terug  begin  verder
[p. 214]

22

Tijdens een van zijn tournees ontmoette hij Collard, nu gepensioneerd als kolonel, en Van Hemert, gepensioneerd resident. Van Hemert lijdt aan hersenverweking en valt schreiend tegen hem aan, maar Collard is nog in goede conditie.

Het weerzien schijnt hartelijk geweest te zijn. Toch is het Multatuli nooit helemaal ontgaan, dat Van Hemert, die te Lebak over de knoeierijen tegen hem gezegd had: ‘Dat alles is altijd zo geweest in deze streken’, al die jaren nadien stom als een vis gebleven was. En Collard? Dat was toch eertijds die rondborstige luitenant Duclari, die had uitgeroepen toen hij kennis nam van de ontevredenheidsverklaring waarmee Havelaar beloond werd voor z'n ijver: ‘Godverdomme! Ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien... ze zijn in ere van hier gegaan, en men schrijft aan u zulk een brief!’

Nadien had Collard nooit meer iets uitgeroepen over Havelaar, Lebak, schelmen, dieven, of Multatuli.

Wel nam hij zitting in de nieuwste en laatste Multatuli-commissie, die van 1882. Ditmaal kwam er iets meer dan 20.000 gulden bijeen. Het comité dat de giften inwachtte, bestond uit niet minder dan 71 personen. Toch werd ƒ1500, -, meer dan een twintigste van het bijeengebrachte geld, gestort door Truida Hotz en haar zoon Albert Hotz alleen. Geheel Indië, met al z'n rijkworders, droeg ruim tweeduizend gulden bij, meer niet.

Na allerlei voor Multatuli vernederende complicaties werd het kapitaaltje op zo'n manier belegd dat er een schrale lijfrente voor Mimi en hem uit voortvloeide.

Hij voelde zich niet vereerd en zag in de matige grootte van de opgehaalde som een meetbaar bewijs van zijn gebrek aan slagen.

 

Steeds sterker begint hij naar de dood te verlangen. Zijn lichaam is feitelijk nog sterk en gezond, maar nerveuze klachten zoals hoofdpijn, spit in de rug en vooral astmatische benauwdheden kwellen hem meer en meer.

Zelf weet hij de oorzaak daarvan terdege, zonder ooit kennis genomen te hebben van de psychosomatische theorieën die de medici vele jaren later zouden bedenken.

‘Dat astma schrijf ik hoofdzakelijk toe aan morele oorzaken. Ik heb opgemerkt dat

[p. 215]



illustratie
Petrus Albertus Alexander Collard (1825-1895); was in 1854 eerste luitenant bij het in Lebak gelegerde garnizoensbataljon; stond model voor Duclari in Max Havelaar; bevorderd tot majoor in 1870, naar Nederland vertrokken en gepensioneerd in 1872, als luitenant-kolonel.

het in verband staat met ergernis en daaraan heb ik geen gebrek.’ (Aan Haspels, 18 juni 1883)

Wat was er in zijn leven nog overgebleven om te doen? Vliegers oplaten voor Wouter, ‘een beste lieve beminnelijke jongen. Voortdurend moet ik strijden tegen de verzoeking hem te bederven. Er hoort geestkracht toe zich niet door hem te laten inpakken.’ (Aan Bruinsma, 21 oktober 1881)

 

Vosmaer, die hem eind 1874 al eens in Wiesbaden had bezocht, bracht hem, op doorreis naar Rome met vrouw en dochter, opnieuw een bezoek, ditmaal in Nieder-Ingelheim. Ze bleven twee dagen. Zowel Vosmaer als zijn vrouw maakten hierover notities in hun dagboeken, die te mooi zijn, om ze niet over te nemen. (Uit Bastet's Vosmaer, Den Haag 1967)

Vosmaer schreef: ‘Zondag 22 april: ten 10 uur naar Ingelheim, 10 1/2 aan. Dek had een wagen gezonden, den eenigen in Ingelheim.’

