terug  begin  verder
[p. 194]

20

Vosmaer's bewonderende studie Een Zaaier verscheen in 1874. De uitgave in boekvorm was de kroon op de artikelen die Vosmaer al eerder over Multatuli geschreven had. Hij is tot zijn dood met Vosmaer bevriend gebleven.

Iets later, in 1875, verscheen, van een andere bewonderaar, het aan hem gewijde boekje Onkruid onder de Tarwe, maar het was van een voormalige bewonderaar.

Voor Delftse studenten had Multatuli in 1868 met welverdiend succes een rede gehouden over het onderwerp Vrije Studie - nog altijd een van zijn meest lezenswaardige stukken.

Zijn vriend en medestrijder tegen de dominees, Prof. Dr. J. van Vloten, had voor hetzelfde publiek gesproken over hetzelfde onderwerp - maar met veel minder succes.

Van Vloten werd dus een van zijn bitterste vijanden. Onkruid onder de Tarwe beleefde kort na elkaar drie drukken. Nooit eerder was Multatuli's excentrieke gezinsleven zo duidelijk en bedaard in het openbaar gegispt.

Een trouweloze echtgenoot, een ontaarde vader. Nu hoorde hij het eens van een professor die het weten kon. Want Van Vloten wist waar hij over sprak: bedelbrieven van Tine had hij in zijn bezit. Het besef dat Van Vloten zijn beweringen daarmee eventueel zou kunnen staven, verlamde Multatuli. Hier werd duidelijk gezegd dat zijn menslievende theorieën menigmaal verre stonden van een hardvochtige levenspraktijk: weldoener in het openbaar en soms een beul privé.

Hoe kon hij zich verdedigen? Tine's vlucht naar Italië, door Edu georganiseerd, had hem schaakmat gezet.

Voor de moderne lezer zijn sommige andere bladzijden in Van Vloten's pamflet hopelijk schokkender dan de onthullingen over persoonlijke aangelegenheden van de schrijver. Het is Van Vloten's koppige anti-kritiek tegen Multatuli's terecht vernietigende ontleding van Bilderdijk's Floris V. (Van Vloten had juist deze Floris V in een bloemlezing opgenomen...) Als Multatuli's gelijk in één geval onbetwist kan blijven, dan toch wel hier. Zijn aanval op Floris V was niets meer of minder dan een verdediging van de levende taal en het concrete denken tegen de dode taal van literatoren die erop los galmen zonder zich bij hun woorden iets voor te stellen dat

[p. 195]



illustratie
Mr. Carel Vosmaer (1826-1888); erudiet letterkundige, auteur van o.m. Amazone; zijn aan Multatuli gewijde beschouwingen werden in 1874 gebundeld onder de titel Een Zaaier.

voorstelbaar is. Maar nee: hier kwam een professor in de Nederlandse Letterkunde vertellen dat hij ongelijk had. Was dit zijn dank, vijfenvijftig jaar oud geworden, te moeten constateren dat zijn oeuvre, feitelijk een impliciete ontkenning van literatuur à la Bilderdijk, op water was geschreven? Dat hij zijn hele leven tegen de wind in had geroepen, niet alleen als politicus, maar zelfs als ‘mooischrijver’? Was dit nog langer uit te houden: gelijk te hebben en het bij voortduring niet te krijgen, niet alleen niet in de politiek, maar zelfs niet in de verachte ‘letterkunderij’?

Zijn zorgen, toch al groot, groeiden nu uit tot een zo onverdraaglijke last, dat alle energie die hij voor het schrijven van nieuwe boeken niet kon missen, eraan besteed werd. De laatste bundel (vii) Ideën voltooide hij niet dan onder de zwaarste pressie van Funke en het duurde lang. Het verhaal van Woutertje Pieterse zal een torso blijven, evenzo de toch al weinig interessants belovende komedie Aleid.

Na 1877 schrijft hij nog wel betrekkelijk veel, maar alleen brieven aan vrienden, meestal om zijn nood te klagen. Hij produceert geen letter meer voor de pers, behalve aantekeningen bij zijn oude boeken. Dat is alles bij elkaar dan toch nog wel wat, maar geld levert het nauwelijks op en vooral het niet voltooien van Woutertje Pieterse zal hem tot de huidige dag kwalijk worden genomen.

