terug  begin  verder

De koppige klimaatschieter (Hollands Diep, 3 juli 1976)

Toen de ambtenaar E. Douwes Dekker in 1856 betrokken was geraakt in het ambtelijke conflict dat bekend zou worden als ‘de Lebakzaak’, moet al vrij gauw het praatje ontstaan zijn dat de Raad van Indië aan de gouverneur-generaal had voorgesteld Dekker ‘op staande voet te ontslaan’.

Daar was niets van waar.

De Raad had voorgesteld Dekker eervol te ontheffen van het assistent-residentschap van Lebak, als zijnde daarvoor ongeschikt (te weten voor dat assistent-residentschap aldaar) en verder werd er niets voorgesteld, al werd er misschien wel nog iets meer gesuggereerd. Dekker werd door de G.-G. eervol ontheven van het assistent-residentschap van Lebak en in dezelfde rang herplaatst te Ngawi.

Maar het praatje bleef bestaan.

In 1900 publiceerde J.B. Meerkerk wat hij een ‘karakterstudie’ noemde: Eduard Douwes Dekker - Multatuli. Op p. 173 hiervan staat parmantig: ‘Dekker wist niet dat de Raad van Indië hem terstond had willen ontslaan...’

Enzovoorts.

In 1912 publiceerde Meerkerk een tweede versie van zijn boek. Hij was lang zo'n koppige man niet als Nieuwenhuys. Meerkerk had zijn boek helemaal herschreven, o.a. omdat inmiddels De Bruyn Prince de op ‘Lebak’ betrekking hebbende documenten had geopenbaard. Op p. 214 van Meerkerk's tweede versie staat dan ook dat de Raad van Indië het advies gaf Dekker eervol te ontheffen van de verdere vervulling van het assistent-residentschap van Lebak.

(Meerkerk's boek is overigens, ook in tweede versie, verouderd en rijk aan fouten.)

In de studie van Saks (1937) is ook sprake van ontheffen en niet van ontslaan.

Je zou denken dat de zaak daarmee uit de wereld was?

Mispoes.

In De man van Lebak door E. Du Perron, tweede herziene druk (1949; het manuscript was uiteraard voltooid in 1940, toen Du P. stierf) staat het in een voetnoot (blz. 101) weer verkeerd, hoewel men in de hoofdtekst (op blz. 323) lezen kan: ‘Men begrijpe wel: de eervolle ontheffing van zijn taak bij het binnenlands bestuur stond niet gelijk met een ontslag.’

Ontheffing van zijn taak bij het binnenlands bestuur? Dat staat er feitelijk niet in het advies van de Raad. Er wordt geadviseerd, als gezegd, tot ontheffing van zijn taak te Lebak en de mogelijkheid tot herplaatsing bij het binnenlands bestuur elders bleef open.

Was dat alles? Misschien niet. Er valt ook wat te zeggen voor Du Perron's interpretatie.

De Raad herinnerde er namelijk ook aan (en

[p. 247]

zelfs nogal nadrukkelijk) dat Dekker niet was opgeleid voor het binnenlands bestuur. Zelfs Van Twist ‘wist niet zeker’ of zoiets als een herplaatsing te Ngawi (wat hij deed) bedoeld kon zijn door de Raad (zie Multatuli, VW, ix, 566, regel 12 van onderen). Ik heb in De raadselachtige Multatuli (p. 44, dit boek p. 51) aangenomen dat er bedoeld was ongeschikt voor het binnenlands bestuur. Absoluut zeker is het daarentegen dat er nooit sprake is geweest van ontslaan, voor Dekker er naderhand zelf om vroeg.

Omstreeks 1955 begon Nieuwenhuys. Nieuwenhuys verkondigt al twintig jaar de stelling dat Dekker geen manieren had en de adat niet kende. Zijn bazen kenden die veel beter en daarom wilden ze hem, volgens Nieuwenhuys, ontslaan. Dat moet en zal zo geweest zijn volgens Nieuwenhuys, want iemand die de adat niet kent, moet door mensen die de adat wel kennen ontslagen worden en niet ‘eervol ontheven’ (met mogelijkheid tot herplaatsing).

