terug  begin  verder
[p. 154]

15

Eind 1867 stond de conservatieve regering-Heemskerk op vallen, omdat de begroting van de minister van Buitenlandse Zaken, Van Zuylen van Nijevelt, was afgestemd.

Een dochter van Rochussen was getrouwd met een neef van Van Zuylen. Multatuli meende een kans te zien toch een rol in de politiek te gaan spelen en schreef een brief aan Rochussen: hij stelt Rochussen niets meer of minder voor dan de conservatieven te redden. En Rochussen gaat erop in. Zeker: Multatuli's plan zal veel goeds kunnen verrichten, als hij de conservatieven steunt oftewel de liberalen bestrijdt. Helemaal geestdriftig wordt Multatuli over dit antwoord niet. Hij vermoedt zich te zullen moeten laten gebruiken. De conditie het cultuurstelsel niet aan te vallen, had men hem al eerder gesteld (was hij dan ooit van plan het cultuurstelsel aan te vallen?) Maar hij heeft geld nodig, voor zichzelf en voor Tine die bloed spuwt. Hij wil naar Den Haag om de zaak met Rochussen te bespreken. Twee obstakels doen zich daarbij voor: a) hij heeft geen geld voor de reis en voor nieuwe kleren, b) hij heeft nog steeds veertien dagen gevangenisstraf te goed voor die klappen in de Nes.

Rochussen stuurt geld. Ook het tweede obstakel gaat Rochussen te lijf: hij zal ervoor zorgen dat Multatuli gratie krijgt.

Multatuli schrijft nu een nieuwe brochure over de vrije-arbeidkwestie. Nog eens: Vrije-Arbeid in Nederlandsch-Indië heet het betoog, dat de conservatieven misschien zal redden en Multatuli tot minister maken... eindelijk. Terwijl hij in z'n eerste Vrije-Arbeid-stuk noch de vrije arbeid, noch het cultuurstelsel probeerde goed te praten, is zijn tweede brochure een pleidooi voor het cultuurstelsel.

Het Cultuurstelsel is niets anders dan: de Javaanse zeden overgezet in staatsbladtermen.’

Hij maakte Huet deelgenoot van zijn plannen. Ook Huet dacht over weggaan, liefst naar Indië. Nou, daar kon Multatuli hem wel bij helpen. Hij introduceerde Huet bij Rochussen. ‘Tovenaar’ noemde Huet hem, na door Multatuli bij Rochussen te zijn aanbevolen.

Het denkbeeld dat Huet naar Indië zal gaan, verwekt een roerende geestdrift in Multatuli.

‘Ach, wat zal uw kereltje gauw maleis spreken!’ schrijft hij hem. Het kereltje was Huet's zoontje Gideon. En: ‘Ook te Batavia hebt gij geen introductie nodig.

[p. 155]



illustratie
Jan Jacob Rochussen (1797-1871).

Anders wil ik V.d.H. (Herman des Amorie van der Hoeven, WFH) schrijven.

Ik wou niet gaarne dat gij in een logement afstapte. Oók om de kosten, maar niet alleen daarom. Men heeft etwas Fingerweisung nodig in den beginne.

Mag ik hem over u schrijven?

Hij is - schoon advokaat, en Bataviaan - een beste, knappe kerel.’ (Keulen, 21 december 1867)

 

In december 1867 keerde Mimi bij hem terug.

De correspondentie met Rochussen levert ondertussen niets concreets voor hem op, behalve zo nu en dan ƒ25, -. Zijn schulden nemen dagelijks toe. Links en rechts wordt om geld gebedeld. Rochussen stuurt een brief met tweehonderd gulden, niet aangetekend. De brief bereikt hem nooit. Multatuli's paranoia barst nu ten volle los. Hij ontwerpt een idioot systeem om de zogenaamde dief te betrappen. Het resultaat is niet minder idioot dan dit systeem. De brief komt niet terecht en de dief wordt niet ontmaskerd. Rochussen, die hem al eerder in zijn leven met op onverklaarbare wijze zoekgeraakt geld geconfronteerd had gezien, heeft moeite zijn wantrouwen te bedwingen, maar stuurt toch opnieuw geld. De besprekingen achter de schermen werpen geen vruchten af. De regering die nog steeds op springen staat, kan niets concreets voor hem doen.

En wat doen ze voor Huet?

Huet's brieven geven geen duidelijk inzicht in wat deze al of niet bereikt heeft via Rochussen.

