terug  begin  verder
[p. 164]

16

Tine schreef op 30 november 1868 aan Potgieter:

‘Reeds lang heb ik geen tijding van Dekker gehad, want als hij iets goeds te zeggen heeft, wacht hij geen minuut 't mij mee te delen. Wanneer zal dat tobben toch eens een einde nemen? Een man zo talentvol en geniaal, dat die gebrek lijdt is toch wat al te erg.’

Dit vonden een dertigtal inwoners van de Friese stad Sneek ook en ze kwamen in oktober 1868 bijeen om zich te beraden wat ze konden doen om Multatuli te steunen. Er werd besloten hem voor te stellen lezingen in het Noorden te houden en de wijnhandelaar Houwink, door Multatuli weldra ‘mijn bankier’ genoemd, vroeg hem te logeren.

Op 7 december 1868 bezat Tine goede berichten van haar man - dacht ze - en ze schreef aan Stéphanie, die alweer op reis was: ‘Weldra zal hij in staat zijn ons bij zich terug te roepen. Hij reist het hele land af voor zijn openbare voordrachten; hij heeft veel succes. Denk niet dat hij versleten is of verloren. Zijn genie is actiever dan ooit. De mensen staan versteld over zijn welsprekendheid en zijn hoge, geniale ideeën. In Friesland wordt hij aanbeden. Ongelukkigerwijs lijdt hij aan keelpijn, waardoor hij soms niet spreken kan. Men noemt hem de grote improvisator. Soms praat hij vier uur zonder van tevoren te weten wat hij zal zeggen en hij behaalt een onmetelijk succes. Dekker heeft me beloofd me alleen te laten komen als hij er zeker van is, dat de kinderen een goede opvoeding kunnen genieten.’

Multatuli was op 6 december 1868 voor het eerst opgetreden in Sneek. Hij las fragmenten voor uit Vorstenschool. Het succes was groot en zijn innemendheid wist aller harten te veroveren, niet in het minst die van de familie Houwink. Hij zette uiteen dat hij tot geen enkele partij kon toetreden: niet tot de conservatieven omdat ze hem niet als de grote saneerder van het cultuurstelsel beschouwden; tot de liberalen ook niet, want al was de liberaal Fransen van de Putte op zijn hand geweest, hij had het niet voorzien op Fransen van de Putte, een ‘ordinaire rijkworder’, die in een paar jaar miljoenen verdiend had in de suiker en een voorstander was van ‘vrije arbeid’. Trouwens, wat was er nodig? Alleen een partij die zou opkomen voor ‘de rechtvaardigheid’: een derde partij, zijn eigen partij.

[p. 165]

Andere lezingen volgden. Het geld had hij broodnodig om zijn hotelschuld in Den Haag en nog het een en ander af te betalen. Toch gaf hij in Winschoten zijn hele honorarium, ƒ45, -, aan de joodse armen, toen hem was gebleken dat men joden verhinderd had zijn lezing bij te wonen. De vriendschap met Houwink wordt zeer innig, de correspondentie druk. Hij vraagt Houwink ƒ5000, - te leen, om Tine en de kinderen uit Italië te kunnen laten terugkeren. Dan zal hij in staat zijn rustig te werken en zijn Ideën in eigen beheer uit te geven, wat, zegt hij, veel voordeliger voor hem zijn zal. In minder dan geen tijd zal hij de lening kunnen aflossen. Maar Houwink gaat er niet op in. Wel stuurt hij ƒ250, - reisgeld voor Tine.

 

Het is waarschijnlijk riskant uit de brieven van Tine, die zich zeer diplomatiek wist uit te drukken, haar ware gevoelens af te leiden. Was ze gelukkig met het denkbeeld naar haar genie terug te gaan? ‘Wat zou ik het heerlijk vinden’, schreef ze in de al aangehaalde brief van 7 december 1868 aan Stéphanie, ‘een dag met jou in Napels te zijn, in dat zachte klimaat. O, wat mij betreft, ik zal Italië met heel wat spijt verlaten en als het geluk me goedgezind is, zal ik terugkomen.’

