terug  begin  verder
[p. 202]

21

Op het tijdstip van Tine's dood was Edu ruim twintig, Nonnie zeventien. Edu had een betrekking, voor Nonnie's opvoeding werd door vrienden in Italië gezorgd.

Toch kon Multatuli zijn kinderen niet met rust laten. Hij wilde ze bij zich in huis nemen. Al zijn relaties ontvingen uitvoerig bericht, hoe ondankbaar die kinderen wel waren, dat ze daar niet op wilden ingaan. (Zodoende kreeg Van Vloten immers steeds meer gelijk.)

Of zijn jammerklachten veel indruk zullen hebben gemaakt, valt te betwijfelen. Daarvoor had hij toch te dikwijls doen blijken hoe hij Edu haatte sedert Tine's vlucht - eigenlijk was Edu schuldig aan Van Vloten's requisitoir, vond hij in zijn binnenste.

De angst misschien voor een slechte vader gehouden te kunnen worden, liet hem niet los.

Vijftig jaar na zijn dood zou deze kwestie nog een van de beschamendste polemieken ontketenen die er ooit in de Nederlandse Letteren gevoerd zijn over een beschamend onderwerp. Uit wanhoop over de aanvallen op haar overleden man, schreef Edu's weduwe, negenenzestig jaar oud, in 1939 een boek van 500 bladzijden groot, waarin hij van alle beschuldigingen werd vrijgepleit. Daarop richtte E. Du Perron zich in een 70 dichtbedrukte pagina's tellende brochure tegen de schoondochter van zijn hoogvereerde schrijver, zonder in staat te zijn ook maar een enkele leugen of vergissing van belang in haar boek aan te wijzen (die er toch wel in staan). Multatuli en de Luizen heette dat boekje. Kon het eleganter? Een kleingeestig werkje, zeer krachteloos. Toch, nog in 1970, weer dertig jaar later, zou ene heer Veenstra, die als wetenschappelijk ambtenaar in dienst was van de Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek om de correspondentie van Du Perron uit te geven, geestdriftig roepen dat de brochure was geschreven ‘met een bij wijze van karwats gebruikte pen’. Het denkbeeld een oude dame van 69 jaar af te rossen met een karwats, moet zinneprikkelend en benevelend op de langzamerhand even oude meneer Veenstra hebben gewerkt.

Annetta Douwes Dekker-Post van Leggelo overleed in 1962 te Arnhem en de Multatuli-papieren waarover zij beschikte, kwamen niet in het Multatulimuseum.

[p. 203]



illustratie
Charles Edgar Du Perron (1899-1940); auteur van o.m. de voortreffelijke biografie De Man van Lebak en een weinig gelukkige bestrijding van Multatuli's schoondochter: Multatuli en de Luizen. (Foto E. van Moerkerken)

Of Multatuli nu tegenover zijn eerste vrouw en haar kinderen het monster van verblind egoïsme, schijnheiligheid en geestelijke wreedheid geweest is, dat hij gemakkelijk schijnt voor wie hem toch al in alles ongelijk geeft, is de vraag. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij werkelijk zo goed als niet beseft wat hij ze aandeed. Tine en hij hielden op een zeer uitzonderlijke manier van elkaar, op den duur bijna als broer en zuster. Ook Tine leefde geestelijk in een betere wereld dan de bestaande. Ook zij was rijk aan geestdrift, arm aan kleinburgerlijke deugden, niet praktisch, kon niet met geld omgaan - zie de brief van dominee Pieter. (dit boek p. 68)

‘Wil je een slechte trek in mijn karakter weten?’ schreef zij op 17 december 1863 aan Stéphanie, ‘welnu, soms betrap ik me erop dat ik jaloers op je ben, ik die er een eer in stel niet jaloers te zijn op mijn man. En dat is de waarheid; ik houd van de mensen waar mijn man van houdt; ik ben geen egoïst, en toch voel ik dat afgunst mijn hart is binnengeslopen wat jou betreft. Luister, ik wil het je zeggen (voor mijn straf), want ik neem het mezelf kwalijk en schaam me er over. Vanmorgen zei Olga me dat ze een lieve brief van je gekregen had. Dat stak me. Ik was er jaloers om. Ziedaar. En ik die zoveel zo intieme en liefhebbende brieven van je krijg! Nee, de menselijke natuur is slecht. Bovendien heb ik die brief gelezen en ik vond hem te vriendelijk. Waarschijnlijk had je niet gedacht dat ik zo kleingeestig was, nietwaar? Zelf had ik het ook niet gedacht.’ (De rest is niet gepubliceerd.)

