terug  begin  verder
[p. 241]

Bijlage I Artikelen en polemieken (1975-1984)

[p. 242]

Nieuwenhuys tegen de mythen (Het Parool, 12 april 1975)

Wat er in de Haagse Post staat

Onder de titel Multatuli en de mythe van Lebak publiceerde de Haagse Post, op 22/3, 2/4 en 12/4 1975 een uitvoerig opstel van Rob Nieuwenhuys.

Nieuwenhuys is van mening dat het gros van de mensheid nog steeds geen juiste kijk heeft op de Lebakzaak (1856) waaruit, vier jaar later, de roman Max Havelaar zou voortkomen, het meest schokkende boek van Nederland's negentiende eeuw.

Nieuwenhuys releveert wat er gebeurde: anno 1856 was Nederlands-Indië toevertrouwd aan de hoede van de gouverneur-generaal Duymaer van Twist, een liberaal en vooruitstrevend man. Het bestuur van de kolonie was sinds het eind van de 18e eeuw dualistisch: de daar vanouds heersende hoofden waren door Nederland beroofd van hun souvereine rechten en omgetoverd tot gesalarieerde bestuursambtenaren in Nederlandse staatsdienst. Zij werden terzijde gestaan, d.w.z. op de vingers gekeken door ambtenaren van Nederlandsen bloede. Deze laatsten hadden de opdracht de bevolking te beschermen tegen afpersing door hun eigen hoofden. Afpersing? Hoe dat zo? Wel, deze hoofden, van huis uit feodale vorsten, beschouwden de bevolking en alles wat deze bezat, nog altijd min of meer als hun eigendom, ongeveer zoals de Europese vorsten deden in de Middeleeuwen en ook later nog. De bevolking dacht grotendeels dat het zo hoorde. Op grond van het inheemse recht (adat), oude gebruiken, geloof, bijgeloof en tradities, was het gezag van deze hoofden groot en kwam er pas opstand bij uitzonderlijke excessen. De Nederlandse ambtenaren dachten er anders over en waren ook krachtens hun ambtseed verplicht er anders over te denken.

Een van deze ambtenaren was Eduard Douwes Dekker, die op 22 jan. 1856 assistent-resident van Lebak (residentie Bantam) geworden, een maand later de regent (zijn inheemse wederhelft, zo te zeggen) betichtte van misbruik van gezag en afpersing (‘knevelarij’: het in dienstbetrekking tegen geen of te geringe betaling in beslag nemen van karbouwen, enz.). Dekker's onmiddellijke chef, Brest van Kempen, vond de aanklacht overijld. Zijn hoogste chef, Duymaer van Twist beloonde Dekker met overplaatsing en een berisping. Douwes Dekker, diep gekrenkt, vroeg ontslag, kreeg het prompt, zwierf drie jaar werkloos rond, schreef Max Havelaar onder het pseudoniem Multatuli, werd op slag beroemd en zou de geschiedenis in gaan als een bestrijder van het kolonialisme. Nieuwenhuys ontkent, zeer terecht, dat Multatuli een strijder tegen het kolonialisme zou zijn geweest zonder meer, maar hij gaat verder. Hij poogt aan te tonen dat Brest van Kempen en Duymaer van Twist absoluut gelijk hadden en Dekker absoluut ongelijk. Waarom? Omdat Nieuwenhuys het toenmalige Nederlandse beheer van Indonesië zo bewondert? Het zou er haast op lijken, maar dat is het toch niet. Het is omdat Multatuli te weinig van Indonesië af wist, omdat hij volk, taal en vooral de ‘adat’ onvoldoende kende. Hij had ten onrechte een grote mond tegen zijn chefs die beter op de hoogte waren. Hij zag de Indonesiërs door een Europese bril en dat was, volgens Nieuwenhuys, zijn grootste fout. ‘Zijn visie was veel te simplistisch... Het gaat er niet om of er misbruiken waren - ze waren er inderdaad en ze waren waarschijnlijk “verregaand” - maar om de bestrijding ervan. En deze had moeten uitgaan van de sociale en culturele structuur in Banten (= Bantam, WFH), in ieder geval met

[p. 243]

inachtneming van de in die maatschappij geldende normen en niet zoals bij Multatuli, met een beroep op de wet en het reglement; met andere woorden, op het superieur geachte westerse recht en rechtsgevoel. Een dergelijke europacentrische visie en de onmogelijkheid van Dekker zich daaraan te onttrekken, hebben hem als bestuursambtenaar op een verkeerd spoor gezet.’ (HP 12/4/75)