Eindelijk gebeurt er toch iets: half januari 1868 wordt bekend dat de koning aan E.D. Dekker gratie verleent van de wegens de klappen opgelegde gevangenisstraf en boeten.

Niet meer door arrestatie bedreigd, zal Multatuli zich dus weer in Nederland kunnen vertonen. Op 3 maart 1868 vertrekt hij in een nieuw jasje en een nieuwe broek naar Den Haag. Eigenlijk heeft niemand hem gevraagd het vaderland te komen redden. Natuurlijk neemt hij zijn intrek in een van de beste hotels, de Toelast.

Bespreking met Rochussen.

[p. 156]

‘Och, och, Multatuli en Rochussen!’ jubelt de slimme grijsaard, iedereen voor de gek houdend, behalve zichzelf. - Alsof de eerste maal dat Multatuli zich aan Rochussen vertoonde om iets van hem gedaan te krijgen, niet al drieëntwintig jaar geleden was. Nu in een nieuw jasje en een nieuwe broek, uit Rochussen's eigen zak betaald, en toen in een rijkostuum, bij gebrek aan beter.

 

‘Och, och, Multatuli en Rochussen!’

Waarmee hij bedoelt: wie had gedacht dat ik me zo zou laten kapittelen, denkt Multatuli. (Brief aan Busken Huet, 11 maart 1868)

Hij vindt Rochussen ‘fideel en lief’.

Alsof diezelfde Rochussen niet, nog pas vier jaar geleden, toen d'Ablaing van Giessenburg hem gevraagd had Multatuli te helpen steunen, rustig had geantwoord: ‘Heb ik wel eens getoond de heer Dekker, als hij zich in moeilijke omstandigheden bevond, te hulp te willen komen, daarom moet geenszins het gevolg zijn mij in een zodanig engagement te begeven.’ (26 januari 1865)

Rochussen vond ook nu zijn eisen veel te hoog en schreef al op 9 maart 1868 aan Van Zuylen: ‘Amice! De onderhandeling met D. Dekker loopt niet zoo als ik gehoopt had. Hij is wel bijzonder geniaal en knap, maar ook zeer excentriek en verwaand. Hij denkt dat van hem of van zijne pen alles afhangt. (...)

Jammer dat het zóó loopt. Uw denkbeeld was goed; maar al mijn spreken kon niet baten - Zoo ge hem niet kunt voldoen dan is het zaak dat hij spoedig van hier vertrekt.’

Ze konden hem niet voldoen, maar hij zou nog blijven tot 7 april.

 

Op den duur gaat Multatuli zelfs 's avonds een partijtje schaken met Rochussen.

‘Lieve beste Tine! (...) Hij praat uren lang met mij, en ik kan merken dat hij van mij houdt. Aan z'n welwillendheid is geen twijfel. Maar hij is onwel met de koning, dit heeft hij mij bekend, en daarom kan hij niet op de voorgrond treden.

Toch heeft hij mij een grote dienst gedaan door mij aan graaf van Zuylen voor te stellen, bij wie ik vrije toegang heb. “Dat is wat!” zou je zeggen! Welnu, van Zuylen

[p. 157]

staat op 't vallen, en in de gesprekken die wij voerden, kwam 't eer neer op hulp aan hem dan aan mij. Ook kan v.Z. natuurlijk alleen door Hasselman (Koloniën) werken. En tot nog toe had ik expres Hasselman niet gesproken, want ik vreesde in hem als oud-resident een tegenstander te vinden.’

Die vrees zal wel verstandig geweest zijn, maar toen ze elkaar toch ontmoetten, goot Hasselman er gauw een paar lepels stroop overheen. Hasselman wist hem te paaien door hem te vertellen dat hijzelf eenmaal assistent-resident van Pandeglang was geweest (20 km bij Rangkas Betoeng vandaan).

‘Heb je mijn rapporten niet in het archief van Lebak gevonden?’ riep Hasselman joviaal uit. Want Hasselman, o jé, die had al veel eerder gesnapt wat een Augiasstal het was in Lebak! Van Zuylen onthulde hem later, dat Hasselman wist waarom Brest van Kempen de regent beschermd had: de regent leverde meiden aan Brest van Kempen. Dit had Hasselman verteld aan Van Zuylen.