Nieuwenhuys kreeg een literaire prijs. Jarenlang ging Nieuwenhuys zijn gangetje met zijn op onkunde van de documenten gebaseerde stelling. In Het Parool van zaterdag 12 april 1975, pagina 9, vierde kolom van links, bracht ik hem onder het oog: ‘Welnu, de Raad van Indië heeft niet geadviseerd Dekker te ontslaan, maar alleen hem te ontheffen van het assistent-residentschap te Lebak. Ontheffen is niet hetzelfde als ontslaan. Wat er dan verder met Dekker moest gebeuren, daarover heeft de Raad zich niet uitgelaten.’ Enzovoorts.

Wat er verder met Nieuwenhuys moest gebeuren, is iets waar ik me klaarblijkelijk niet duidelijk genoeg over heb uitgelaten, want verdomd, wat lezen we, veertien maanden later in Hollands Diep nummer 12 van 5 juni 1976 op pagina 32, regel 17 van boven? ‘Deze (de Raad van Indië WFH) adviseerde Dekker onmiddellijk te ontslaan, maar de gouverneur-generaal Duymaer van Twist...’ Enzovoorts.

Dit werd geschreven door de literair bekroonde R. Nieuwenhuys, honderdtwintig jaar nadat het niet was gebeurd. Dit durfde R. Nieuwenhuys te vertellen ‘op een congres voor historici’, terwijl de hele kwestie geacht kon worden uit de wereld te zijn, toen De Bruyn Prince in 1900 het advies van de Raad van Indië had gepubliceerd. (zie VW, ix, 531-534)

Ik vraag me wel af wat voor historici dat zijn geweest en of ze Nieuwenhuys ook hebben uitgelachen. Jammer, want hij is een lieve man, alleen wat te zeer verknocht aan het huisje van oudbakken pannekoeken, waar hij nu al twintig jaar aan knutselt.

En niets helpt. Al in mijn bovengenoemd Parool-artikel heb ik erop gewezen dat het eigenlijk allemaal oude koek is wat Nieuwenhuys beweert over Multatuli. Ik moet daar nu, haast op zijn eigen verzoek, nog meer de nadruk op leggen.

‘Zonder mijn naam te noemen krijg ik verschillende snauwen te verwerken en telkens hoor ik daarbij het woord “adat” vallen. Maar waarom citeert Hermans mij niet volledig en waarom zegt hij niet dat hij mij op het oog heeft?’ klaagt hij in Hollands Diep no 13 van 19 juni '76.

Dat is, heel eenvoudig, omdat ik helemaal niet Nieuwenhuys alleen op het oog heb in De raadselachtige Multatuli. Dat is omdat die hele adatkwestie al in 1892 of nog eerder door Van Sandick op het tapijt is gebracht en daarna nog door ettelijke anderen, b.v. in 1910 door C. Snouck Hurgronje, een van de grootste autoriteiten op dit gebied, waarbij vergeleken Nieuwenhuys geheel verbleekt. Dus waarom zou ik alle schuld op Nieuwenhuys hebben geladen en dat alleen om een circa vijftig jaar geleden al tot en met uitgekauwde kwestie nog eens uit te kauwen?

De regent had volkomen gelijk, vindt Nieuwenhuys voor en na, want buffels gappen hoorde tot de geëerbiedigde tradities, dat was nu eenmaal ‘de adat’.

‘Hij was de laatste werkelijk aanzienlijke man, die regent, hij was zo hoog, zeggen ze in Lebak, als lofspraak. Wilde hij een feest geven, en dat geschiedde vast elke maand, op de rapport-dag der inlandse hoofden, dan zei de fac-totum, de patih tot de lagere hoofden: “er moeten zoveel buffels zijn voor de regent.”

Dat was echte knevelarij.’

Is het, wanneer je de laatste zin weglaat, niet precies of je Nieuwenhuys hoort? Ja, dat is het, maar het werd al tachtig jaar geleden geschreven door Van Sandick. Nieuwenhuys is zelfs niet de eerste die uit Van Sandick navertelt dat die regent zo ‘hoog’ enz. was, enz. (Ik heb Van Sandick hier niet bij de hand en schreef bovenstaand citaat over uit Meerkerk.)

