nederig vraagt Multatuli deze Mijer om een baantje, belooft stipte gehoorzaamheid, alles is goed. De verzekering dat hij niet anders dienen kan dan hij gediend heeft in Lebak, laat hij ditmaal achterwege. En toch krijgt hij ook nu geen antwoord. En dus moet hij wel verder gaan, voor half geld, die miserabele persberichtjes uit Duitsland in elkaar te draaien. Het is pijnlijk de maat van zijn vernedering vast te stellen, maar er is geen andere conclusie mogelijk dan deze: op geen enkel gebied had het vaderland hem nodig. Deze man, die toch op zijn minst een opmerkelijk ambtenaar was geweest en soms een verregaande invloed had op de houding van de regering (zie de missive van

[p. 149]



illustratie
Prof. Dr. Johannes Bosscha Sr. (1797-1874); o.a. hoogleraar aan het Atheneum te Amsterdam.

Fransen van de Putte) kon, toen hij weer ambtenaar wilde zijn, niet eens als slaaf worden aangenomen. Deze schrijver die, zoals zijn vrienden hardop zeiden en zijn vijanden in hun hart wisten, de grootste van zijn eeuw zou zijn, werd hoogstens geduld als compilator van Duits krantengebazel. Op zijn opinie over wat er in Duitsland gebeurt - en dat is veel en het is van historische betekenis - wordt in Haarlem geen prijs gesteld en nergens anders trouwens.

 

Pruisen is bezig, onder de ijzeren leiding van Bismarck, zijn macht over de andere Duitse staten uit te breiden. In een korte oorlog werd Oostenrijk verslagen. Hannover, Keur-Hessen, Nassau en Frankfort aan de Main werden geannexeerd.

In Nederland wordt de bange vraag al gesteld wat er zal gebeuren als de Pruisen ook Nederland eens binnenvielen.

De historicus J. Bosscha, professor, Tweede-Kamerlid en ex-minister van Hervormde Eredienst, meent in een brochure het geruststellende antwoord op die vraag te kunnen aandragen: niet voor niets was hij de auteur van het standaardwerk Neêrlands Heldendaden te Land. (1836-1856, 8 dln.)

Pruissen en Nederland heet zijn luxueus uitgevoerde brochure (1866). Wat erin staat doet er niet zo erg veel meer toe.

‘Ik zie kans enige passages uit Bosscha's brochure voor te lezen op een wijze die de zinledigheid geheel en al verbergt. Maar dat kan ik ook doen met verzen die ik voordraag 't achterste-voren’, zegt Multatuli in zijn contra-brochure, die misschien wel het absolute polemische hoogtepunt is in zijn geschriften.

‘Ieder weet dat men, om in Nederland professor of minister te wezen, niet alleen geen genie mag zijn, maar zelfs niet onfatsoenlijk.’

‘Er zijn schrijvers die Pruisens derde koning Frederik de Grote noemen. Die schrijvers kunnen minister of professor geweest zijn, of zoiets worden. Anderen, iets meer ordinair, spreken van de grote Frederik. Zulke mensen zijn hoogstens doctor. Wie van de grote Frits spreekt, kan 't brengen tot hulponderwijzer, als hij overigens goed van gedrag is. Wie “onze Frits” zegt, of “oude Frits” of “Frits” tout court, draagt geen handschoenen, misschien geen kousen en weldra geen hemd.’

[p. 150]



illustratie
Friedrich Anderson, geb. 1870, zoontje van Marie Anderson en Jhr. F.A. Hartsen.

‘Er bestaat geen onvrijer land dan het onze; wij hebben vrijzinnige wetten, maar de zeden maken ze werkeloos.’

‘De politiek is een markt waar niemand meer koopt dan hij geld of krediet bezit.’

‘De politiek is, en moet zijn, uit den aard der zaak: oneerlijk. Of liever, zij kan niet positief eerlijk wezen, wijl het begrip dezer zaak in haar woordenboek onbekend is. Zij is zo min eerlijk als blauw, vochtig of vierkant. Alle publiek recht is oorspronkelijk gebaseerd op onrecht. (...) Dit is even waar als dat alle adel afstamt van gemeen, en alle mensen van onwettig geboren voorouders.’

‘De bekrompenheid waarmee sommige Hollanders zich een Duitser voorstellen als bakker of slachter, heerst in Duitsland omtrent ons in nog hoger mate.’

‘Wij willen ons groot maken, door al wat uitsteekt neer te halen tot onze laagte.’