Multatuli besefte niet, of wou niet beseffen dat Hasselman assistent-resident van Pandeglang was geweest van 1847-1849, toen Brest van Kempen op Madoera zat en dat Hasselman's verhaal over die meiden dus niet op eigen waarneming kon berusten. Multatuli geloofde het allemaal, of het kwam hem niet slecht uit te doen alsof. In zijn fantasie werd Hasselman naderhand zelfs ‘mijn voorganger te Lebak’ en had hij de schandalige onthulling uit de eigen mond van die zogenaamde voorganger vernomen. (o.a. aan Vosmaer, VW, xvi, 519 e.v., en heel uitvoerig aan Roessingh van Iterson, 8 januari '82, Brieven, x, 101 e.v.)

 

Iedereen amuseert zich kostelijk met de merkwaardige man. Zijn condities om het ministerie te steunen zijn: intrekking van zijn ontslag, achterstallig wachtgeld ontvangen, herstel in dienst en dan, zoals hij het zelf uitdrukt: ‘ter beschikking van binnenl. zaken voor de grondwetsverandering, en van buitenl. zaken om te strijden tegen graaf Bismarck.’

Gezellig blijft hij 's avonds op bezoek gaan bij zijn oude ‘vriend’ Rochussen, bij gebrek aan beter misschien, of misschien zich niet bewust dat deze lang geleden zo machtige gouverneur-generaal, die hem ter wille was geweest in de kwestie van het

[p. 158]

Natalse kastekort, sindsdien feitelijk nooit meer een vinger voor hem had uitgestoken, al had hij hem in 1859 met het gezaghebberschap van Sint Maarten willen verblijden. Nu is Rochussen oud en zijn rol in de politiek loopt ten einde. Trouwens, er kan weinig twijfel aan bestaan dat Rochussen Multatuli in zijn hart toch altijd voor een halve gare gehouden heeft.

Evenmin heeft Multatuli in de gaten dat Busken Huet, door hem bij Rochussen geïntroduceerd, wel degelijk bezig is iets te bereiken bij Hasselman, wie er ook ‘op 't vallen’ staan mag.

Huet zwijgt over zijn demarches zo beleidvol, dat Multatuli de toespelingen die Rochussen er nu en dan op maakt, niet begrijpt.

 

Huet, aanvankelijk liberaal, was het cultuurstelsel gaan bewonderen en conservatief geworden. Hij had gesolliciteerd naar het hoofdredacteurschap van de liberale ‘Java-bode’. De sollicitatie slaagde en hij zou van de liberale ‘Java-Bode’ een conservatief blad gaan maken. Zelfs zijn beste vriend Potgieter wist van niets. Huet zat verlegen om drieduizend gulden voor de overtocht naar Indië en zijn installatie aldaar. Hij vroeg er Potgieter om, maar Potgieter had het niet. Wat te doen?

De Indische pers en wat zij schreef was een voorwerp van zorg voor de conservatieve regering. De regering zou daar best een pottekijker kunnen gebruiken, om in de gaten te houden, wat die heren allemaal bekokstoofden. Deze pottekijker werd Conrad Busken Huet - tegen adequate honorering. Het was de fidele Hasselman die dit in orde maakte.

Hasselman omschreef Huet's opdracht nauwkeurig als volgt: ‘... na zich ook in Indië met de journalistiek van nabij te hebben bekend gemaakt, het indisch bestuur te dienen van consideratiën en advies tot breideling van de uitspattingen der drukpers, zonder de vrijheid om zijne gedachten en gevoelens te uiten en openlijk mede te delen meer te belemmeren dan tot verzekering der openbare orde gevorderd wordt.’

Op de kop af ƒ2967,50 kreeg Huet hiervoor.

[p. 159]



illustratie
Jhr. Alphons Nahuijs, die Max Havelaar in het Engels vertaalde, in later jaren met gezin te Buenos Aires.

En omdat de fidele Hasselman nu al zo vreselijk veel gedaan had voor die ene schrijver, Huet, kon hij natuurlijk niet ook nog eens wat gaan doen voor die andere, eentje die bovendien heel veel praatjes had. Die wel niet genoeg zou hebben aan ƒ2967,50, zich had voorgenomen de grondwet te helpen herzien en de strijd tegen Bismarck aan te binden (gedocumenteerd door de ‘Mainzer Beobachter’?) en die eigenlijk nergens voor kon worden gebruikt.

‘De politiek is een markt waar niemand meer koopt dan hij geld of krediet bezit’, - dat wist hij toch al lang? Dat had hij immers zelf gezegd? Maar hij bleef zich illusies maken - want hij was arm.