Over Mythen gesproken

Nieuwenhuys vertelt dit verhaal grotendeels niet voor het eerst. Als ik het goed heb is hij er al mee voor de dag gekomen in 1957. Toen schreef hij weliswaar nog niet alle plaatsnamen op z'n Indonesisch (behalve dat hij ook nu nog Java spelt en niet Djawa) en zo is er nog het een en ander veranderd. Hij heeft er zelfs, lang geleden al, een litteraire prijs voor gekregen. Nog niet genoeg: Zijn exposé is in de loop der jaren niet onweersproken gebleven maar Nieuwenhuys laat zich niet weerhouden het oude verhaal telkens opnieuw te vertellen, nu al voor de vijfde keer. Nieuwenhuys drukt hierin de voetstappen van andere Multatulikenners, zoals o.a. Jhr. de Kock en J. Saks, die ook voortdurend hun oude betogen opnieuw uitgaven. Hij voegt er wel zo nu en dan iets aan toe, maar een ding blijft hetzelfde: Multatuli had ongelijk, Multatuli wou het fout.

Zoals de meeste mensen die vinden dat Multatuli ongelijk had, ontkomt ook Nieuwenhuys niet aan het gevaar de feiten geweld aan te doen, hoeveel leerrijks zijn opstel ook bevatte en blijft bevatten (al is er voor Multatulikenners niets nieuws bij).

Over mythen gesproken: een van de hardnekkigste mythen die over Max Havelaar bestaan, is dat het boek bij zijn verschijnen ‘een rilling door den lande gaan deed’. Ook Nieuwenhuys knielt voor deze mythe. In werkelijkheid gebeurde het volgende: Op 25 september 1860 zei het lid van de Tweede Kamer, Van Hoëvell, dat er ‘de laatste tijd een zekere rilling door het land gegaan was, veroorzaakt door een boek’. Een ‘zekere rilling’, dat is wel wat anders dan een rilling, nietwaar. Van Hoëvell kan niet veel meer bedoeld hebben dan ‘Nogal wat gepraat over’. De heer Mijer uit Zwolle, ex-procureur-generaal in Nederlands-Indië, nam daarop het woord en vertelde dat Duymaer van Twist, bij een andere gelegenheid, wel degelijk een machtige regent had durven straffen. Ten slotte stond Van Twist, inmiddels ex-gouverneur-generaal en ook Lid van de Tweede Kamer, zelf op. Hij dankte het ‘geachte medelid uit Zwolle voor hetgeen hij te dezer gelegenheid aan deze Kamer heeft medegedeeld. Het zal u tenminste de overtuiging geven, dat de afgetreden Gouverneur-Generaal niet terugdeinsde om ook de voornaamste hoofden van Java te straffen, wanneer hunne schuld was gebleken na een behoorlijk onderzoek.’

Daarna werd er nooit meer over gepraat in de Kamer. Auteur noch boektitel waren bij name genoemd. Tot 1875, in vijftien jaar, werden er door Van Lennep's succesvolle tegenwerking, niet meer dan enige duizenden exemplaren van Max Havelaar verkocht. Dat was de hele rilling. Mijer was conservatief, d.w.z. een politieke tegenstander van Van Twist. Toch verdedigde hij Van Twist. Multatuli stond in de politieke wereld totaal alleen. Het moet anno 1860 in Nederland al gekrioeld hebben van de Nieuwenhuyzen! De mythe van de rilling is pas jaren later ontstaan, toen Max Havelaar inderdaad een enorme invloed kreeg op nieuwe generaties schrijvers, politici en Indische bestuursambtenaren. Voor de schrijver zelf kwam dat te laat. Ik kan aantonen en zal dit elders doen, dat hij in zijn jaren van strijd nooit door enige Nederlandse politicus au sérieux genomen is. Dit was gedeeltelijk zijn eigen schuld, want hij was een integer man en geen politicus. De grootste politieke ‘fout’ die hij maakte, maakte hij uit overtuiging: hij sloot zich niet aan bij de liberalen, die aanvankelijk erover dachten hem te steunen. Dit, dat hij de liberalen niet om de hals vloog, is voor mijn gevoel een heroïscher daad nog dan zijn ontslag nemen in 1856. De liberalen, namelijk, waren van mening dat de oorzaak van de knevelarijen gelegen was in het toenmalige staatsondernemerschap, het cultuurstelsel. Afschaffing daarvan en vervanging door het particuliere ondernemerschap zou een verbetering voor de bevolking beduiden, beweerden zij. Maar Max Havelaar is geen betoog tegen het cultuurstelsel. Multatuli meende dat niemand, staat noch particulier de bevolking tot het verbouwen van voor Nederland winstgevende gewassen brengen kon, zonder de medewerking van de inheemse hoofden, dus zonder deze misbruikers van hun macht naar de ogen te zien. Hij had daarin volkomen gelijk. Het cultuurstelsel werd toch afgeschaft. De eerste jaren daarna werd de toestand van de bevolking eerder slechter. Beter ging het pas, toen Max Havelaar zijn invloed had doen gelden op latere generaties, toen de westerse normen van recht en billijkheid dieper doordrongen in de kolonie en het Nederlandse bestuur de particuliere ondernemer aan soms zeer strakke banden legde. Dit nu was uiteraard geenszins de bedoeling geweest van alle liberalen die het cultuurstelsel hadden bestreden. En Multatuli zag dit heel goed. Hij handelde naar dat inzicht en verbruide het bij alle twee de partijen. Meer dan twee partijen waren er in