Op 11 februari 1869 is haar toon in een brief aan Multatuli ronduit geestdriftig: ‘Beste, beste Dek, ik heb je heerlijke brief met telegram heden ontvangen. Dat ik in verrukking ben, zult ge wel kunnen begrijpen. Ik schrijf over niets, want mijn hoofd loopt om. (...) Ik vind je brief heerlijk. Ik had de tranen in de ogen onder 't lezen. Ik zal alles doen om mij zo kalm mogelijk te houden.’ Multatuli stuurt deze brief aan Houwink, die hem bewaart - zo wordt dit een van de weinige brieven van Tine aan haar man, die bewaard gebleven zijn. Meer geld zendt Houwink niet. Hij had de ƒ250, - vergezeld doen gaan van een zeer fraai uitgevoerd schrijfplankje. Een stille aanwijzing waar de auteur de rest vandaan moest halen?

Tine had ondertussen op 3 februari 1869 aan Stéphanie deze bekentenis gedaan:

‘Mijn dierbare, je zal begrijpen dat ik geen gebrek heb aan emoties. Het doet me verdriet je te verlaten; zoals je in je laatste brief hebt gezegd, zelfs de beide echtgenoten ten spijt zullen we elkaar terugzien. (...) Mijn lieve Loetjoe, mijn hart is te vol; waarom zeg ik niet, maar jij zal alles voelen wat ik onderga. Zeg me, kleintje, wat ik

[p. 166]

moet doen met de meubelen en alles wat je me hebt geleend? Moeten ze naar je huis teruggestuurd worden?

Je laatste brief, zo vol hartelijkheid, heeft me zeer verheugd; wij begrijpen elkaar en dat is het geheim waardoor we altijd van elkaar houden. O, het spijt me het mooie Italië te verlaten, dat schone klimaat, maar vandaag of morgen zal ik er terugkomen.

Arme Eduard, hij moet Milaan verlaten op een moment waarop hij zo goed was begonnen te studeren. Iedereen was tevreden over hem. Nu ja, we beginnen een ander leven. Dekker heeft al het mogelijke gedaan dat we in Den Haag kunnen zijn. Het huis is buiten de poort. Een mooi uitzicht, zonder buren.’

 

Dit wilde zeggen: overburen waren er niet, maar toch wel buren, zoals de vermaarde schilder van kerkinterieurs Bosboom.

En toen Tine met haar kinderen aan het station in Den Haag arriveerde, werden ze daar, behalve door hun man en vader, ook opgewacht door Mimi.

Het huis aan de Zuidwestbinnensingel 18, waar zij hun intrek namen, was gehuurd en ingericht met ƒ5000, - die Mimi van haar grootouders had geërfd. Beneden tochtte het zo, dat ze de parterre maar niet gebruikten.

Ook Mimi had een kamer in dat huis.

Zijn redenen het gezin over te laten komen en aan dit driehoeksexperiment te onderwerpen, zullen altijd wel wat raadselachtig blijven. Deed hij het om Stéphanie, Potgieter en al die anderen te bewijzen dat hijzelf mans genoeg was om voor zijn gezin te zorgen?

Deed hij het, zoals veel vijanden beweerd hebben, om voor de buitenwereld een fatsoenlijke façade van degelijk huisvader op te bouwen? Maar er werd toch nauwelijks een geheim van gemaakt dat Mimi bij ze inwoonde.

Kort na hun aankomst in Den Haag, mocht Edu een paar weken bij Houwink gaan logeren.

Het was een prettige belevenis voor hem, al had de vijftienjarige zijn vader moeten beloven geen borreltjes te drinken en geen sigaren te roken, want dat ‘bederft het denkvermogen’. Aldus werd Houwink bericht, ‘niet om Edu te controleren’.

[p. 167]

(Maar in elk geval wist Houwink waar hij de jonge guit niet op tracteren moest.)

Eigenlijk zou Edu maar een week daar gebleven zijn en z'n langer wegblijven valt de vader hard, omdat Edu een ‘vrolijke, gezellige jongen is’.

Naderhand stuurden de Friezen nog een kistje eieren en twee hazen. Daarbij bleef het. De oprichting van de ‘derde partij’ die de rechtvaardigheid in haar vaandel zou voeren, ging ook niet door.

 

Potgieter schreef op 11 maart 1869 aan Busken Huet te Batavia:

‘Ik droeg Bosboom op eens een onderzoek te doen naar zijn buurtjes Douwes Dekker, zie hier wat hij mij er gister over schreef.