En mevrouw: ‘Een curieus, ouderwets, versleten wagentje, van binnen bekleed met een afgedankte dimette rok, stond op ons te wachten. We kropen er met ons drieën in, en strompelden met een even oudversleten paard, naar de woning van Multatuli.’

Vosmaer: ‘Lieve woning van 2 verdiepingen boven zware gewelven; comfortable en met smaak ingericht; beneden een prettige woon- en eetkamer, gezellig; boven Deks kamer met zijn boeken en schrijftafel, en daar naast Mieske's boudoir.’

Mevrouw: ‘De ontvangst was allerhartelijkst. Woutertje was snoezig, een bijzonder wel opgevoed ventje, zeer intelligent en weetgierig. Het is touchant om te zien hoe innig dat kind bemind wordt door zijne pleegouders. Het kind verkeert in het denkbeeld dat hij bij zijne ouders is; eenmaal zal er een tijd komen dat hem de waarheid zal moeten gezegd worden! Zijn vader leeft nog, is kolonel, zijn moeder is enigen tijd geleden gestorven; gelukkig, zeg ik. Zij was uit den fatsoenlijken stand, moest haren misstap verbergen voor hare overige kinderen, want dit kind mogt er niet wezen en zij deed gemakkelijk afstand van het schepseltje waar zij zich voor schamen moest.’

[p. 216]

Op maandag 23 april schreef Vosmaer: ‘'s morgens vonden wij de bomen wit van sneeuw en het was koud en guur. Een heerlijk verblijf van 2 dagen, vol hartelijke vriendschap, gezellig gekeuvel tot laat in de avond. Een avond speelde Woutertje met Mies een quatremain van Beethoven; hij zat op zijn stoeltje, het kleine ventje, en speelde met zijn kleine ronde handjes, met geplooide manchetjes, half bedekt, gans en al een kleine Mozart!’

Mevrouw: ‘hij (Dek) was zoo echt blij, Charles bij zich te hebben, en herhaalde meermalen hoe pleizierig hij het vond dat wij gekomen waren. Het was hoogst interessant bij zulk een wijsgeer, zoals hij, rustig een paar dagen door te brengen; ieder woord door hem gesproken, zegt iets, over alles en alles heeft hij nagedacht, niets is hem te gering, of ontsnapt hem, hij is de grote mensenkenner. Wij troffen koud weer, en zelfs sneeuw, niettegenstaande dat, maakten wij toch een wandeling. De eenzaamheid daar is groot, maar zij verlangen niets meer, en hebben genoeg voedsel in zich zelven, bovendien krijgen zij veel bezoek van vrienden. Het viel mij op zo bijzonder matig hij is, hij drinkt veel thee, maar overigens eet en drinkt hij onmogelijk weinig; wijn of dergelijke zaken gebruikt hij zelden, beschouwt de alcohol als allernadeligst voor de hersenen. Zelden houdt hij op met spreken, het stroomt er uit, het is verbazend, ik geloof niet dat zijne wederga bestaat. Woutertje is lief en aanvallig met zijne pleegouders, die het kind beminnen, verzorgen en leren, zo als de beste wezenlijke ouders het niet kunnen verbeteren. Beiden gaven zij mij de indruk van echte goede mensen, die veel geleden en gestreden hebben, en ook mishandeld werden.’

Zij waren opgetogen over hun verblijf, dat behoorde ‘tot de interessantste zaken’ van hun reis, noteerde Vosmaer de volgende dag, na afscheid genomen te hebben; de ‘lieflijke interessante herinnering eraan zou niet verbleken’.

 

Multatuli's invloed in Nederland groeide voortdurend, maar had het bekende gevolg dat hij in toenemende mate nagepraat werd zonder bronvermelding.

Het cultuurstelsel was in liquidatie, wat hij niet had gewenst. Er werden steeds verder strekkende maatregelen genomen om de Javaanse bevolking tegen ongerem-

[p. 217]

de vrij-arbeiders en andere uitbuiters te beschermen. Dit gebeurde stellig onder zijn invloed, maar zijn naam werd niet genoemd en eigenlijk had hij wat anders gewild.

