terug  begin  verder
[p. 178]

18

Kort voor Douwes Dekker op 3 april 1857 uit Soerabaja naar Europa vertrok om Koningin Victoria, Keizer Napoleon iii en Keizerin Eugénie eens te aanschouwen, heeft hij kennis gemaakt met Sicco Roorda van Eysinga, die hem levenslang zou blijven bewonderen.

Roorda was een man die wat levenslot en rebelse levenshouding aangaat, een zekere overeenkomst met Multatuli vertoonde, maar zijn literaire talent was veel geringer. In 1870 begon een lange correspondentie tussen Multatuli en Roorda die in Brussel woonde, net als hij min of meer een balling.

Geboren in 1825 was Roorda in 1844 als genie-officier naar Indië gegaan en had er voorts gewerkt als ingenieur bij de spoorwegen, maar was in conflict geraakt over de loop van een bepaald spoorwegtracé.

Zijn opvatting in dit meningsverschil was de juiste; maar de commissie waar hij deel van uitmaakte, werd opgeheven, zodat Roorda eigenlijk geen functie meer had. Hij nam zijn intrek in het buitenverblijf van de Soesoehoenan (keizer) van Solo (= Surakarta). Daar kwam hem ter ore, dat een rijke landhuurder, Dorrepaal (geen verzonnen naam), de arme weduwe Van Zanten plunderde. Roorda, als Multatuli beschikkend over een scherpe pen en een scherpe tong en de bereidheid daarmee de verdrukte te hulp te komen, hield een sarcastische rede op een diner van zijn vriend, de resident Nieuwenhuyzen, waarin hij het Nederlandse bestuur van Indië hoonde en de landhuurders van omkoping en huichelarij beschuldigde. Dorrepaal en diens makker d'Abo zaten mee aan. Op 25 juni 1864 verscheen in de Java-Bode een anoniem artikel ‘Solo en de Resident Nieuwenhuyzen’ dat grote overeenkomst vertoonde met Roorda's tafelrede. Het was dan ook van Roorda.

Enige saillante passages hieruit:

‘Wij hadden door de trouwe hulp van de Keizer van Solo, Pakoe Bowono vi, met goed gevolg een oorlog tegen Diepo Negoro (de Java-oorlog, 1825-1830, WFH) ten einde gebracht, waardoor onze met ondergang bedreigde heerschappij was gered. Wij hadden onze redder, als vergelding voor zijn trouw, een onvergetelijk bewijs van dankbaarheid gegeven, door hem zijn schoonste landen te ontnemen, alleen om zoveel meer Inlanders onder onze zegenrijke vaderzorg te verenigen. (...) Wij had-

[p. 179]



illustratie
Sicco Ernest Willem Roorda van Eysinga (1825-1887); een door Mimi vervaardigde bloemlezing uit de correspondentie tussen Roorda en Multatuli verscheen in 1907 bij W. Versluys, Amsterdam.

den onze redder, die inlichtingen vroeg omtrent die Europese dankbaarheid, voor muiter uitgekreten, voor verbijsterd van zinnen doen verklaren en hem “ter wille van de rust op Java” verbannen naar Ambon, waar hij wegkwijnde en stierf.’

 

Een gedicht De Laatste Dag der Hollanders op Java, anders genaamd Sentot's Vloekzang (zie Max Havelaar, opheldering(5)) had Roorda geschreven in 1860, kort nadat hij Max Havelaar gelezen had. (Roorda aan Multatuli, 15 jan. 1871) Hij had het niet gepubliceerd, maar het deed de ronde in manuscript.

Dorrepaal en andere vijanden wisten te bewerken dat Roorda oneervol ontslagen werd en verbannen uit Nederlands-Indië. Naar Nederland teruggekeerd, schreef hij brochure na brochure, werd niet in zijn rechten hersteld, vertrok naar Brussel, later naar Zwitserland, en leefde voortaan van journalistieke arbeid. Roorda was zeer vruchtbaar. Hij had een praktische en zuinige vrouw, hij leed geen honger, maar als Multatuli zijn ‘vloekzang’ niet in Max Havelaar zou hebben opgenomen, zou Roorda nu totaal vergeten zijn, schreef zijn biograaf Reitsma. Roorda bewonderde Multatuli mateloos en zij bleven vrienden tot zij in hetzelfde jaar stierven. Hun (niet volledig) gepubliceerde correspondentie vult een dik boekdeel.

 

Nog belangrijker was de vriendschap met de uitgever Funke, die in 1870 aanving. In Funke vond Multatuli eindelijk het soort uitgever waar hij recht op had.