Ze gaf jarenlang geen enkel blijk van ongeloof aan Multatuli's genie en dat niet alleen, ze bleef zelfs de illusie trouw dat hij zich zou ‘herstellen’ en dat ze dan weer even gelukkig met hem zou worden als in het begin van hun huwelijk. Daarmee maakte ze het hem moeilijk zich schuldig te voelen.

 

In 1877 riep hij Edu bij zich.

Kort voordien was Mina Krüseman's Mijn leven in de boekhandels verschenen - en had niet Mina Krüseman zo plastisch beschreven wat de nadelen waren van het ‘leven met een maïtresse’, terwijl z'n kinderen in Italië zaten?

De maîtresse was veranderd in een wettige echtgenote. Nu de kinderen nog uit Italië laten komen en dan zou ook deze smet op zijn verschijning zijn uitgewist.

[p. 204]



illustratie
Annetta Gerharda Douwes Dekker-Post van Leggelo (1870-1962); Edu's vrouw, die zijn reputatie verdedigde in haar vijfhonderd bladzijden tellende boek De Waarheid over Multatuli en zijn Gezin, 's-Gravenhage, 1939.



illustratie
Edu, ruim twintig jaar oud; de foto is gemaakt te Den Haag (1877).



illustratie
Nonnie in 1877.

[p. 205]

Edu nam ontslag bij Blumenthal en kwam. Zijn vader zou hem les geven in Latijn en Grieks om hem voor te bereiden op de universiteit. Mimi moest ‘meeleren’, dat zou Edu aanvuren.

Of Edu verwacht heeft dat zijn vader de capaciteiten bezat hem onderwijs te geven in het Latijn en Grieks, is zeer de vraag. Maar hij was een pestkop. Belezen en van een uitstekend geheugen voorzien, had hij er een zekere aardigheid in de somtijds falende feitenkennis van de schrijver op de proef te stellen, door iets te vragen waarop hijzelf het antwoord beter wist dan de ondervraagde.

Eens een tijdje op de zak van zijn vader te gaan teren moet iets geweest zijn waar hij, die van zijn zestiende jaar af de kost voor vrouw en dochter van zijn vader had moeten verdienen, geen been in zag.

Nooit slaagde een zoon er zo jong in de vader volledig bij de moeder te verdringen, geen Oedipus was zo succesvol als Edu. Des te verschrikkelijker moet de slag geweest zijn die hem trof toen zijn moeder stierf: zijn levensdoel was verdwenen, baantjes interesseerden hem niet meer, voor kleine trucjes om aan geld te komen deinsde hij niet terug.

Edu leek in heel wat (bijkomstige) opzichten op zijn vader: hij hield van knutselen, las veel op allerlei, vooral natuurwetenschappelijk gebied, was gevoelig voor vrouwelijk schoon en had, als het hem uitkwam, een zeer scherpe tong. Maar loslippig was hij niet, eerder berekenend, diplomatiek, om niet te zeggen achterbaks. Zijn leven rijk aan tegenspoed had hem doen beseffen dat hij in een wereld vol gevaarlijke monsters leefde. Het was het best ze met vleierij bedaard te houden en het omgekeerde te beweren van wat je dacht.

‘Het doel van al ons streven is: genieten. De kortste weg om tot dit doel te geraken is: beminnen.’ Zo luiden helaas twee van de banale aforismen uit eigen koker, die Edu achter in een uit het Amerikaans vertaald boekje over geboortebeperking liet afdrukken. (Rotterdam, 1880)

Alles bij elkaar had hij een jaar regelmatig onderwijs ontvangen. Het is een wonder hoe hij erin geslaagd is nog zoveel Frans op te steken in Italië. Perfect kende hij deze taal niet. Ook het Nederlands beheerste hij lange tijd onvoldoende, getuige deze

[p. 206]

zinnen die hij in 1873, negentien jaar oud, neerschreef: ‘Ik heb ponctueel van mijnheer Waltman jou (sic) boeken ontvangen, niet die van Vosmaer. Ik ben zij (sic) steeds wachtende.’

Zijn voorkomen maakte op menigeen geen prettige indruk en hij was niet in staat de r uit te spreken. ‘Deks capwices’, noemde hij als jongetje zijn vaders avonturen, die het leven van zijn moeder, zijn zusje en hem vergiftigden.