Hij had gewaarschuwd tegen de oorlog met Atjeh. Er was niet naar geluisterd en een van de kostbaarste en bloedigste militaire avonturen uit Nederland's koloniale geschiedenis begon. Hij had alweer vergeefs zijn stem verheven.

 

Nieuwe helden die hetzij de maatschappij, hetzij de literatuur vernieuwen zouden, doken op. Sommigen kwamen er ook bij hem logeren.

Zo de anarchist Domela Nieuwenhuys: ‘Hij is 'n zeer beminnelijk mens, en 't kost moeite hem te zeggen dat men z'n stelsel voor onzin houdt.

Toch heb ik dit gedaan natuurlijk. Hij mocht niet in de waan verkeren dat ik 't met hem eens was. Wel deel ik z'n ontevredenheid met de bestaande toestanden, maar de oorzaken liggen mijns inziens niet waar hij die meent te vinden, en de herstellingsmiddelen die hij voorslaat noem ik krankzinnigenwerk.’

Domela Nieuwenhuys heeft een standbeeld in Amsterdam en zelfs een heel fraai standbeeld, Multatuli nog altijd niet.

En nooit eerder is er zo volledig en in zo weinig regels afgerekend met de pseudowetenschap van Karl Marx als door Multatuli in een brief aan Dr. H.C. Muller van 8 januari 1884: ‘Herhaaldelijk ben ik begonnen z'n werken te lezen. De man schrijft slecht, doch juist slecht op 'n manier die sommigen doet denken dat-i flink op de hoogte is. (...) Het kapitaal, mijne heren... Ei! Ik begrijp zelfs dat “het” niet. En om dat kapitaal te bestrijden, “het” kapitaal, moeten de werklui zich verenigen, geld bijeenbrengen, en dus... kapitaal vormen!’

Nu bestond er toen nog geen enkel marxistisch ingericht land.

Toch is nooit zo duidelijk de oorzaak aangewezen waardoor ‘werklui’ het in marxistische landen helemaal niet beter hebben en daar nog veel ongelukkiger zijn dan elders.

Maar men luistert niet naar hem.

 

‘Niet alleen dat ik niet socialist ben, ik ben anti-socialist. De socialisten willen de

[p. 218]



illustratie
Frederik van Eeden en zijn vrouw, Martha van Vloten, die, in haar prille jeugd, Multatuli wel eens ten huize van haar ouders had meegemaakt. (Letterkundig Museum, Den Haag)

[p. 219]

“Staat” almachtig maken, ik dring aan op de meest mogelijke inkrimping der bemoeienis van 't noodzakelijk kwaad dat men “Regering” noemt. Zij houden zich voortdurend bezig met het voorslaan van nieuwe wetten, ik beweer dat men zich hoofdzakelijk moest bezighouden met afschaffing van wetten. Zij blijken te smachten naar verzwaring van juk, ik eis, binnen de grens van 't mogelijke: vrijheid.’

Maar de socialisten kunnen het niet laten hem aan hun borst plat te drukken in een soort apeliefde. Hij verzet zich en plaatst op 12 november 1886 een advertentie: ‘Om misverstanden uit de weg te ruimen, verklaar ik dat de meningen der sociaaldemocraten over de middelen ter verbetering van de treurige toestand, waarin 'n zeer groot gedeelte der bevolking van Europa verkeert, mij voorkomen in hoofdzaak onjuist te zijn.’

Vergeefs. Tot ver na zijn dood zullen marxistisch aangebrande wijsneuzen hem loven, prijzen, herinterpreteren, tot voorganger uitroepen, en op zijn ideologische tekortkomingen wijzen.

‘Op geen enkel gebied mocht ik de minste blijken vinden dat de Natie m'n pogen op prijs stelt... Zelfs in de door mij zelf zo verachte letterkunderij word ik doodgezwegen...’

Het Nederlandse Rijk was in Multatuli's dagen een van de acht grootste rijken ter wereld. Nederlanders hadden van zichzelf en van de Nederlandse literatuur een heel wat hogere dunk dan tegenwoordig gebruikelijk is.