In krap negentig pagina's waarboven de hooggeleerde Bosscha hier en daar nog als een onwezenlijk stofje ronddwarrelt, gaan de hele Nederlandse natie, de koning, de deftigheid, de literatuur en de vaderlandsliefde over de hekel; het verleden, het heden en de toekomst. Ja, het lijkt of zijn pen aan een geheimzinnige tijdmachine gekoppeld is geweest, of zijn woorden uit 1957 kwamen en niet uit 1867, toen hij schreef:

‘Het is mogelijk en ik geloof zelfs dat een Pruisische inval in Nederland stuiten zou op grote antipathie. Het vooroordeel tegen “moffen” zou waarschijnlijk zeer sterk werken, maar of dit vooroordeel in verzwakte lichamen en doffe gemoederen kracht gieten zou tot gelukkig weerstaan van een macht, zo energisch, zo gesloten, zo gedisciplineerd als de Pruisische, meen ik te mogen betwijfelen. En al ware dit anders, weldra zou ook dat vooroordeel wijken, want ik weet bij eigen ondervinding dat het onmogelijk is de werking der Pruisische staats-machine gade te slaan, zonder daarvoor de eerbied te gevoelen die men aan elke grootse schepping verschuldigd is. Die “moffen” hebben verstand van regeren, dat kan ik verzekeren, en in zekere zin zouden zij in Nederland een zeer gunstig terrein vinden, daar hun 't wedijveren met een bestuurswijze als waarmee wij sedert jaren gestraft zijn, waarlijk niet moeilijk vallen zou.’

Veel beschamends dat tijdens de Duitse bezetting van 1940-1945 heeft plaatsgevonden, zou voor Multatuli weinig verbazing wekkend zijn geweest.

[p. 151]



illustratie
Julius de Geyter (1830-1905); Vlaams dichter en voorvechter van de Vlaamse Beweging. Hij vond Multatuli zenuwachtig en kon zijn gezelschap niet verdragen.

Hij voorspelde dat Pruisen Frankrijk zou aanvallen en drie jaar later brak de Frans-Duitse Oorlog uit.

 

Wie andere negentiende-eeuwse Nederlandse schrijvers leest, zal meestal de indruk krijgen dat de taal uit die tijd niet meer bestaat en dat de nationale eigenaardigheden van Nederland tegenwoordig heel anders zijn.

Multatuli's Een en Ander naar Aanleiding van J. Bosscha's Pruisen en Nederland toont de onjuistheid van deze indrukken. Het Nederlands van zijn Pruisen en Nederland verschilt niet veel van het onze en de toestanden die Multatuli hoont, bestaan groten deels nog precies zo. Dit komt doordat hij een taal schreef die de werkelijke taal was, wat die andere schrijvers in hun beneveling van deftigheid niet konden, en omdat hij de nationale eigenaardigheden gezien heeft zoals ze werkelijk waren, wat die anderen in hun wolken van geleuter niet lukte.

 

De ‘dochters van Insulinde’ had hij in het vaderland moeten achterlaten. Sietske ging naar Indië. Maar sommige kwamen ook naar Duitsland. Zo Marie Anderson, die van hem nooit een kind had willen krijgen, maar naderhand wel van jhr. F.A. Hartsen (1838-1877). Het was een jongetje, Friedrich, roepnaam Riekje, later Frits.

 

Toch gebeurden er in deze allermoeilijkste jaren na het uitdelen van de fameuze klappen aan de Nes nog wel dingen die ervoor zorgden dat hij de moed niet helemaal verloor.

Zijn roem was ook in Vlaanderen doorgedrongen. Met Julius de Geyter raakte hij bevriend. In maart 1867 hield hij niet minder dan drie voordrachten te Antwerpen. De Vlamingen onthaalden hem zoals hem dat nog nooit was overkomen. Niet alleen dat zij per traditie geestdriftiger zijn dan hun noordelijke taalgenoten, ook waren zij, toen meer dan nu, verdrukten en zij herkenden in Multatuli een man die aan de kant van de verdrukten stond. Daar komt bij dat België, dichter gelegen bij Frankrijk, waar de maatschappelijke positie van literatuur en literatoren zoveel gewichtiger was dan in Nederland, van die andere houding de invloed onderging (en nog onder-

[p. 152]

gaat, trouwens). De Vlamingen weten hoe een schrijver te doen gevoelen dat ze zijn boeken met belangstelling gelezen hebben.