Vroegtijdig kaal worden kwam Edu's uiterlijk niet ten goede.

‘Ook hindert zijn voorkomen mij zo. Dat malle brilletje, dat uitgevallen haar, die kwasi-fatterige maniertjes’, schrijft Multatuli aan Mimi. (13 februari 1879)

 

Lang geleden had de inheemse chef van de politie te Lebak kleine Max op zijn knie genomen, diens kruin bekeken en de uitspraak gedaan: ‘Het hoofd van dit kind is bestemd een koningskroon te dragen.’

Maar zijn vader werd geen koning en kleine Max dus geen koningskind.

Oude Max bekeek het hoofd van de volwassen geworden kleine Max nog eens goed en herinnerde zich hoe moeilijk de tangverlossing was verlopen die het kind ter wereld had gebracht.

Misschien was Edu's moeilijke levensbegin niet zonder nadelige gevolgen gebleven, dacht Multatuli, en de moderne medische wetenschap, die o.a. linkshandigheid verklaart als gevolg van bij de geboorte opgelopen kwetsuren, acht dit in principe niet uitgesloten. Maar er is in dit geval geen enkele aanwijzing voor. Alle minder bekoorlijke eigenschappen van Edu werden allereerst door zijn bijna vervolgingswaanzinnige vader opgemerkt. Razende teleurstelling dat zelfs zijn zoon hem niet bewondert, hem misschien achter zijn rug uitlacht, doet hem elke redelijkheid verliezen. Voor ieder ander dan Multatuli mag het een wonder heten dat, gezien de omstandigheden waaronder ze opgroeiden, zijn dochter niet de baan op ging en zijn zoon nooit kennis maakte met de gevangenis. Het lijkt wel of hij zijn ogen niet heeft durven vertrouwen. Hij, ondanks alles, zulke wonderen van deugd voortgebracht? Dat kon niet waar zijn.

Ach, zoals hij zijn vriend Roorda toevertrouwde, alles riep hem grijnzend toe dat zijn moeilijke leven mislukt was.

[p. 207]

Het kon er in zijn eigen ogen ook wel niet anders uitzien.

Idee 15: ‘Een hollandse moeder keurt de franse gewoonte af kinderen te doen zogen door 'n gehuurde vrouw. Ook ik vind dat afschuwelijk. - Een moeder die voedzaam zog heeft, en haar kind besteelt door dat voedsel terug te dringen in de teleurgestelde klieren, is misdadig. En een vader die 't mensmaken van z'n zoon uitbesteedt tegen zoveel in de maand... wèl, zo'n vader moest 'n franse vrouw getrouwd hebben.’

 

Zelfs in eigen familiekring was de toepassing van zijn principes alleen maar op allerlei fiasco's uitgedraaid. Hij kon het er niet bij laten.

Dat het wel eens zijn eigen schuld zou kunnen zijn, kwam niet over zijn lippen.

 

Dus was Edu's moeilijke geboorte en de daaruit gevolgde krankzinnigheid de oorzaak van de conflicten tussen vader en zoon. Maar van medelijden met Edu, dat deze verdiend zou hebben, als Multatuli aan z'n eigen medische verklaring voor Edu's gedrag zou hebben geloofd, blijkt niet veel.

Edu heet: ‘krankzinnig slecht’, ‘tot alles in staat’, ‘z'n slechtheid loopt over in 't krankzinnige’, ‘'n geboren knoeier en bluffer’, ‘'n ellendig wezen’, ‘'n onverbeterlijke ellendeling’, ‘de omgang met hem is levensgevaarlijk’, ‘als ik de macht had, veroordeelde ik hem ter dood’.

Aldus schreef Edu's vader jaar in jaar uit niet alleen aan Mimi, maar ook aan de vele vrienden met wie hij correspondeerde, oude en nieuwe: Dr. Vitus Bruinsma, Kallenberg van den Bosch, Funke, en de jonge Rotterdamse uitgever J. van der Hoeven. Ook aan Vosmaer waarschijnlijk, maar die knipte de zijns inziens netelige passages uit de brieven die hij ontving.

Hoewel de antwoordbrieven van Multatuli's vrienden meestal niet gepubliceerd zijn, bestaan er aanwijzingen dat zij geprobeerd hebben hem te matigen, soms zelfs voor Edu in de bres te springen. Niets baatte. Iedereen die met Multatuli kennis maakte, mocht vernemen met welk een schurkachtige zoon het noodlot hem gestraft had om de maat van zijn rampen vol te maken.