Van Lennep stelde Shakespeare beneden Vondel, Busken Huet meende dat Flaubert overtroffen werd door de predikant-romancier Van Koetsveld.

De Tachtigers, zoals Kloos, Van Deyssel, Paap en Van Eeden begonnen een andere kijk op de verhoudingen te ontwikkelen en het lijdt geen twijfel dat zij dit deden onder invloed van Multatuli. Paap werd zijn vriend. Van Eeden bracht hem een onaangekondigd bezoek, waarbij zijn vrouw hem vergezelde. Van Eeden's vrouw was een dochter van Van Vloten. - Multatuli vond het ‘groots’ dat Van Eeden haar meebracht.

 

Deze onmoeting, de eerste en enige tussen Van Eeden en Multatuli tijdens het leven van laatstgenoemde, zou toch niet de laatste zijn! Blijkens Van Eeden's Dagboek heeft

[p. 220]

in het jaar 1917 Douwes Dekker zich enkele malen gemanifesteerd op spiritistische seances waaraan Van Eeden deelnam. ‘Ik was er zeeker van dat hij bekeerd was en nu vroom, en vol godsvertrouwen’, noteerde Van Eeden (16 okt. 1917), ‘... Hij had een Gebed van een Weetende geschreeven, dat een teegenhanger zou zijn van het gebed van een onweetende, en dat was werkelijk zeer diep en mooi.’

Maar op 8 juni 1918 legde Van Eeden (tijdens een seance) enkele hem toegezonden indrukwekkende verzen over Jezus voor aan een ‘Onbekende’, en hij vroeg aan deze: ‘... of D. Dekker (de Onbekende was blijkbaar een geest van hoge rang, WFH) er iets van zeggen zou, het is zoo na aan hem verwant. Maar dat werd niet goed geacht. Daarvoor was Dekker nog niet ver genoeg.’

Op 26 oktober 1918 vertelde de geest van de op 31 juli 1914 vermoorde Franse socialistenleider Jean Jaurès aan Van Eeden dat hij ‘innig verbroederd was met Dekker’.

 

Maar aan het zeer Nederlandse literaire verschijnsel: met veel vergezochte woorden weinig ideeën uitdrukken en dat dan voor zeer hoge literatuur houden, maakten de Tachtigers geen einde. Multatuli leefde lang genoeg om de tekenen daarvan te wichelen. Hij kon er zich niet op beroemen school te hebben gemaakt en deed dat dan ook niet.

 

Vrij plotseling sterft Funke. Hotz was al in 1875 overleden.

Hijzelf wil ook dood, al jaren. Toch is hij niet alle dagen treurig. Nog steeds gaat hij vliegers oplaten met Woutertje, ‘'n ware hartedief’, ‘'n lot uit de loterij’.

Zijn geheimste ambitie schijnt te zijn geweest eens een vlieger te maken die in de lucht zou blijven zonder aan een touwtje vast te zitten.

Van dit soort waren al zijn ambities min of meer, maar de tijd was nog niet rijp voor zulke vliegers.

Soms schrijft hij ook nu opgewekte brieven, waarin hij uitvoerig en vermakelijk over amusante kleinigheden uitpakt. En zelfs een nieuwe liefde, al zal het dan wel een platonische geweest zijn, kruist zijn pad.

[p. 221]



illustratie
Marie Berdenis van Berlekom (1860-1922); op deze groepsfoto, gemaakt ten huize van haar vader te Middelburg in oktober 1892, staat zij geheel rechts; naast haar, met snor, haar zwager Wibaut. (Collectie mevrouw J. Keppler, Amsterdam)

Ze is ruim twintig jaar, heeft een dubbele achternaam zoals het hoort, ze heet Marie Berdenis van Berlekom en is een dochter van een rijke arts te Middelburg.

Ze had enkele lezingen van hem aangehoord en discussieerde daarover met haar broers en zusters, waarvan een, Mathilde, later de socialistenleider Wibaut huwde.

Ze zou Multatuli zeer lang overleven.