‘Het huis, nu door hen betrokken, wisselde gedurig (in de laatste tijd) af van bewoners, stond een geruime tijd leeg, heeft enorme gebreken en toen ik omstreeks Nieuwjaar hoorde, dat het eindelijk weer bewoners zou krijgen, iemand wiens vrouw uit het Buitenland werd verwacht, toen dacht ik aan dat soort van apocriefe huurders die gewoonlijk huisjes of kamers betrekken, waar anderen voor bedanken. Wel had ik in het voorbijgaan opgemerkt, dat het weer bewoond was, maar verder was 't mij ontgaan, tot mij gister inviel “dien Heer wiens vrouw” enz., en een ogenblik later passeerden een paar Heren met twee kinderen bij zich - het meisje met ongemeen lange blonde haren. Geertrui (de destijds beroemde romanschrijfster Bosboom-Toussaint, WFH) zei: “Zou dat D.D. kunnen zijn, die heb ik reeds meermalen hier langs zien komen.” “Jawel”, was mijn antwoord, “dat is hij, straks ga ik zien of dat huis No 18 is.” En niet alleen dat is het, maar zijn naam, geplakt op een velletje postpapier vond ik met vier ouwels gehecht tegen de glasruiten.’

‘Helaas’, vervolgt Potgieter, ‘dat het volgende er in de brief bij voorkomt.’ ‘Ik liep even buiten om te onderzoeken of ik Geertrui zou moeten aan of afraden een luchtje te scheppen, daar passeert een ander onzer buren maar dichter nog bij D.D. wonend. Ik vraag hem wat doet hij, waar leeft hij van? en hij repliceert: “zover ik weet van de opbrengst zijner lezingen, en verder denk ik van het geld van Mej. Sch-(Mimi) die sints Nieuwe Jaar bij hem woont. Zijne vrouw is eerst later gearriveerd, “een raar huishoudentje”.’

[p. 168]

‘Arme vrouw! Arme kinderen!’ commentarieert Potgieter.

Maar Busken Huet draagt enige troost bij uit Batavia:

‘... een woord over Mevr. D.D. Hetgeen gij mij omtrent haar schrijft en uit een brief van Bosboom mededeelt, heeft mij slechts in één opzicht (het samenwonen met Mimi) niet verrast. Dat zij voornemens was, Milaan te verlaten en naar 's Hage te komen, bevroedde ik in het geheel niet; doch dat zij, eenmaal weer met D. verenigd, de zonderlingste konditiën accepteren zou, dat had ik, sedert mijn komst in Indië, desnoods durven voorspellen. De Chronique Scandaleuse toch is hier omtrent haar nauwlijks bescheidener dan omtrent hem; en reeds vóór haar man assistent-resident van Lebak werd, en hij nog secretaris of controleur (te Menado, geloof ik), was, gingen zij “elk huns weegs”. Men verhaalt van een assistent-resident, in wiens plaats mijnheer D.D. een tournee in de omtrek ging maken, terwijl mevrouw, met zijn medeweten en goedvinden, ja op zijn aansporing, maar dan ook tevens geheel en al in overeenstemming met haar eigen wensen, bij de thuisblijvende assistent-resident haren intrek nam. Eerst sedert ik van verschillende zijden met dat verhaal bekend geworden ben, is mij omtrent de ware verhouding van dat echtpaar enig licht opgegaan. Zij hebben namelijk elkander niets te verwijten, en Tine heeft zich even weinig om Max bekommerd als Max om Tine. En waarom zou Tine dan thans bezwaar hebben tegen de samenwoning met Mimi?’ (Busken Huet aan Potgieter, Batavia 19 april 1869)

Het ‘rare huishoudentje’ liet zich in het begin nogal idyllisch aanzien, mogen we de brieven van Tine geloven (maar dat mogen we, geloof ik, lang niet altijd).

De kinderen hebben propere kamertjes, ze gaan nu geregeld naar school en zijn trots als ze in hun eentje door Den Haag wandelen, vertelt ze Stéphanie.

Maar er bestaat een brief van Multatuli de dato 20 oktober 1869 aan Houwink, waarin hij erop wijst dat hij ‘nog geen cent heeft kunnen besteden voor Eduard's studieën’.

Verscheidene kennissen van Multatuli waren er nu achter gekomen dat de ‘Mainzer Beobachter’ niet echt bestond. Ook Marie Anderson wist het. Ze verklapte het aan haar minnaar jhr. Hartsen en via deze kwam het terecht bij de heren Enschedé,

[p. 169]

de eigenaars van de ‘Opregte Haarlemsche Courant’. O, wat vonden deze heren Multatuli's grapje ongepast, liederlijk en onopregt! Althans, ze beëindigden zijn medewerking aan hun drukwerk terstond, beweerde Marie Anderson.