[p. 244]

Nederland toen niet, dus hij stond buiten spel. Iemand als Napoleon zou het handiger hebben aangepakt.

Tweede mythe: Multatuli wou voor Napoleon spelen. Ook Nieuwenhuys hangt deze mythe aan en is ook hier de eerste niet die dat doet. Napoleontische neigingen worden Multatuli in de schoenen geschoven op grond van het feit dat hij (zoals tallozen toen en later) Napoleon bewonderde. Ja, hij bewonderde Napoleon, hij zou misschien ook wel Napoleon hebben willen zijn, maar dan toch alleen als een toverfee hem dat op een presenteerblaadje had aangeboden -want: hij heeft geen enkele poging gedaan zoiets als Napoleon te worden, nooit.

Een andere van de al lang bestaande mythen luidt dat Dekker uit zucht promotie te maken zo ‘overijld’ handelde en overigens het lot van de Javaan aan zijn laars lapte. Nieuwenhuys zegt dit niet in zo denigrerende woorden, maar de kans dat hij het denkt, lijkt me niet uitgesloten. Hoe anders de in al zijn stukken weerkerende vergissing te verklaren dat er in de Brief aan de Gouverneur-Generaal in Ruste de volzin zou voorkomen: ‘Beseft Uwe Excellentie dat mijn request van ontslag was een request van promotie?’ Dat staat daar namelijk niet in. (Het staat wel in een pas in 1937 gepubliceerd klad, door Multatuli jaren eerder geschreven dan de Brief.)

Klakkeloos herhaalt Nieuwenhuys het verhaal, pas na Multatuli's dood rondgestrooid door Van Sandick, die het nota bene van de regent zelf had, dat Multatuli in Lebak niets anders gedaan zou hebben dan met natte doeken om zijn hoofd tegen de hoofdpijn, op zijn kamer zitten. ‘Al die tijd ging hij niet op toernee’, zeggen de vijanden al honderd jaar en Nieuwenhuys met hen. ‘Al die tijd?’ Hij was er een maand toen hij de regent wilde aanpakken. Zijn aanklacht was slecht voorbereid, maar in wezen juist. Hij handelde overijld, toegegeven, maar wat moest hij anders? Van Twist, op wie hij ten onrechte bouwde, stond op het punt af te treden. Dat hij van Pahud, de opvolger, niets te verwachten had, wist hij heel zeker. En terecht.

Onjuist is ook het door Van Twist later in de wereld gebrachte verhaal dat de Raad van Indië geadviseerd had Dekker te ontslaan, maar, die nobele Van Twist, die ontsloeg hem niet, gaf hem alleen een overplaatsing en een standje. Welnu, de Raad van Indië heeft niet geadviseerd Dekker te ontslaan, maar alleen hem te ‘ontheffen’ van het assistent-residentschap te Lebak. ‘Ontheffen’ is niet hetzelfde als ontslaan. Wat er dan verder met Dekker gebeuren moest, daarover heeft de Raad zich niet uitgelaten. Van Twist ‘onthief’ Dekker inderdaad. De mythevormer is hier Van Twist en in zijn voetspoor Nieuwenhuys, die het bewaard gebleven schriftelijke advies van de Raad niet gelezen heeft of niet goed.