Toen zij uit Keulen, waar zij muziek studeerde, naar Nederland moest terugkeren, maakte zij een grote omweg om de vereerde schrijver een bezoek te brengen. Hierover schreef ze (in ‘De Amsterdammer’, no 1714, 1910):

‘“Herr Douwes Dekker?” - “Der wohnt da oben ganz allein auf der Höhe”, antwoordde een kleine boerenjongen (op 22 augustus 1885, WFH) aan een jong meisje dat, uit Frankfort gekomen, op het perron van het station in 't dorpje Nieder-Ingelheim vragend rondzag. Zij was op weg naar Holland, naar huis, aan 't eind van een muziek-studietijd in Duitsland, en had de sneltrein te Mainz verlaten en de zijlijn naar Nieder-Ingelheim genomen, om de grote vriend Multatuli even de hand te mogen drukken, om hem even te mogen danken. Zij kende hem persoonlijk niet; zij wist niets van zijn leven, zij wist alleen dat, sinds zij zijn werken had leren kennen, zij geheel door hem beheerst was. Doordrongen van een Byroniaanse Weltschmerz verplaatste haar een Multatuli-studie als 't ware plotseling van een dorre, hete vlakte in het koele, groene woud, waar een frisse luchtstroom alle schadelijke dampen met zich voert. (...) En, zich spoedend op de eenzame weg, werd het haar wonderlijk te moede. Het pad steeg, de horizon verbreedde zich, en het landschap werd wijder beneden haar. Daar zag zij de Rijn kronkelen als een zilver lint. - Hoe ver lag het dorpstorentje reeds achter haar! - Zo stil was het en zo vreemd: niemand, ook niet haar vader, de vertrouwde vriend, had zij zelfs het denkbeeld van dit bezoek kunnen mededelen! - Zou “hij” haar trouwens ontvangen? - Op haar, tot kort voor 't vertrek uit Frankfort uitgestelde, met motieven omklede vraag, was immers geen antwoord meer mogelijk geweest!... Daar, “auf der Höhe”, een landhuis, wit, met groene blinden in een uitgestrekte tuin. Vriendelijk, doch wat verveloos was de woning; in de tuin groeide het gras tussen de stenen. “Die Dame aus Frankfurt? Der Herr erwartet Sie.” En, door een net dienstmeisje in zijn studeervertrek geleid, - het een-

[p. 222]



illustratie
Na haar muziekstudie, o.a. in Duitsland, vestigde Marie Berdenis van Berlekom zich als muziekpedagoge; zij bleef ongehuwd. Haar leskamer te Middelburg; een groot portret van Multatuli hing boven haar bureau. (Collectie mevrouw J. Keppler, Amsterdam)

voudig tapijt kon slechts gedeeltelijk de reten in de vloer bedekken -, greep een slanke man, bleek, met licht-blauwe zienersogen, haar beide handen.

“Is u niet boos, dat ik gekomen ben?”

“Kindlief, dan zou ik wel een hart van steen moeten hebben.”

Blijven moest zij die dag; zijn vrouw, Woutertje, zien. En, in de lichte huiskamer, met prachtig uitzicht op de Rijnvlakte, welke onvergetelijke uren volgden daar! - 't Was er zo veilig en rustig, zo'n heerlijk luisteren. Want elk onderwerp door hem aangeroerd, vertoonde zich in tal van nieuwe kleuren, als in een kaleidoscoop, waar, bij de geringste beweging, de glasdeeltjes geheel andere figuren vormen, of als een somber landschap, dat, plotseling verlicht door de zon, geheel nieuwe effecten biedt. Het kleinste in zijn hand werd groter en groter, en men kon slechts, diep aangegrepen, zich laten opvoeren. Geruisloos, met fijne tact, verhief zich nu en dan de sympathieke gestalte zijner vrouw tot het verrichten ener kleine huishoudelijke bezigheid. En, als na 't eenvoudig maal, en 't door Woutertje gebracht dessert: een appel in een kransje van madeliefjes en boterbloempjes, wij de tuin afdaalden naar de met wijngaardranken beklede “Laube”, hoe lieflijk werd toen het gesprek. - Hoe toonde hij, Nederlands grote dichter, - met zéér bescheiden middelen in den vreemde wonend, in 't afgelegen woonhuis hem door een vriend geschonken -, zich tot in 't kleinste zorgzaam voor de zijnen, voor ieder die met hem in aanraking kwam. Hij, die zijn bestaan geofferd had om het niet willen dulden van onrecht, hoe leed hij onder de minste ruwe aanraking van anderen. - Grote goedheid, grote zachtheid spraken uit zijn wezen, en drukten haar stempel op het stille gezin in 't verre Ingelheim.’