Dit is (zie E. Francken, Een correspondent neemt ontslag in ‘Over Multatuli 2’) niet geheel waar gebleken. Ze lieten hem nog een tijdje voortmodderen met die stukjes, maar van lieverlee werden ze niet meer geplaatst en dus staakte hij zijn medewerking maar.

Het erfenisje van Mimi is spoedig op. Er moeten middelen worden gevonden aan geld te komen. Een nieuw roulettesysteem wordt uitgedacht. Multatuli koopt een roulette voor huiskamergebruik en uren achtereen wordt er geoefend. Edu moet dienst doen als croupier.

Entre nous’, schrijft Tine op 20 april 1869 aan Stéphanie, ‘ik zou Milaan niet hebben moeten verlaten. Povere me! Maar wat wil je? Dekker heeft lezingen gehouden zonder resultaat; het seizoen is al te ver heen voor die dingen. Hij schrijft in twee kranten, maar dat is niet voldoende. Gelukkig verliest hij de moed niet en zijn wil te slagen is groot. Er is sprake van, hem een professoraat te Delft te geven. Enfin, geduld en nog eens geduld, tot in het oneindige. (...) Edu is even groot als Dekker, maar heel wat sterker; hij pakt zijn vader op als een poppetje en draagt hem de kamer rond. Hij is een kwajongen, hij weet hem uitstekend te beïnvloeden. Edu is altijd dezelfde, vrolijk en zonder zorgen; zijn vader is in extase over zijn ondernemende karakter en zijn natuurlijke intelligentie.’

Zou het zo geweest zijn? Later vertelde Edu dat er de verschrikkelijkste tonelen plaatsgrepen. Om zijn vader te laten geloven dat het speelsysteem een goudmijn was, liet de jeugdige croupier, door vals te spelen, hem zoveel mogelijk winnen. En toch kwam het voor dat vader en zoon op de vuist gingen, waarbij, zoals het citaat uit Tine's brief aannemelijk maakt, de kleine tengere vader het onderspit moest delven. Ware de toestand zo idyllisch geweest als in die brief beschreven, schiep zelfs Mimi's aanwezigheid geen verwikkelingen, kon Edu heel goed met Mimi opschieten, terwijl Nonnie van haar hield, vanwaar dan toch deze zwaarmoedige mededelingen van Tine aan Stéphanie:

[p. 170]



illustratie
Huis Zuidwestbinnensingel 18 (thans Buitenom 156) te Den Haag, waar Multatuli van februari 1869 tot april 1870 met Tine, Mimi, en de kinderen woonde. (Foto WFH 1986)

‘Luister mijn lieveling, ik weet niet wanneer en hoe, maar dat het tijdstip komt waarop wij elkaar terugzien, is vast en zeker. Ik voel het en mijn voorgevoel bedriegt mij nooit. Terwijl ik je schrijf, schiet mijn gemoed vol. Wat zou ik het heerlijk vinden in je slaapkamer te zijn waar we het zo goed hadden! Hoe goed zie ik je aan je werktafeltje en het balkon met de bloemen. Loetje, liefste Loetjoe, wat heb je me dikwijls getroost! Ik weet het, op dit ogenblik heb ik moeite mijn tranen in te houden, bij jou zou mijn schreien in lachen overgaan. Het bewijs dat onze vriendschap de ware is, bestaat hierin dat we elkaar kunnen begrijpen. Denk dikwijls aan mij; je kunt er zeker van zijn dat onze gedachten bij elkaar komen. Je zult me zeggen dat ik zo weinig schrijf. Ja, dat is waar maar de gelegenheid ontbreekt me dikwijls, en als ik in gedachten heel dicht bij je ben geweest, kan ik niet meer schrijven, dan ben ik te vol van aandoeningen.’

 

Schrijven kon hij waarschijnlijk ook niet goed, in een huis zo vol gezinsleden. En wat hij schreef, ontmoette het botste onbegrip.