 

Geld... Er kan niet gezegd worden dat Multatuli in het laatste kwart van zijn leven een armoedig bestaan leidde. Toch bleef er altijd gebrek aan geld. Zijn boeken werden goed verkocht, maar tot het schrijven van nieuwe was hij niet in staat. De herdrukken, die hij steeds herzag, wat Funke extra betaalde, brachten wel iets op, maar niet genoeg en elk jaar minder. En dan nog te zwijgen van de oude schulden die voortgingen zijn zelfrespect te drukken, ook als hij er niet om werd gemaand.

In 1878 richtte hij zelf de vereniging Tandem op, een genootschap zich ten doel stellend ‘Max Havelaar te pensioneren’. Maar zo goed als alles wat het oplevert, is een zilveren bokaal met honderd gouden tientjes. Een gulden was in die tijd minstens twintig maal meer waard dan nu. Toch verdiende hij nooit voldoende, terwijl de inkomstenbelasting nog niet eens bestond. Waar hij al dat geld gelaten heeft, is een beetje mysterieus, ook als er rekening mee gehouden wordt dat hij fooien van een

[p. 196]



illustratie
Frank van der Goes (1859-1939); een der oprichters van de Nieuwe Gids, essayist, theoreticus van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij; bewonderaar van Multatuli; keerde zich, evenals vele anderen, tegen de visie van Dr. Swart Abrahamsz. (Letterkundig Museum, Den Haag)

rijksdaalder gaf, ja zelfs een tientje, in dat tijdperk waarin de kelner en de kruier al een diepe buiging maakten voor een dubbeltje.

 

Na het succes van Vorstenschool bleef hij bevriend met de toneeldirecteur Jacob Haspels. Haspels kwam op het idee weer eens een aantal lezingentournees voor hem te organiseren.

De eerste vond plaats in 1878. Aanvankelijk is het succes enorm. De recette van een enkele avond bedraagt soms wel vijfhonderd gulden - zelfs in onze tijd nog een bedrag dat zelden of nooit door een literaire lezing wordt opgebracht. Natuurlijk heeft hij wel hoge onkosten: een soort secretaris, genoemd ‘mijn kornak’, reist met hem mee om afspraken en logies voor hem te regelen. Alles moet gesmeerd lopen.

illustratie
Lidmaatschapskaart van het door Multatuli zelf opgerichte genootschap Tandem, zich ten doel stellend ‘Max Havelaar te pensioneren’.

[p. 197]



illustratie
Dr. Vitus Jacobus Bruinsma (1850-1916); vriend van Multatuli; hij was leraar aan het gymnasium te Leeuwarden. (Iconographisch Bureau, Den Haag)

Misverstanden en trage bediening brengen hem buiten zichzelf van zenuwachtigheid en moeten dus worden voorkomen door enorme fooien.

Zo groot is het succes, dat hij allerlei plannen maakt: de oude schuldeisers betalen, Tine's brieven uit Brussel terugkopen van Willème. Ook aan Charlotte de Graaff, die hem lang geleden tweeduizend gulden afstond, wordt nog gedacht. (Op 31 augustus 1877 was zij, getrouwd met een Engelsman, uit Brussel naar Amerika vertrokken. Haar verdere lotgevallen zijn onbekend.)

Niets is onmogelijk. Dreigt hij te laat in Zierikzee te komen? Voor zich alleen huurt hij een stoomboot à raison van ƒ40, -.

Oude kennissen worden opgezocht of ze zoeken hem op, na de lezing, en blijven praten en laten zich door hem tracteren tot diep in de nacht.

Er is zelfs sprake van nieuwe ‘caprices’ en aan Mimi die, eenzaam in Wiesbaden achtergebleven, argwaan krijgt, schrijft hij op 28 februari 1878 uit Dordrecht: ‘Al had ik nu eens een caprice, wat zou dat? Nu, op dit ogenblik is het 't geval niet, maar ik zeg dit voor 't vervolg. Laat me maar altijd begaan. Jij bent en blijft de chaussée en 't links of rechts afwijken op 'n bijpaadje, uit luim, is geen reden tot klachte dat ik de grote weg verlaten heb. Vind je me en bloc genomen, en redeneer eens van 1861 af, zo vreselijk ontrouw?’ (Aan Mimi, 28 feb. 1878)

Een van zijn liefdes naast Mimi heette Mathilde Opdecoul, maar meer dan dat haar broer Theodoor ten huize van Mimi en ‘Dek’ aan tuberculose is overleden, werd tot dusver niet over haar bekendgemaakt.