[p. 208]

‘Hij kan zich nergens indringen zonder ons zwart te maken’, klaagt zijn vader, na zelf Edu al jarenlang bij iedereen zwart te hebben gemaakt.

Wanneer Multatuli hem vraagt, waarom hij toch nooit eens ronduit zijn mening uitspreekt, zegt Edu voor een keer werkelijk wat er in hem omgaat: ‘Och ja, weet je Dek, ik heb altijd zo'n angst.’

Dat zal hem zuur opbreken. Multatuli, door deze woorden helaas zich niet bewust geworden hoe vreeswekkend zijn imago eruitziet in het oog van een jongeman die nog niets bereikt heeft, concludeert dat Edu dus een lafaard is. ‘Hij slentert (= zoekt uitvluchten, WFH), draait, liegt en ontwijkt en wringt zich in allerlei bochten om voor 't ogenblik maar geholpen te zijn.’

‘Och, 't is zo bitter voor me.’

Nooit heeft zijn diep verborgen zwakte, door d'Ablaing van Giessenburg al waargenomen, zich zo pijnlijk verraden als in zijn houding tegenover deze zoon. Alle haat en verachting die hij onderbewust zichzelf toedroeg, projecteerde hij op Edu, alle eigen falen, dat hij voortdurend onder ‘vonken van schitterende geest had verborgen’, zag hij voor Edu in het verschiet.

Want welke feiten brachten hem ertoe Edu voor zo bijzonder slecht te houden? Daar is weinig over uitgelekt.

‘Eens toen 'k te Wiesbaden in de Schwarzen Bock woonde’, vertelt Marie Anderson, ‘had tegen het aanbreken van de dag een jong paar, gebruik makend van mijn naam, zonder bagage en op een tijd dat er geen trein kon zijn aangekomen, zich daar ingekwartierd. Ik kon niet gissen wie dat waren, en ze sliepen 's morgens nog, tot twee uur toe. Echter vond de huisknecht een kaartje in een ter reiniging buiten de kamer gehangen pantalon, die tot bovenaan met slijk was bespat en op dat kaartje stond Signor Edouard Douwes Dekker. Nu wist ik 't, maar niet wat er stak achter dat nachtelijk gebruik maken van mijn logies; waarom ik mij naar D., die toen mede te Wiesbaden woonde, begaf en vroeg: ‘Weet je dat Ed. vannacht bij mij in huis is gekomen?’ - Hij staarde me aan en nu vernam ik, dat zijn zoon, door de nood uit Italië gedreven, 's nachts te voet met zijn meisje uit Mainz naar Wiesbaden was gekomen, maar dat zijn vader hem had toegeroepen: ‘Eduard, alleen kan je binnen-

[p. 209]

komen, anders niet!’ (...) Ik vond die afwijzing toch hard, vooral in een vader die zelf - nu ja, niet alleen Jugendsünden achter zich had.

‘De eer zit boven de navel’, had hij toch gezegd.’

 

Inderdaad.

Maar bij zulke gelegenheden zei hij wel eens wat anders: ‘Eén maîtres, één? Wel, ik wou dat je 'r honderd had, mits de economie van hoofd, hart, tijd, plichtsvervulling en portemonnee het veroorloofde.’ (Aan Van den Bosch, 21-22 april 1879)

Andere zonden van Eduard jr., voor zover bekend, zijn: het niet betalen van (overigens bescheiden) schulden, het niet tijdig teruggeven van een geleend horloge, het met ƒ500, - van Van der Hoeven naar Italië vertrekken, om zaken te doen waar niets van terechtkomt (de geldgever duidt het hem niet euvel), tekeningen van zijn zusje naar de lommerd brengen (maar Nonnie is er niet kwaad om en blijft hem door dik en dun verdedigen), zich ziek melden om een vaderlijke subsidie te verkrijgen.

Latijn leren van zijn vader, die deze taal wel veel gebruikte, maar nauwelijks kende, daar komt natuurlijk niets van terecht en Edu gaat er op een goede dag maar weer vandoor, naar het schijnt met medeneming van enig tafelzilver.

Dit levert Multatuli het bewijs dat de verdorvene absoluut niets leren wil!

Een paar jaar nadien stelt hij hem in uitzicht dat hij aan een universiteit mag gaan studeren, op zijn kosten, maar dan zal Edu wel vlug toelatingsexamen moeten doen. Meegaand als altijd belooft Edu dit, want hij heeft geld nodig.