Hoeveel anders zou zijn leven misschien verlopen zijn, had hij zo'n uitgever tien jaar eerder kunnen vinden. Funke, een man die het ‘genre boekverkoper niet veredelt’, denkt Potgieter. (Brief aan Huet, 8 augustus 1872) Funke bezat niet alleen genoeg bedrijfskapitaal (hij was de oprichter van het florerende dagblad Het Nieuws van den Dag), maar ook een grote persoonlijke belangstelling voor Multatuli. Een belangeloze belangstelling voor een deel, wat blijkt uit de zorgvuldigheid waarmee hij de manuscripten van de schrijver las en de uitvoerige brieven die hij hem schreef, de royale manier waarop hij hem betaalde, de vriendschap waarmee hij hem raad gaf in zijn moeilijkheden. Juist door niet krenterig te zijn, was Funke ook de uitgever die het meeste materiële voordeel uit Multatuli's schrijverschap wist te trekken. De

[p. 180]



illustratie
George Lodewijk Funke (1836-1885); Multatuli's voornaamste uitgever; een bloemlezing uit hun briefwisseling werd in 1947 gepubliceerd door Funke's kleinzoon Dr. G.L. Funke.

rechten die Multatuli aan kleine zogenaamd idealistische scharrelaars als d'Ablaing van Giessenburg en Van Helden had verkwist, werden door Funke geleidelijk opgekocht. Nieuwe, aantrekkelijk uitgevoerde herdrukken kwamen in de handel, meestal door Multatuli herzien en uitgebreid met noten, zo onder andere de eerste niet-gecensureerde uitgave van Max Havelaar. De verkoop steeg natuurlijk.

Waren de oude schulden er niet geweest, dan zou Multatuli zich bijna een rijk man hebben kunnen voelen. Nog eens: Vrije Arbeid, Specialiteiten, Brief aan de Koning, Vorstenschool, Millioenenstudiën, Ideën iv en Ideën V werden in deze jaren gedrukt.

 

Onder invloed van Funke werd Multatuli soms haast een ander mens, praktischer, redelijker, minder vernederd en daardoor minder wanhopig. Het geld dat hij van Funke kreeg, had hij verdiend, hij was als schrijver dan toch iets waard. Maar Funke - de man moet een geniale psychologische intuïtie bezeten hebben - zorgde ervoor dat een gedeelte van dat eerlijk verdiende honorarium de gedaante van een schenking kreeg. Zoals er wel uitgevers zijn die hun dichters gedeeltelijk in jenever uitbetalen, zo betaalde Funke zijn pathologische bedelaar gedeeltelijk in de vorm van aalmoezen. Dit stelde Multatuli buitengewoon op prijs. Eindelijk iemand die van hem hield...

Toch was het nooit genoeg, noch financieel, noch moreel. Ook nu zou hij blijven zeggen: ‘Ik ben geen schrijver. - Schrijven is erger dan hoererij.’ (Vandaar dat hij wel giften wilde ontvangen, maar zo ongaarne geld met schrijven verdiende?)

Het ligt natuurlijk voor de hand dergelijke uitlatingen van iemand die, blijkens zijn doorgaans vernietigend oordeel over andere auteurs, dat door het oordeel van de geschiedenis volledig onderschreven is, heel goed besefte de grootste schrijver van zijn tijd te zijn, te beschouwen als een koketterie, als een uitnodiging tot de repliek: ‘Och kom, meneer, dat kunt u niet menen!’

Maar het was geen koketterie. Het was, hoe vreemd het ook mag klinken, de waarheid.

In vergelijking met Dickens of Victor Hugo, wier vorstelijke inkomens hij wel eens mismoedig met het zijne vergeleek, was hij inderdaad geen schrijver. Niet

[p. 181]

alleen omdat zij zoveel meer verdienden, maar ook omdat Multatuli de gave van Dickens of Victor Hugo: ononderbroken, doelbewust te produceren, totaal miste. Hij kwam alleen tot schrijven bij vlagen, was niet in staat een lijvige roman te bedenken en die vervolgens geduldig op te bouwen, wilde dat ook helemaal niet, achtte zich beledigd als men Woutertje Pieterse voor een roman hield.

Zijn ware ambities lagen elders. Hij liet er zich op voorstaan dat hij de eerste veertig jaar van zij leven niets gepubliceerd had, dat hij na ‘Lebak’ nog vier jaar had gezwegen.