Nieuwenhuys vindt niet alleen dat Multatuli de adat had moeten kennen, maar bovendien had hij dat instituut moeten bewonderen.

Over welke adat heeft hij het eigenlijk? Er was er meer dan een.

Reeds in 1857, drie jaar vóór Max Havelaar, schreef iemand: ‘De adats ontstaan, rekken, buigen en wijzigen zich naar de luim en de hartstochten van vorsten en hoofden. Hun gezag strekt niet ter bescherming en opbeuring, maar veeleer om, ten koste der bevolking, eigen begeerten en hartstochten te bevredigen.’ (geciteerd door Prof. Veth, in De Gids 1860, blz. 70) Het stond oorspronkelijk in de ‘Handelingen en Geschriften van het Indisch Genootschap te 's Gravenhage’, maar dat genootschap

[p. 248]

had klaarblijkelijk ook al geen kaas gegeten van de adat. Van dezelfde schrijver citeert Veth: ‘Eens op weg zijnde ontwaarde ik dat bij een brug, welke hersteld werd, enige Javanen, als bestraffing, aan latten waren gebonden, met het aangezicht naar de zon gekeerd. Toen ik het hoofd over deze absurde bestraffing aansprak, was het eerste antwoord dat zulks op last van de Resident geschiedde. Bij een meer grondig onderzoek bleek echter, dat de Resident wel had gelast de brug spoedig te herstellen, maar volstrekt niet daartoe zulke wrede straffen op te leggen.’

Alweer een resident die geen bal van de adat begreep, hoor ik Nieuwenhuys al roepen.

Maar nu dit. Ik heb nooit en nergens beweerd dat Douwes Dekkerwel een groot kenner van taal en adat was. Wat dat betreft hebben Van Sandick, Snouck Hurgronje e.a. gelijk. Ik beweer ook niet dat het een fraaie toestand was iemand die de adat gebrekkig kende een bestuursfunctie te geven op Java, maar dat kon nauwelijks anders in 1856. Ik beweer alleen dat er in de documenten geen spoor van een bewijs is te vinden dat Dekker daarom behandeld werd zoals hij werd behandeld (wat Nieuwenhuys wil suggereren) en ik beweer bovendien dat ook Brest van Kempen, Ruloffs, Van Twist en al die anderen geen grote adatkenners hoeven te zijn geweest om te doen zoals ze deden. En ik beweer dat het onzin is om, zoals Nieuwenhuys, iets anders te veronderstellen. Adat heeft niets te maken met Dekker's overplaatsing naar Ngawi en de berisping die ermee gepaard ging.

Er waren in Lebak drie autoriteiten: de resident, de regent, de assistent-resident. Er kwam ruzie, het werd moeilijk de afdeling goed te besturen, er moest iemand overgeplaatst worden, t.w. de laagste in rang, Dekker. Dat was en is allerwege bestuursroutine.

Nu de vraag: was het zijn eigen schuld dat het zo ver kwam?

Ja, zegt Nieuwenhuys, want hij kende de adat niet en daardoor had hij de regent op een ongepaste manier behandeld.

Nee, zeg ik, hij kende weliswaar de adat niet zo goed als Snouck Hurgronje of Van Vollenhoven, overplaatsing en berisping kunnen wel zijn eigen schuld zijn geweest, maar hij wist terdege dat hij een inlands hoofd met grote omzichtigheid moest behandelen. Hij wist hoe het moest, maar deed het op een onbewaakt ogenblik niet goed. (Niets bijzonders: de meeste auto-ongelukken ontstaan ook op die manier.) Hij wist wel degelijk, na bijna zeventien Indische dienstjaren, dat hij niet in Europa was. Eens schreef hij: ‘Ik (...) verwacht geen heil (...) van een liberalisme dat Westerse vormen zou willen geven aan Oosterse zaken.’ (VW, x, 721) Dat Douwes Dekker het wist en wist dat hij zich vergist had, blijkt vooral ook uit de moeite die hij zich gegeven heeft schriftelijk te doen vastleggen door zijn medewerker de controleur, dat hij altijd zo welwillend was opgetreden tegen de regent. (zie de z.g. Vraagpunten aan de Controleur, VW, ix, 585 e.v.)