En van de achter zijn rug bedreven handel had hij geen notie, omdat de fidele vriend Huet over een en ander echt zijn mond niet voorbijpraatte. Heel fideel vroeg de fidele regeringsspion zijn vriend en medestander bij zich te logeren in Bloemendaal. Dat was gezellig, maar bracht geen klaarheid in de verhouding.

 

Juist in die tijd verscheen de Engelse vertaling van Max Havelaar (Edinburgh, 1868), vervaardigd door Jhr. Alphons Nahuijs, zich voor deze gelegenheid noemende ‘baron Nahuÿs’, omdat de Engelsen niet weten wat een jonkheer is. Een eigenaardigheid van dit werkstuk is, dat het gemaakt heet te zijn naar het originele manuscript. Er staat evenwel niet meer in dan in de door Van Lennep gecensureerde eerste Nederlandse druk, behalve dat de eigennamen voluit geschreven zijn.

Nahuijs was een jeugdige bewonderaar van Multatuli. Uitsluitend met het doel Max Havelaar in het Engels te kunnen vertalen, was hij een paar jaar bij de Engelse posterijen gaan werken om de taal goed te leren. Naderhand vestigde hij zich te Buenos Aires, ook alweer om eerlang in staat te zullen zijn Max Havelaar in het Spaans te vertalen. Daar is het niet van gekomen.

Nahuijs' Engelse vertaling werd over het algemeen met geestdrift ontvangen door de Britse critici, niet zonder Brits leedvermaak over de manier waarop het koloniale bewind van een oude concurrent werd uitgekleed in dat boek.

De ‘Daily News’ van 10 februari en de ‘Evening Star’ van 14 februari publiceerden prijzende beschouwingen over Max Havelaar. Tine citeert er hele stukken uit in een

[p. 160]

brief aan haar dierbare Loetjoe. Maar Tine ziet ook een gevaar in deze waardering van Engelse kant:

‘Ik zit op spelden; ik ben bang dat de hollandse regering razend wordt omdat de Engelsen er zoveel ophef van maken en dat dit hem zal schaden. Als ik alles lees wat men over hem zegt, moet ik toch wel zeggen: zijn grote mannen dan altijd gedoemd te lijden? Is hun lot dan altijd ellende en vervolging? Terwijl ik deze brief schrijf, ontvang ik een brief van Dekker; hij is bezig de hele wereld van de aristocraten in beroering te brengen. Hij stelt zijn voorwaarden. Hij schrijft me dat hij niet lang wachten wil. Tegen de minister heeft hij gezegd: “U kunt het doen, of u kunt het laten.” Kortom, het is een zeer ingewikkelde schaakpartij. Je begrijpt dat ik me niet op mijn gemak voel. Maar hij zal niet loslaten. Ze zijn bang van hem. Ik zie uit zijn brief dat hij dezelfde grote man is van enkele jaren geleden en dat zij die dachten dat zijn energie en z'n genie uitgeblust waren, ongelijk hebben gehad (gelukkig).’ Aldus schreef Tine aan Stéphanie op 10 maart 1868. De brief die ze bedoelt moet z'n brief van 6 maart zijn. Daarin staat niets waaruit opgemaakt kan worden dat de ministers bang voor hem waren.

‘Je begrijpt dat de ministers veel eigenliefde en valse schaamte te overwinnen hebben om mij te helpen, en daardoor te erkennen dat ze mij nodig hebben.’ Dat staat er. En er staat in dat hij verkouden is, dat hij een hoed moet kopen en dat hij vreest geld te kort te komen. Waarom Tine er tegenover Stéphanie wat anders van maakt, daarnaar kunnen we natuurlijk gissen. Om eens een voorstel te doen: misschien schaamde ze zich zelfs tegenover Stéphanie voor zijn gebrek aan importantie, waarschijnlijk had ze toen al begrepen dat het weer allemaal op niets zou uitdraaien, en gaf ze bij voorbaat de schuld aan de Engelse pers.

 

Er was ook een Engelse krant die het boek kraakte: saai, vervelend en vol namaakhumor was Max Havelaar.

Juist dat blad lag op tafel bij Van Zuylen, toen Multatuli aan deze bewindsman zijn sensationele gedaante mocht gaan vertonen. Van Zuylen liet hem die krant zien.

Van Zuylen zat niet om zijn steun tegen Bismarck te springen.