Tamelijk cynisch schrijft ‘Dek’ ondertussen op 4 oktober 1879 aan Van der Hoeven: ‘Ge weet wel dat ik bij 't eisen van dat examen, als voorwaarde voor de hem dit jaar te verlenen hulp, niet zozeer van plan was hem 'n academie te laten bezoeken (misschien wèl, naar bevind van zaken!) als wel hem daardoor te noodzaken zich schools, stipt jongenachtig als ge wilt, bezig te houden.’

Er komt natuurlijk niets van dat examen: Edu kon nog geen enkele taal zonder fouten schrijven, behalve Italiaans misschien.

[p. 210]

Op 23 september 1880 wordt in de duinen bij Den Haag een dertienjarige jongen, Marius Boogaardt gevonden, vermoord. Eerst is er een losgeld voor hem gevraagd. De desbetreffende brief, waarschijnlijk door de voortvluchtige moordenaar geschreven, komt in facsimile in de kranten. Multatuli en zijn gade menen Edu's handschrift te herkennen. Gretig haast de diepbedroefde vader zich naar de officier van justitie om zijn eigen zoon aan te geven. Men vertelt hem dat de schrijver van de brief, De Jongh, zojuist gearresteerd is en de moord heeft bekend. Multatuli gelooft het nauwelijks en bericht in die geest aan Van den Bosch, Van der Hoeven en Bruinsma.

Waar is Edu?

Edu heeft een alibi: hij is sinds 5 juli onafgebroken in Padua geweest. Goed, Edu heeft het dus misschien wel niet gedaan. Maar wat verbeeldt hij zich?

‘Hij schijnt te menen dat het niet-vermoorden van Marius Boogaardt 'n grote verdienste is, die hem schoon wast van al z'n beroerdheid! Aan hèm schrijf ik niet, maar ik zal hem door Nonnie laten zeggen dat-i zich van z'n onschuld aan moord (een verdienste die duizend miljoen mensen met hem delen) geen voetstuk hoeft te maken, en dat het reeds schande genoeg is, door mensen die hem kennen (waaronder ik) tot zo'n schanddaad in staat geacht te worden.’ (Aan Van der Hoeven, 24 oktober 1880)

 

Dus: Lothario moest toch hangen.

Of Multatuli hem dat inderdaad door Nonnie heeft laten zeggen, is overigens nog de vraag.

Immers, op 28 juni 1889, negen jaar later, schreef Sietske aan Edu: ‘Zoëven ontvang ik uw brief. 't Spijt me waarlijk, daaruit te zien, dat Theo u 't verhaal deed van uw vaders bezoek aan het bureau van Politie. Dit vind ik ook ver ver beneden kritiek, en ik kan mij die handelingen niet verklaren. Tot uw troost kan ik u verzekeren, 't geen Theo misschien niet weet, dat uw vader van den Hoofdcommissaris den Heer van Schermbeek, die nog deze betrekking heeft, een formeel standje kreeg, met de positieve verzekering dat aan zijn zoon niet gedacht werd.’ (De Waarheid over Multatuli en zijn gezin, door de Schoondochter, 's-Gravenhage 1939, 456)

[p. 211]



illustratie
Nonnie met echtgenoot en beide zoons.

Volgens een brief die Multatuli op 5 okt. 1880 aan Van den Bosch schreef, was hij naar de officier van justitie in Den Haag gegaan om z'n zoon aan te geven. Volgens een brief aan Vitus Bruinsma van 19 oktober 1880 sprak hij ‘prokureur-generaal, officier van justitie en hoofd-commissaris van politie die allen bijeen waren’. Ze beijverden zich hem met de voorlopige bekentenis van De Jongh gerust te stellen, ‘maar volkomen overtuigd was ik niet’.

‘Dat de legende, als zou Multatuli zich van zijn kinderen nooit iets hebben aangetrokken, door de correspondentie met Van der Hoeven nog eens afdoende wordt gekwalificeerd als verzinsel, behoef ik nauwelijks meer te zeggen’, verklaarde Dr. M. ter Braak, zeer ter snede, toen hij in 1937 o.a. de hierboven aangehaalde brief aan Van der Hoeven publiceerde.

 

Nonnie wordt door Multatuli bij herhaling ‘een braaf meisje’ genoemd. Maar zij was ‘geheel van hem vervreemd’.

‘Ze doet niets dan melken en bloedzuigen voor Edu, “que j'aime tant”.’