En had Dekker soms niet het recht de door de regent opgeroepen grassnijders naar huis te sturen, al was het mogelijk niet verstandig? Ik zou zeggen van wel. Immers, volgens het verhaal van Lion had de regent er van tevoren een (door Dekker geweigerde) vergunning voor gevraagd. Wat een malle regent, als hij vergunning ging vragen voor iets waar geen vergunning voor nodig was.

Het verhaal van Lion kan evenwel, zoals ik in mijn boek ook aangeef, worden betwist.

Maar hoe dan ook: Dekker zat daar om het Nederlandse regeringsreglement toe te passen, met name het Reglement op het beleid der Regering van Nederlands-Indië van 2 sept. 1854 en om de daarin bij art. 55 aan de gouverneur-generaal opgedragen ‘bescherming van de inlandse bevolking tegen willekeur, van wie ook’, mede te helpen uitvoeren. Hij was er niet naartoe gestuurd om de adat te bestuderen en lief te hebben.

Het optrommelen van de grassnijders (deze mensen moesten zonder betaling te voet komen uit dorpen van twintig kilometer ver, in de regen, want het was natte moesson, ze moesten maar zien dat ze zich voedden en ergens 's nachts sliepen) welnu, het optrommelen van die grassnijders was zelfs in de ogen van de bange en zoveel voorzichtiger en gematigder controleur Langevelt van Hemert (die langer in Lebak was geweest en de toestanden beter kende dan Dekker!) een schandaal, want hij meldde het expres op een bewaard gebleven briefje aan Dekker. (zie VW, ix, 495) Maar in de ogen van Nieuwenhuys was het geen misbruik maar een lief oud gebruik (wat Dekker zelf nota bene tot een zekere grens zou hebben beaamd, zie Max Havelaar, VW, i, 66-67). Op Nieuwenhuys afgaand zou je denken dat Dekker het verschil niet wist tussen gebruik en misbruik, aangezien Nieuwenhuys dat zelf niet weet.

Nieuwenhuys zegt (Hollands Diep no 12, p. 32) ‘Hij was niet in staat gebleken te voldoen aan de eis die Van Vollenhoven ons vroeger op college toeriep: Stroop uw westerse huid af!’

Een keihard argument: Zoals men weet had ‘Lebak’ plaats in 1856 en zou Van Vollenhoven pas in 1874 worden geboren.

Heb ik dan ongelijk als ik beweer dat Nieuwenhuys Dekker onrecht doet door een negentien-

[p. 249]

de-eeuwse ambtenaar te beoordelen met een twintigste-eeuwse bril?

Ik geef graag toe dat Nieuwenhuys een heleboel wetenswaardigheden over het toenmalige Indië weet te vertellen, maar wat Multatuli in engere zin betreft, houd ik staande dat zijn wetenswaardigheden òf niet ter zake doen, òf oud nieuws zijn, òf bestaan uit het intrappen van open deuren, òf voortkomen uit onvolledige kennis van Multatuli's oeuvre en van de documenten die op zijn leven betrekking hebben. Geen geschiedvervalsing is Nieuwenhuys te dol, als hij denkt dat dit in zijn voordeel is. Zo schrijft hij (Holl. Diep no 12, 5 juni '76, p. 32, kolom 3): ‘Na het vertrek van Dekker heeft de resident vrijwillig een onderzoek ingesteld.’

Vrijwillig?Van Twist had, door Dekker te bevelen alsnog opening van zaken te geven aan Brest van Kempen, toch duidelijk laten voelen dat hij voortzetting van het onderzoek wenste. (zie VW, ix, 571)

‘Hermans’, schimpt Nieuwenhuys in Hollands Diep no 13, ‘een echte Hollander die niet eet wat hij niet kent, of niet kennen wìl.’

Wel verdraaid, sinds mijn prille jeugd ben ik dol op rijsttafel. Vijf jaar geleden heb ik op Java, in gezelschap van Nieuwenhuys hoogstpersoonlijk, met smaak de meest exotische spijzen tot mij genomen. Dit heeft hij met zijn eigen ogen kunnen zien en nu durft hij met zulke banaliteiten voor de dag te komen?