Mooi is ook dit: ‘In ieder geval’, schrijft Nieuwenhuys, ‘- en het wordt tijd hier met een legende af te rekenen - is Brest van Kempen niet te vereenzelvigen met Slijmering.’ Zo, zo, wordt dat tijd? De Kock en ook Du Perron hebben niets anders gezegd. Ik meen zelfs te weten dat het in 1860 al gezegd is door een van de eerste besprekers van Max Havelaar, H. des Amorie van der Hoeven, die Dekker persoonlijk kende, in het Bataviaasch Handelsblad van 24, 27 en 31 okt. 1860. (Ik ken die artikelen helaas slechts van horen zeggen. In de Brieven en Documenten zijn ze niet opgenomen en Professor Stuiveling, onze opper-Multatulikenner, wie ik ernaar vroeg, kon mij zelfs na maanden speuren er niet aan helpen. Smeekbede: is er iemand die dat wel kan?)

Wat beoogt Nieuwenhuys?

Op het eerste gezicht zou het kunnen schijnen dat hij al deze oude koek te voorschijn gehaald heeft, om in het licht te stellen hoe voortreffelijk het Nederlandse bewind over Indonesië wel was - en dat zou dan op zichzelf al stok- en stokoude koek zijn.

Zo stokoud, dat je je nauwelijks kunt voorstellen hoe iemand er nog zijn tanden in kan zetten, nu Indonesië al bijna dertig jaar geen Nederlandse kolonie meer is. Haast nog moeilijker is het zich voor te stellen dat, als dit Nieuwenhuys z'n bedoeling was, de Haagse Post het zou hebben geplaatst.

Toch gebruikt hij grotendeels dezelfde argumenten als talloze voorgangers die dat wel degelijk bedoelden. Maar hij gaat een stapje verder en denkt dan het omgekeerde te bereiken: niet alleen Multatuli deed het verkeerd, ook al die andere ambtenaren die de achterlijke rechtstoestanden fors wilden aanpakken deden het verkeerd. Ze hadden geen begrip voor een ‘inlands bestuur met een eigen levensstijl, van aristocratische allure, met een eigen positie en een eigen houding... Dit blijkt maar al te vaak uit officiële stukken, waarin al te lichtvaardig gesproken wordt over “despotisme”, “slaafse onderworpenheid”, “fanatisme” en zo voort, termen die een Westerse evaluatie inhouden.’ En, beweert hij ook: ‘De karbouwenroof was geen karbouwenroof, maar een door de adat gesanctioneerde hommage aan de vorst.’ We geloven hem graag.

Maar ja, op die manier hebben de Europese kolonisatoren werkelijk alles verkeerd gedaan: ze hadden de weduwenverbranding in India niet moeten bestrijden, het koppensnellen op Borneo beter moeten begrijpen, het kannibalisme

[p. 245]

in bewondering moeten gadeslaan, want elke veroordeling van deze en dergelijke uitheemse zeden, berust (zeker!) op ‘typisch westerse evaluaties’.

Hoe had het dan moeten zijn, volgens Nieuwenhuys? Had Nederland anno 1860 Indonesië berouwvol moeten verlaten na het onder het gezag van een soort Negus van Ethiopië met karakteristieke hofhouding te hebben geplaatst? Of zou de ontwikkeling van Indonesië dan heden ten dage honderd jaar hebben stilgestaan?

Nieuwenhuys zal met zijn beschouwing stellig sommige Indonesische nationalisten een plezier doen, die - wat vergefelijk is - ongaarne erkennen dat ook maar een vertegenwoordiger van de Nederlandse overheersing ooit iets goeds heeft gewild.

Weliswaar is hun huidige regering officieel geenszins het logische vervolg van de oude inheemse regentenheerschappij, is zij, integendeel (op papier tenminste) geheel op westerse juridische inzichten gebaseerd, maar dat dit een uitvloeisel is van de voormalige Nederlandse kolonisatie, herinneren zij zich liever niet. In geen geval willen ze eraan worden herinnerd dat hun inheemse vorsten feitelijk, door als Nederlands ambtenaar op te treden, met de vijand heulden, om het zo eens uit te drukken en daarom hebben ze dan ook vier jaar geleden de verfilming van De Stille Kracht verboden. Die toestanden waren wel zo, zei mij een hoge Indonesische functionaris, maar ons volk is er nog niet rijp voor met de herinnering eraan te worden geconfronteerd.