Het raadsel wat nu wel zijn ware ambities zijn geweest (aan vaagheden als ‘een goed mens zijn’ hebben we niet veel, omdat ‘een goed mens zijn’ in de ogen van een goed mens het schrijven toch niet per se hoeft uit te sluiten), dat raadsel zal niemand helemaal oplossen, maar dat hij zijn schrijverschap als een randfenomeen beschouwde, staat vast, ook al is er niets in zijn leven waar hij zoveel zorg aan heeft besteed. Het is de loop der gebeurtenissen die zijn schrijven tot het hoofdfenomeen maakte, doordat er van al zijn andere plannen niets terechtkwam. (Maar had er in zijn handen van die andere plannen, zelfs in een ander land dan het onze, ooit iets terecht kunnen komen?)

Zijn schrijverij stond volledig in dienst van de rechtvaardiging van zijn daden en draagt ook voor het grootste deel een strikt particulier karakter. Hij fantaseerde niet, hij beleerde. Hij observeerde het dagelijks leven niet uit lust tot waarnemen, maar uit behoefte het te veranderen - zonder precies te weten hoe, maar wel wetend wat.

Zouden al zijn brieven bewaard gebleven zijn, dan zou in een oogopslag blijken, dat zijn openbare werken maar een fractie bedragen van alles wat hij geschreven heeft en zelfs zijn tot het publiek gerichte geschriften hebben grotendeels de vorm van brieven, memoranda, toespraken, commentaar.

Zijn oeuvre is geen bos, maar een verzameling zeer uiteenlopende planten en bloemen.

Zijn genres zijn: het korte sprookje; de parabel; het min of meer geromantiseerde autobiografische fragment; de redevoering; de polemische uitbarsting.

Zijn sterkte ligt in de verbluffende formulering, niet in een briljant geconstrueerd

[p. 182]



illustratie
Foto door Boussaud Valadon, Brussel (ca. 1864).

geheel - d.w.z. wanneer dat geheel enige honderden pagina's moet beslaan. Bij Multatuli zijn de delen altijd meer dan het geheel. Zijn oeuvre beschouwde hij ook zelf als een soort eenmansdagblad van wat hij meemaakte of bedacht, van wat hem te binnen schoot, opwond of ontroerde. Hij bracht onder de titel Ideën van alles samen, en een fundamenteel verschil tussen wat hij er niet of wel in onderbracht, bestaat niet. 't Is maar toeval dat b.v. Vorstenschool in de Ideën is ondergebracht en dat de Millioenenstudiën een apart boek vormen.

Een historicus of romanschrijver was hij niet. Behalve Max Havelaar heeft hij eigenlijk nooit iets geschreven dat op een historie of roman lijkt. Hij maakte notities. Bijna elk incident in het levensverhaal van Woutertje, het Amsterdamse jongetje dat zijn naastbijliggend plichtje wel eens verwaarloost om de roepstem van Fancy te volgen, is hem een aanleiding af te dwalen naar beschouwing erover - en zelfs naar beschouwingen die met Woutertje's lotgevallen niets meer te maken hebben. Terwijl Dickens en Victor Hugo schrijven voor een publiek, is hij zijns ondanks een schrijver voor andere schrijvers, omdat hij steeds laat zien hoe hij schrijft. Zijn schitterendste tirades zijn aan andere (slechte) schrijvers gewijd. Alleen de uitzonderlijke kwaliteit van zijn stijl en woordkeus en zijn ontmaskering van voze autoritei-

[p. 183]



illustratie
Litho van August Allebé, gemaakt naar de foto van Boussaud Valadon; de litho is van 1874 en was verkrijgbaar bij Funke.

ten maken dat hij ook een publiek dat zelf niet schrijft, boeit en blijft boeien.

Hij betoogt - en personages schept hij minder en minder. Vooral bij het ouder worden, veranderde hij steeds meer in een regisseur die zich tijdens de voorstelling niet weerhouden kon het toneel op te snellen om de acteurs eraf te schoppen en zelf het woord te nemen.

Verwonderlijk is het dat hij toch nog probeerde een drama te schrijven. Het drama is immers ogenschijnlijk de minst persoonlijke literaire vorm die er bestaat. De auteur kan slechts iets zeggen door de monden van anderen en omdat die anderen anderen zijn, is het hun opdracht die anderen te zijn en niet de auteur zelf. De dramaschrijver brengt zijn wereldbeeld niet expliciet in woorden op zijn toehoorders over, maar via de vorm van zijn intrigue. Maar Multatuli was een man van het woord, niet van de vorm.

Weinig verbazingwekkend is het dan ook dat het schrijven van zijn tweede toneelstuk, Vorstenschool, hem uiterst zwaar viel. Hij deed er jaren over en voltooide het tegen heug en meug. Toen het klaar was, wilde niemand het opvoeren, vooral uit angst dat het publiek en de politie zouden denken dat koning George in werkelijkheid koning Willem iii moest verbeelden.

terug  begin  verder