Helaas wekte hun geestdrift bij Multatuli ook verwachtingen die alweer niet zouden uitkomen. Kon hij geen rol spelen in de Vlaamse Zaak? Daar een dagblad oprichten? Hij nam het besluit Mimi weg te sturen. Er zou hard gewerkt moeten worden om zich met Tine en de kinderen te herenigen, het Havelaars-gezin in volle glorie te herstellen, dan zich in Vlaanderen vestigen. Mimi vertrok in april 1867 met geld van haar vader wie de scheiding welgevallig was, naar Wenen. Multatuli bleef achter, eenzamer en armer dan ooit. Ook de Vlamingen begonnen hem financieel alweer teleur te stellen. In augustus nam hij toch nog deel aan het Taalcongres te Gent, de reis daarnaartoe betaalde hij met geld waar hij eerst om had moeten vragen.

Maar hij werd ontvangen ‘als een koning’.

Op de avond van de 19de augustus sprak hij voor het Van Crombrugghe-genootschap ‘over het recht om een gevoelen af te keuren’. Juist was hij hiermee klaar, toen enkele Nederlanders, o.a. de professoren Matthijs de Vries en G.W. Vreede enigszins aangeschoten de zaal binnenkwamen: ze hadden rijkelijk gedineerd bij de gouverneur van Oost-Vlaanderen. Uit de geestdrift van het publiek maakte Vreede op dat de wildeman van Lebak alweer Holland en de Hollanders op Java had bezwadderd. Hij liep naar het front van de zaal en verklaarde: ‘Ik ben een eerlijk Hollander en ik wil hier niet zwijgen; ik wil het voor de eer van mijn vaderland opnemen.’

De Vlamingen begrepen niets van deze uitbarsting en maakten aanstalten hem te lynchen. Het kabaal was ongehoord, vrouwen vielen in zwijm.

‘Natuurlijk nam ieder, ook de Hollanders, want de zaak was te gek, mijn partij’, schreef hij op 27 aug. 1867 aan Tine. ‘Zij moesten wel om niet verscheurd te worden. Dáárna kunnen ze 't toch weêr draaien zooals ze willen. (...) Velen wilden hem (Vreede, WFH), terecht, beschermen, en heel eindelijk is 't gelukt hem de deur uit te krijgen. (...) Er werd zóó krachtig partij getrokken, dat elk woord van mij misplaatst zou zijn. Velen maakten mij een compliment over mijn zwijgen och, 't hoefde niet. Maar dat de Hollanders, en ik moet zeggen ook de Belgen, daarna, op volgende congresdagen Vreede behandelden of er niets gebeurd was, heeft mij gegriefd. Ik

[p. 153]



illustratie
Max Rooses (1839-1914); Vlaams criticus en kunsthistoricus.

vind dat ik aanspraak op apologie had gehad. Nu daarvan schijnt geen spraak te zijn. Ieder vindt dat Vreede zich mal heeft aangesteld, maar... 't was tegen mij... en tegen mij zijn alle middelen geoorloofd.’

Het ‘Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad’ van dezelfde datum had een verklaring voor het feit dat de Gentenaren niet lang boos bleven op Vreede: ‘Door deze onbedachte (sic: ondoordachte zal bedoeld zijn, WFH) handeling heeft de heer Vreede één oogenblik de harmonie gestoord, die hij echter Woensdag daaraanvolgende, op de algemeene vergadering, in zijne vurige rede over den onuitroeibaren gemeenschappelijken volksaard in Holland en België trots elke staatkundige scheiding, zoo volkomen herstelde, en waarbij hij zich zoo schitterend rehabiliteerde, dat men, om de eerste misgreep, de laatste juist getroffen punten nog warmer toejuichte.’

Multatuli maakte vele blijvende vrienden, debatteerde tot diep in de nacht, rookte ongetelde sigaren, dronk onvoorstelbare hoeveelheden thee, maar, als gebruikelijk, was de slotsom weer teleurstelling. In oktober berichtte Max Rooses hem dat er van een dagblad toch voorlopig niets kon komen.

En ach, eigenlijk liep hij niet zo warm voor de Vlaamse Zaak. Als de Vlamingen onderdrukt werden door de Franstalige Belgen, moesten ze zich maar weer bij Nederland aansluiten, vond hij. Alleen, dat zou dan weer problemen in Nederland oproepen. Maar als Frankrijk en Nederland België zouden opdelen, zou er een sterk bolwerk tegen Duitsland kunnen worden gevormd, wel een voordeel.

terug  begin  verder