 

Mimi, van haar kant, houdt ook een verrassing voor hem in petto, schrijft ze. Hij vermoedt dat ze een nieuwe hond heeft aangeschaft en vindt het dier bij voorbaat ‘snoepig’.

Maar het was geen nieuwe hond.

Marie Anderson vertelt: ‘Eens toen hij in Holland voordrachten hield, zei Mimi te Wiesbaden tot me: “'k Wou nou toch zo graag een kind aannemen; nou zou ik de gelegenheid moeten waarnemen, want als Dek hier is, wil hij het toch niet; hij zou 't moeten vinden als hij terug is - dan zou hij er wel heel kwaad om zijn, maar dan is het

[p. 198]



illustratie
Dr. Johannes Zürcher (1851-1905); kunstschilder, linguïst en miljonair; financierde de aankoop van Multatuli's villa te Nieder-Ingelheim.

er eenmaal! Wil jij een annonce in 't Wiesbadener Tageblatt bij jou laten navragen?? -”

Gezegd, gedaan.

Er kwam toen een heer bij me, die zeide een vriend van de vader van 't bewuste kind te zijn en dat de moeder een weduwe was, en haar andere kinderen niet van die geboorte mochten weten.’

Aldus Marie Anderson. Hoe de moeder erin geslaagd was die geboorte voor de andere kinderen geheim te houden, vertelt ze helaas met. Het kind was bovendien al meer dan twee jaar oud.

Mimi's bericht over de ware aard van de verrassing ontving Multatuli op 13 maart 1878 in Leeuwarden, waar hij bij Vitus Bruinsma logeerde. ‘Behalte das Kind in Gottesnahmen’, telegrafeerde hij, berustend zonder geestdrift. Maar al op 19 maart schrijft hij uit Utrecht: ‘Mocht je 't al hebben weggezonden, vraag het terug. Kost het terughalen geld, dat komt er niemendal op aan. Al wat ik je schreef over geld, is en blijft waar. Nooit zal je weer in geldnood komen. Dat kan niet, geloof me! Dus neem het kind terug en voor goed, of houd het als je 't nog hebt. Nu heb ik er genoegen in, en zal alles met je delen. Wees daar gerust op.’

Vijf dagen later heeft Mimi al een naam bedacht voor het kind dat hij nooit gezien heeft: ‘Woutertje’.

Op 24 maart stuurt hij haar ‘een zoen voor Woutertje’.

Nooit heeft hij zich anders dan met de grootste geestdrift over dit kind geuit. Hij ‘geeft ons beiden veel geluk. Wij vinden hem 'n allerliefste jongen. Zijn we verblind? De “inspraak des bloeds” spreekt hierin niet mee. Voor niets ter wereld zouden wij hem willen missen.’ (Aan v.d. Bosch, 19 oktober 1881)

Zo rampzalig als zijn vaderschap was, zo gelukkig maakten hem het pleegvaderschap en het pleegkind.

Woutertje wordt liefderijk maar tamelijk streng opgevoed. Als hij stout is, krijgt hij voor zijn billen, vooral wanneer hij dieren plaagt. Hij gaat later naar een Duitse school en krijgt pianoles. Een volledige adoptie strandt helaas op de Duitse wetten.

Zijn werkelijke naam luidt Eduard Bernhold en hij is geboren op 25 januari 1876 te

[p. 199]



illustratie
‘Wouter’ (Eduard Bernhold, 1876-1945), Multatuli's pleegzoon.



illustratie
‘Wouter’ (Eduard Bernhold, 1876-1945), Multatuli's pleegzoon.



illustratie
‘Wouter’ (Eduard Bernhold, 1876-1945), Multatuli's pleegzoon.

[p. 200]



illustratie
Multatuli's villa te Nieder-Ingelheim.

Sulzheim in Beieren. De overeenkomst tussen de voornamen van pleegzoon en pleegvader heeft waarschijnlijk de fantasie van menige Multatuli-expert geprikkeld en alles wat er tot dusver over Wouter's afkomst openbaar gemaakt is, is onjuist. Volgens de een zou Wouter's natuurlijke vader een Duitse officier Wittich zijn geweest, volgens de ander was het de Amsterdamse kunstzinnige miljonair Dr. J. Zürcher, die aan Multatuli in 1880 pardoes een ruime villa nabij Nieder-Ingelheim cadeau deed. De gift moest geheim gehouden worden voor Zürcher's vrouw, dat is een feit. Zou Zürcher's vaderschap misschien aan dit bruuske royale geschenk wat meer reliëf kunnen geven? Als Zürcher de vader niet was, is (weer een andere opinie) dat de villa in werkelijkheid betaald werd door Wouter's werkelijke vader, toch niet onaannemelijk?