[p. 161]



illustratie
Portret van Eduard Douwes Dekker door Wegner en Mottu (1875); op dezelfde dag gemaakt als de op pagina 173 [als tweede] afgebeelde foto.

[p. 162]

Hasselman heeft hem na 27 maart 1868 niet meer ontvangen en bleef doof voor zijn bede om ‘herstel’.

De fidele Rochussen gaf hem zijn portret cadeau.

Na ruim een maand in Holland te zijn geweest, keerde hij op 7 april 1868 naar Keulen en Mimi terug. Alles wat er van hem achterbleef in Den Haag, was een nieuwe hotelschuld, 800 gulden groot.

Tine en de kinderen schreven nog een brief aan Rochussen, om hem te bedanken voor zijn steun.

Op 30 oktober 1859, toen Max Havelaar af was, had hij aan Tine geschreven: ‘Duymaer v.T. zal niet lekker wezen over mijn boek en Rochussen ook niet, dàt verzeker ik je en het is zo dat ze het niet met een praatje kunnen terzij schuiven.’ (VW, x, 77)

Weinig kon hij toen vermoeden dat, acht en een half jaar later, Duymaer van Twist niets anders over dat boek zou hebben gezegd dan dat hij er niet over spreken zou, en dat Rochussen niet alleen het boek, maar ook hemzelf met een praatje (en een plaatje...) terzij zou schuiven.

 

Max Havelaar was geen boek met een enkelvoudige strekking. Het verkondigde niet alleen dat de Javaan mishandeld werd, maar het zei bovendien: ziet hoe het de man vergaat die zich tegen die mishandeling verzet. Zo laf en beroerd zijn de Nederlanders, zo verleugend hun autoriteiten, dat de strijder tegen het onrecht dat ze begaan, de plichtsgetrouwe die hun eigen wetten toepast naar de letter, een berisping krijgt en honger lijdt en met zijn gezin verkommert.

Dit was een stelling als een zwaard zonder gevest helaas. Alle pogingen van Multatuli, jaar in jaar uit volgehouden, om ‘herstel’ te verkrijgen van die verleugende autoriteiten voor hem en zijn gezin, zouden, als ze met succes waren bekroond, het in Max Havelaar betoogde immers logenstraffen en dus snijden in zijn eigen vlees. Daarom moet elke nederlaag die hij tegen de autoriteiten leed, hem toch een soort perverse voldoening hebben verschaft: ieder nieuw onrecht Multatuli aangedaan, bewees de juistheid van wat er in Max Havelaar stond en stelde egoïsme en onbeduidendheid van koning, regering en parlement opnieuw aan de kaak.

[p. 163]

Hij had zich in een schrijverschap begeven dat alleen aan een overwinning kon worden geholpen door de maatschappelijke ondergang van de schrijver zelf.

 

Pas in oktober 1869 maakte de toenmalige minister De Waal bekend op welke condities de regering Huet's reis naar Indië had gesubsidieerd. Het kwam ook ter kennis van Multatuli. Hij staakte de correspondentie met zijn bewonderaar zonder een woord van uitleg en maakte het gevleugelde woord van ene heer Van Eybergen Santhagens tot het zijne: ‘Met Busken Huet wens ik geen andere aanraking te hebben dan door middel van de punt van mijn laars.’ (Aan Vosmaer, 4 april 1886)

Toch begon na de jammerlijke mislukking van de onderhandelingen in Den Haag een der vruchtbaarste perioden in zijn schrijverschap aan te breken.

Hij werkte verder aan zijn enige grote drama Vorstenschool, waaraan hij in 1867 begonnen was, voltooide Nog eens: Vrije Arbeid, schreef Causerieën in het Indische blad ‘De Locomotief’, schreef aan de derde bundel Ideën, die hij ‘'t beste werk dat ik geleverd heb’ noemen zou.

Maar de scheiding van zijn gezin bleef hem zwaar drukken.

In 1866 had hij aan Kallenberg van den Bosch geschreven: ‘Met mijne vrouw ben ik innig verbonden. Ik zoek nog naar beter huwelijk! Ik ben een hartelijk vader, hoe bitter dan ook de omstandigheden mij verwijderden van huis.’

De grootte van deze door de omstandigheden veroorzaakte verwijdering mag niet worden onderschat: lang na z'n dood zou zijn schoondochter uitrekenen dat hij van 1860-1870 geen zeven maal dertig dagen bij zijn gezin was geweest.

terug  begin  verder