 

Zij wisselden heel wat brieven. ‘Ik geloof dat je mij liefhebt en dit is zeer goed, je hebt er gelijk in, want ik ben 'n goed mens’, schrijft hij aan ‘Lieve Marie’, ook wel ‘m'n lief kind’ genoemd. Ze zouden elkaar na die ene keer nooit meer terugzien. Maar zelfs in de brieven aan haar dringt zijn nog aldoor en vaak terecht toenemende verbittering door: ‘Onlangs moest ik schrijverij van mij in druk zien van de jaren 1842 en 1854, dat is van 44 en 32 jaar geleden! 't Was in de zogenaamde levensbeschrijving van mij door Busken Huet. De man wist nagenoeg niets van m'n leven, maar dat kan

[p. 223]



illustratie
Mimi en Wouter aan de piano, getekend door Vosmaer.

[p. 224]



illustratie
De arts Hendrik de Vries, die Multatuli nog enkele dagen voor diens dood bezocht.

zo'n métier-schrijver, zo'n artikel-fabrikant niet schelen. (...) Hij was in 't bezit gekomen van 'n paar brieven (aan 'n derde namelijk die geen recht had ze hem af te staan).’

Busken Huet's door velen zeer geprezen ‘levensbeschrijving’ getuigt inderdaad van de grote onbeschaamdheid die de ex-predikant de zijne noemen mocht. Zonder Multatuli's medeweten of toestemming publiceerde hij lange fragmenten uit de Dagboekbladen van een Oud Man, die hij uit de brief aan Kruseman d.d. 24 februari-6 mei 1851 had geplukt. En dat na alles wat er tussen hen was voorgevallen!

‘M'n astma plaagt me vreselijk. Niet voortdurend even erg, maar soms zó dat ik meen te stikken.’ (11 december 1886)

 

Ruim twee maanden later, op 19 februari 1887, stikte Multatuli inderdaad, nog niet echt heel oud en, afgezien van zijn astma en zijn al in de tropen aangetaste lever, die hem een gelige gelaatstint bezorgde, goed gezond. Het ging hem een beetje als een van de kanaries die hij eens had bezeten en waarover hij op 24 januari 1881 geschreven had in een brief aan Woutertje, die de volgende dag vijf jaar worden zou:

‘Mijn lieve beste beste jongen. Morgen is ons lief kind jarig. Dàt betekent dat er juist een jaar voorbij is en dat je dus een jaar ouder bent. Het is wel waar dat je elke dag een beetje ouder wordt, maar als er 365 dagen voorbij zijn is dat 'n heel jaar. En 't is nu al voor de vijfde maal dat je jarig bent. Wij zijn er heel blij om dat je elke dag 'n klein beetje groter wordt en nu al vijf jaar oud bent. Héél oud is dat nog niet, maar voor 'n kind is 't al redelijk. Zo'n hele, hele, hele kleine poen als vroeger ben je niet meer. En elk jaar word je 'n beetje groter. Eindelijk als je 20 jaar bent, word je net zo groot als papa.

Och, wat ben ik verdrietig dat ons pietje dood is. We hadden dat lieve diertje zo lang gehad! En vroeger zong hij zo lief. Maar het laatste jaar bemerkte ik wel dat hij niet heel wel was, omdat hij niet meer zong. Nu denk ik dat hij al lang ziek geweest is en dááarom geen plezier in zingen had. Maar ik begrijp het tòch niet. Want anders, als vogeltjes ziek zijn kan men het zien aan de veertjes. En ons pietje had altijd goede veertjes, en mooi geel van kleur.’

terug  begin  verder