De redactie van ‘De Locomotief’ had bedongen dat hij in zijn Causerieën de minister van Koloniën, De Waal, niet zou aanvallen. Natuurlijk kon hij dat niet laten, maar zelfs de meest verborgen toespelingen op minister De Waal, de aangetrouwde neef die al sedert 1841 zijn vijand was geweest, ontgingen niet aan het argusoog van zijn bedillers en werden geschrapt. Ten slotte maakte hij het te bont en de redactie van ‘De Locomotief’ liet hele stukken ongeplaatst. Toen kwam hij niet meer tot het sturen van nieuwe kopij en zo droogde ook deze bron van inkomsten op. 15 februari 1870 verscheen de laatste Causerie in ‘De Locomotief’.

 

Omboni werd hoogleraar te Padua en betrok daar een zeer groot huis, voor weinig geld gekocht.

Uit een brief d.d. 24 december 1869 van Tine aan Stéphanie:

‘Meer en meer verafschuw ik de Hollanders en het land. (...) De kinderen hebben ook heimwee naar Milaan. Dekker weet het, maar hij is er niet door gevleid. Toch zou hij als het geld niet ontbrak de eerste zijn om ons toe te staan onze wens te

[p. 171]



illustratie
Het ‘paleisje’ (inderdaad!) van Stéphanie in Padua, thans via Vimesse 2, in een grote ommuurde tuin gelegen. De oude ingang, via del Torresino 3, is dichtgegroeid. (Foto WFH)

bevredigen. (...) Als je me een beetje wilt opbeuren, schrijf me heel dikwijls. Zelfs Dekker heeft me gevraagd, je om een plattegrond van je huis te verzoeken, van je paleisje.

Dat is het enige wat me goed doet. Schrijf me over je huis in Padua. Lieveling, het zou voor ons allen zeer gelukkig zijn als ik naar Italië kon terugkeren, maar dat denkbeeld kwetst Dekker; waarom ik hem moet sparen als ik over Italië praat.

Eduard is niet meer zo vrolijk. Ook hij snakt ernaar Fasola terug te zien, ook hij verafschuwt Holland. Als we met z'n drietjes zijn, praten we steeds over Milaan. (...) Nonnie is geweldig opgegroeid; ze is even groot als ik. Ze is het verwende kind van Dekker. Ze is zo verstandig. Ze is een lief kind. Edu is een innemende jongen, maar hij zou in Milaan moeten zijn; hij heeft hier niets, zelfs niet de gelegenheid zijn studie voort te zetten. Hij studeert thuis, hij ontwikkelt zich, maar hij zou degelijker onderwijs moeten hebben. Wat mij betreft, ik zou Milaan nooit hebben moeten verlaten. Edu was zo goed op weg.’

Een maand later smeekt Tine haar vriendin Stéphanie en haar man om een grote gunst: de middelen naar Italië terug te keren. Edu, nu zestien jaar oud, voegt eveneens in het Frans, een woordje toe aan deze brief:

‘O Stéphanie en u ook meneer Omboni, als u ons de gelegenheid zou geven naar Italië terug te keren, zou ik u daarvoor mijn hele leven erkentelijk zijn en mijn moeder en Non ook, zekerlijk.

In de hoop dat u onze bede vervult, zal ik altijd uw toegewijde vriend zijn, Edouard.’

 

Onder alle zorg die de polygamie met zich meesleepte, ging de zin voor het grootse gebaar niet verloren in de hervormer.

De ongeveer vijftigjarige Jacob de Vletter, aanvankelijk onderwijzer, later rechtskundig adviseur, had actie gevoerd voor de oprichting van zwembaden te Rotterdam, die daar toen niet waren. Ondertussen had hij mensen die, tot ontsteltenis van de omwonenden, in de singels zwommen, met allerlei juridische listen verdedigd. Hij werd dus door de politie zeer gehaat en toen in 1868, wegens deze en andere kwesties waar hij zich mee had bemoeid, er een oproer uitbrak in Rotterdam, dat

[p. 172]



illustratie
Jacob de Vletter (ca. 1818-1871); Rotterdams agitator.

met behulp van militairen onderdrukt moest worden, veroordeelde men Jacob de Vletter tot de barbaarse straf van niet minder dan tien jaar tuchthuis. (Hij werd enkele jaren later, doodziek, uit Leeuwarden ontslagen en stierf kort daarop.)