Sommige leden van de familie Douwes Dekker hebben wel eens met de gedachte gespeeld dat niet alleen Wouter's pleegvader Eduard Douwes Dekker heette, maar zijn natuurlijke vader eveneens. Deze veronderstelling is op grond van allerlei bewaard gebleven brieven uiterst onwaarschijnlijk, - en niet alleen omdat een neef van Multatuli, H.A.F. de Vogel (geb. 1825) in 1883 beweerd heeft dat Multatuli impotent geboren was en ook niet de vader van Edu en Nonnie kon zijn.

Volgens documenten in het bezit van het Multatulimuseum, is Wouter geboren als Eduard Bermann, buitenechtelijk kind van de weduwe Adelheid Karolina von Gugel, geb. Bermann. De 9de maart 1876 erkende ‘Herr Hauptmann Eduard Bernhold’ officieel de vader te zijn en heette zijn zoon dus voortaan Eduard Bernhold.

 

Weldra verwondert Marie Anderson zich erover dat Woutertje zo goed Nederlands spreekt. ‘Wel’, vindt Multatuli, ‘dat is omdat we ons met ons kind bemoeien. Dat deed zij met haar kind nooit. Die arme jongen. 't Is te hopen dat-i maar gauw sterft. Liever nu dan over tien, twaalf jaar. Zij zou de smart wel dragen kunnen, denk ik.’

Bijzonder hartelijk zijn z'n gedachten over Marie niet meer.

Marie leidde een armoedig bohèmebestaan en werd, na 1868, vergezeld door Mina Deiss die het huishouden voor haar deed en op hun beider kinderen paste. Het winkeltje in het Hamerslop was een mislukking geworden, Mina bleek voor zoiets te

[p. 201]

onpraktisch. Haar zoon Oskar Felix zou ten slotte sterven als koloniaal soldaat.

 

Marie begon ook een winkeltje. Ze schrijft slechte vertalingen en, naar Multatuli zegt, slechte verhaaltjes. ‘Slenteren, snoepen en kletsen’ zijn de tijdverdrijven die hij in haar gispt. Maar in de omgang met haar blijft toch een zekere affectie bestaan. Zelfs vertaalde hij voor haar een hele novelle, Leopold von Sacher Masoch's Maria Theresia en de Vrijmetselaars, omdat zij het zelf niet klaarspeelde. Hij voegde er tirades van eigen vinding aan toe.

Ook dat hij haar zijns inziens ongelukkige zoontje dood wenste, was minder onhartelijk bedoeld dan het schijnt. Meer en meer begon hij de dood als de grootste weldoener van de mensen te beschouwen.

Friedrich Anderson is overigens niet ‘gauw’ gestorven. Van 1891-1914 was hij eerste violist aan het Stadttheater van Mainz. Daarna begon hij met zijn vrouw een antiekhandel in Heidelberg. Nog in 1920 werd hij door een bezoeker beschreven als ‘een reus met witte manen’. (J.G. Sleeswijk, Tijdspiegel, 5 mei 1920)

Tot driemaal toe herhaalde Multatuli zijn lezingentournees, zijn ‘rooftochten’ zoals hij ze noemde. De laatste vond plaats in 1881. Het succes was ongelijk, niet alleen financieel. Het heen en weer reizen vermoeide hem soms verschrikkelijk en dat het iets vreselijks geweest is, mag niet worden betwijfeld. Hele nachten lag hij te hoesten, op sommige avonden had hij geen stem en geen inspiratie.

Er zijn tijdgenoten die een lezing van hem hebben aangehoord en er vol geestdrift over hebben bericht. Andere gaven uiting aan hun teleurstelling; mogelijk hadden zij een avond getroffen waarop hij zich niet goed voelde.

Hij maakte het zich niet gemakkelijk door b.v. fragmenten uit zijn boeken voor te lezen. Hij improviseerde alles ter plaatse, wist soms een kwartier voor hij begon nog niet waarover hij zou spreken. Multatuli kon alleen iets met geestdrift doen en anders deed hij helemaal niets.

Bitter besefte hij dat Dickens, voor de honderdste maal hetzelfde verhaal voordragend, op een dergelijke avond wel tachtig maal zoveel verdiend had als hij.

terug  begin  verder