Alle voormalige koloniën zijn alom ter wereld zelfstandig geworden, zonder de regeringsvormen die daar bestonden voordat ze koloniën werden, in ere te herstellen. Hun wetgevingen zijn naar Europees model opgesteld en het ‘roven’ van karbouwen en dergelijke gebruiken zijn verboden gebleven. Het zou kunnen pleiten voor de superioriteit van de tijdens het koloniale tijdperk ingevoerde westerse bestuursethiek. Maar nee, Nieuwenhuys ziet dat allemaal veel relativerender. En daarmee zal hij ongetwijfeld ook al diegenen een plezier doen, die staande houden dat er geen enkele Europeaan ooit iets goeds naar de koloniën heeft gebracht, met een uitzondering: Karl Marx. Karl Marx, die bedacht het allemaal immers alleen maar achter zijn schrijftafeltje, die heeft nooit in enige kolonie een voet gezet, laat staan dat hij bestuursambtenaar zou zijn geweest. Die heeft schone handen. (En toch is hij nu de aartsvader van de meest tirannieke en bloeddorstige regeringen die de aardbol ooit gekend heeft. De communisten, die hebben het in de gaten hoe karbouwenroof en dergelijke moeten worden ‘geëvalueerd’!)

Droogstoppel, die gemene dief

Maar zonder gekheid, Nieuwenhuys ziet toch een kleinigheid over het hoofd en dat is dat Max Havelaar en het hele overige oeuvre van Multatuli iets veel belangrij kers aan het licht brachten dan een ambtenarenruzie te Lebak. Mogelijk onthulde Multatuli de Lebakzaak onvolledig, onnauwkeurig, was hij soms niet correct opgetreden tegen de regent, wou hij over zijn chef heen lopen en al wat men maar wil, maar een ding zette hij kristalhelder uiteen. Dat was de dubbelslachtigheid van elk koloniaal bewind, als het tenminste geen onverbloemde roof- en moordpartij meer is. De bezadigdheid van Brest van Kempen en Duymaer van Twist, die door Nieuwenhuys zo wordt bewonderd, hun terughoudendheid op het gebied van Europese evaluaties tegenover inheemse gebruiken, Multatuli wantrouwde dat alles als berekening, gemakzucht, sleur. Want hij wist dat in die tijd het niet het voornaamste was Indië zo redelijk mogelijk en met zoveel mogelijk begrip te besturen. De hoofdzaak was er zoveel mogelijk aan te verdienen, met zo weinig mogelijk trubbels. Droogstoppel, die ‘gemene dief minus de moed om in te breken’ wilde niets liever. Op Nieuwenhuys afgaand, zou je denken dat het Nederlandse bewind een groot onbaatzuchtig zendelingenbedrijf was en dat de inheemse regenten niets deden dan hun geërfde rechten verdedigen tegen de bemoeizucht van vreemde indringers. Voor het begrip ‘schijnheiligheid’ heeft Nieuwenhuys geen emplooi.

Maar tijdens het cultuurstelsel trad de Nederlandse overheid tegelijkertijd op als dief en als politieagent. Na het afschaffen van het cultuurstelsel werden deze functies gescheiden - en toch waren de vrije ondernemers ook Nederlanders en ze hadden stemrecht en ze benoemden de politie zelf.

Max Havelaar is meer dan een kritiek op een bepaald soort mensen in een bepaalde tijd. Het is een kritiek op de onuitroeibare menselijke zwakte en de menselijke gemeenheid in het algemeen. En daaraan moet het mijns inziens geweten worden dat Multatuli nog altijd zo tot tegenspraak prikkelt. Hij leek een optimist doordat hij remedies aangaf tegen de kwalen die hij aantoonde, maar hij was een pessimist, want hij liet voortdurend blijken en gaf dit later ook toe in woorden, dat hij eigenlijk in de verbetering van de mens niet geloofde.

Hij toonde de corruptie waartoe het door de conservatieven gehuldigde cultuurstelsel kon leiden, maar hij geloofde niet in de denkbeelden van de liberalen. Hij geloofde niet aan God

[p. 246]

en niet aan Marx. Hij geloofde aan geen enkel systeem. Hij zag mensen die mooie praatjes verkochten en ondertussen hun beurs vulden. Voor deze soort mensen heeft Nieuwenhuys geen oog. Maar Multatuli zag in wezen niets anders. Hij zag ook Havelaar niet als een reine held en zelfs niet altijd zichzelf.

In wezen is Max Havelaar een parabel en geen politiek vertoog. En daarom leeft Multatuli nog en zijn al die anderen: Van Twist, Brest van Kempen, Van Hoëvell enz. morsdood, al duiken hun namen natuurlijk steeds weer op in de studies die er aan Multatuli worden gewijd.

terug  begin  verder