In 1879 had hij Nonnie voor het laatst gezien. Een paar weken logeerde ze bij hem en Mimi. Ze was toen tweeëntwintig. Aanvankelijk herkende hij haar niet eens en maakte zich gereed haar het hof te maken. Trouwens, in een verhouding tussen vader en dochter vond hij in principe ‘iets liefs’.

Maar ze had zich verloofd met de geoloog Francesco Bassani, een assistent van Stéphanie's man, professor Omboni. Multatuli wou geen Italiaan als schoonzoon. Hij weigerde kennis te maken met Bassani, op wie overigens niets viel aan te merken. Hij weigerde zelfs zijn toestemming voor het huwelijk te geven - maar z'n toestemming was niet bepaald noodzakelijk en de trouwerij ging dus toch door.

Vergeten is Idee 211, vergeten is wat hij op 27 juli 1863 aan Mimi schreef: ‘De ene helft van 't mensdom verklaart maar kortweg de andere helft voor onmondig. Rusland meent recht te hebben op Polen, Holland op Indië. Vaders en moeders noemen het kind slecht, dat een andere wil heeft dan hun wil.’

‘'n Italiaanse schoonzoon vind ik onaangenaam’, bekent hij nu. ‘Ik voel zo dat zo'n Italiaan - en misschien Nonnie zelf ook - mij voor 'n barbaar uit 't Noorden houdt.’

[p. 212]



illustratie
Fossiele vis, getekend door Nonnie; illustratie uit Francesco Bassani Descrizione dei pesci fossili di Lesina, Wenen, 1883. (Collectie WFH)

Onredelijk? Zonder twijfel.

Tekenend voor de geestelijke aftakeling die zich tegen het eind van zijn ongenadige levensgang meer en meer manifesteerde? Natuurlijk.

En toch, hoe groot zou zijn geluk hebben kunnen zijn, als Nonnie zich nu eens verloofd had met een jongeman die hem vurig bewonderde, zoals er zo veel waren. Een minder kwaadaardig noodlot zou dat toch ook voor hem hebben kunnen bewerkstelligen, nietwaar? Maar nee: een schoonzoon die geen woord Nederlands kent, is zijn deel.

Hij kan het niet verkroppen.

Hij had geen geluk, aan de speeltafel niet en nergens anders.

Na 1880 beschouwde hij Nonnie ‘als dood’. Minder dan twee jaar voor zijn eigen dood stelde hij voor Kallenberg van den Bosch nog deze verzuchting te boek: ‘...de bedenking dat zo'n vreemde u voorgaat in 't hart uwer dochter, die hij minder goed kent dan gij!’ (18 november 1885)

Het contact met zijn kinderen is ‘voorgoed’ verbroken. Maar in 1885 werd Edu ziek en toen is er toch weer enige tijd gecorrespondeerd.

 

Bassani werd hoogleraar in de geologie te Napels. Nonnie tekende platen bij zijn ook nu nog belangwekkende publikaties over fossiele vissen. In hun soort zijn haar tekeningen perfect, maar iets meer dan technisch tekenwerk is het eigenlijk niet.

‘Ik heb veel te tekenen voor mijn lieve man, dit engelachtig wezen, dat zoveel goeds verdient’, schreef zij op 24 februari 1897 aan een geestelijke met wie zij geregeld over vrome onderwerpen correspondeerde.

Want Nonnie was katholiek geworden. En dat niet alleen. Het was volstrekt niet een blote formaliteit, door haar Italiaanse huwelijk vereist. Zij ontwikkelde een geheel onalledaagse bigotterie. Stapels heiligenlevens en andere stichtelijke lectuur verslond ze haar hele verdere leven lang en in conventioneel zoetelijke bewoordingen schreef zij daarover aan de pater brief op brief.

Ook zij wees haar jeugd, haar vader en de denkbeelden van haar vader af, nog radicaler dan Edu, die een heiden bleef.

[p. 213]



illustratie
Nonnie op haar laatste ziekbed; de gelijkenis met haar vader is treffend.

Drie jaar nadat zij in 1930 was overleden, werden haar godvruchtige epistels belangwekkend genoeg gevonden voor publikatie.

Een foto, op haar laatste ziekbed genomen, toont hoezeer zij in haar gezicht op haar vader leek.

Haar twee zonen, geboren toen hij nog leefde, zijn door hun grootvader nooit aanschouwd.

terug  begin  verder