Multatuli stelde zich niet tevreden met een overigens vruchteloze verdediging van De Vletter op papier. Nee, ook nam hij diens vrouw en haar vier kinderen bij zich in huis, beraamde middelen om De Vletter illegaal uit de gevangenis te bevrijden. Volgens Meerkerk heeft hij zelfs met een officier van gedachten gewisseld over een staatsgreep...

Maar ondertussen was het zijn eigen zoon Edu, die op zijn beurt een staatsgreep voorbereidde. Reisgeld door Stéphanie aan Tine gestuurd, ging in de financiële gezinschaos verloren. Toen wist Edu, zonder er iemand iets van te vertellen, tweehonderd vijftig gulden van Jacques Hotz te krijgen, waarmee hij reisbiljetten naar Italië kocht.

Mimi had een Duitse vertaling van Max Havelaar vervaardigd, een karwei waarvoor zij vast en zeker de benodigde kennis niet bezeten heeft. Toch reisde zij met Multatuli naar Duitsland om haar werkstuk aan de man te brengen. Aangezien geen enkele uitgever in een oogopslag kan beslissen of hij een vertaling accepteert of niet, is het vreemd dat ze deze kostbare reis ondernamen, wanneer men niet zo kwaadaardig is te veronderstellen, dat het voornaamste doel de speelbank van Homburg is geweest. Toch kwamen ze daar terecht, speelden en verloren.

Op de terugtocht waren ze blijven steken in Mainz, toen daar op een nacht een Rijnboot aanlegde met Tine, Edu en Nonnie aan boord, op weg naar Italië. Tine wilde haar man nog een laatste groet brengen, maar Edu sloot haar op in de hut, bang dat zij onder zijn invloed weer berouw zou krijgen.

Te Padua, waar Omboni professor was geworden, kregen Tine en haar kinderen een appartement van drie kamers en een keuken in Stéphanie's ‘paleisje’. Tine zou proberen met het geven van Franse en Engelse lessen iets te verdienen, want klaarblijkelijk was Stéphanie niet royaal of niet rijk genoeg (beide veronderstellingen zijn in de literatuur gemaakt) om ze alle drie te onderhouden. Naar gegevens mij door de Universiteit van Padua verstrekt, was Omboni daar in 1869 benoemd tot buiten-

[p. 173]



illustratie



illustratie
Twee portretten door Wegner en Mottu, 1875.

gewoon hoogleraar, op een jaarsalaris van 2400 lire (± 1200 toenmalige guldens).

Nonnie mocht naar school, maar Edu moest uit werken voor de kost.

De relatie met Potgieter wordt weer aangeknoopt en Potgieter stuurt kleine sommetjes geld, als vroeger.

Ofschoon aan de ‘hel van het huwelijk met z'n drieën’ ontsnapt, is Tine's leven toch niet vrolijk. Ze wordt oud en haar gezondheid laat steeds meer te wensen over. Mogelijkheden voor een vrouw haar eigen levensonderhoud te verdienen, bestonden er in die tijd bijna niet. En wat kon ze, trouwens? Frans kende ze gebrekkig, diploma's bezat ze niet (Engelse taalproeven van haar hand zijn niet overgeleverd). Ze dacht er wel eens over zelf ook te gaan schrijven. ‘O’, bekende ze Stéphanie, ‘als ik jouw schrijftalent had, zou ik me al lang op die weg begeven hebben. Dan zou ik nu een schrijfster zijn. Maar dat talent heb ik niet en ik ben bijgevolg een grote nul.’ (Padua, 3 november 1871; kort na Tine's aankomst waren de Omboni's weer voor lange tijd op reis gegaan.)

 

Op Multatuli had de beëindiging van de ‘ménage à trois’ een merkwaardige invloed.

De rol van bedroefde, bedrogen en verlaten huisvader die hij voor de buitenwereld speelde, bleef hij trouw tot het bittere eind.

Het vertrek van Tine en de kinderen had hem voorgoed ‘geknakt’.

De loer die Eduard hem had gedraaid, was een ware ‘coup de jarnac’. (Zo genoemd naar Jarnac, die in de zestiende eeuw een tegenstander versloeg door hem de kniepees door te hakken.)

Maar zijn literaire werklust liet niets te wensen over.

Zelfs de kelner die hem z'n ochtendkoffie serveerde, werd getroffen door z'n opgewektheid. ‘Ik ben in jaren niet zo fier geweest en kalm’, bericht hij Mimi, die naar Den Haag is om schoon schip te maken.

terug  begin  verder