‘Daarom’, beweert Nieuwenhuys ter zelfder plekke, ‘zal hij (Hermans, WFH) ook nooit kunnen doordringen in de werkelijke achtergronden van de zaak van Lebak. Van zijn standpunt uit heeft Hermans misschien gelijk, want de aanvaarding en erkenning van andere rechtsbeginselen zou hem voor verregaande consequenties plaatsen en zijn hele betoog zou wel eens in elkaar kunnen storten.’

Het lijkt verdorie wel of ik assistent-resident van Lebak geweest was en niet Nieuwenhuys, pardon E. Douwes Dekker. Maar ja, die laatste was dat inderdaad, in 1856, en hij was een Nederlandse ambtenaar en hij had geen andere plicht dan de Nederlandse rechtsbeginselen te aanvaarden en te erkennen.

Natuurlijk zijn er destijds en ook later nog door Nederlandse bestuurders de noodlottigste fouten gemaakt door gebrekkige kennis van adat, taal en volk.

Maar het heeft allemaal weinig of niets met Dekker's ‘perkara’ te maken en het is zeer onbillijk juist hem daarmee lastig te vallen, omdat hij als eerste erin geslaagd is de problematiek van het kolonialisme te doen doordringen tot een groot publiek, hoe gebrekkig zijn eigen kennis dan ook geweest moge zijn.

Naar ik hoor is Nieuwenhuys nu nòg niet uitgepraat en verschijnt er eerstdaags weer een boekje van hem over de kwestie - het hoeveelste al?

Ik hoop dat hij daarin niet opnieuw alle onwaarheden die ik hem hier (en eerder in Het Parool) onder het oog heb gebracht, zal herdrukken. Ik durf nauwelijks verwachten dat hij me (al is het maar in voetnoten) dankbaar zal gedenken (als hij een en ander tenminste verbetert). Maar als hij die fouten verbetert, wat blijft er dan nog over van zijn hoofdstelling?

Om eventueel geen dubbel werk te moeten doen, zal ik het er nu maar bij laten en naar zijn nieuwste boekje uitzien, voor ik over hem verderga.

Alleen dit nog: Wat hij over Herman des Amorie van der Hoeven vertelt is alweer helemaal niet ter zake. Relevant is: dat nòch De Kock (die wèl het artikel van Lion opgroef), nòch Du Perron, nòch Stuiveling, nòch de samenstellers van de Volledige Werken, nòch Nieuwenhuys ooit aandacht aan dit artikel hebben geschonken, hoewel het voorafging aan het artikel van Lion welk laatste, let wel, er een commentaar op is. Relevant is dat Multatuli het voor het grootste deel eens was met het stuk van Herman des Amorie van der Hoeven (alles wat Multatuli er ooit tegen inbracht was ‘hij vergist zich hier en daar’, zie VW, x, 395). Relevant is dat Van der Hoeven's artikel tamelijk fnuikend moet worden genoemd voor de historische betrouwbaarheid van het portret van ‘Slijmering’ en dat toch Multatuli bevriend is gebleven met Herman des Amorie van der Hoeven.

Dat is waar het om gaat, niet om Van der Hoeven's ‘femelarij’ en om de versjes die er over Van der Hoeven werden opgezegd te Batavia, zoals Nieuwenhuys denkt. Welke versjes er op die man de ronde deden te Batavia bewijst in het geheel niets. (O jee! Als ik eens ging vertellen welke versjes Aad Nuis opzegt over Nieuwenhuys, als Nuis in een vrolijke bui is. Gelukkig is Nuis dat nooit, want daar bestaat niet de geringste aanleiding toe.)

Ten onrechte denkt Nieuwenhuys dat ik word geprikkeld door zijn artikelen omdat ze ontluisterend zouden zijn voor Douwes Dekker. Onzin. Niet omdat ze ontluisterend zijn, maar omdat ze fout zijn.

Maar zo fout zijn ze niet, of wat hij zegt over mijn zogenaamde boosheid m.b.t. Lion en Brest van Kempen ‘op de blz. 83/84’, (dit boek 97, 98) is nog veel fouter. Zó fout, dat ik niet de moeite zal nemen erop in te gaan en de geduldige lezer verwijs naar de pagina's 41, 45, 46, 47, 48 en 49, (dit boek 47, 52, 53, 54 en 55) die door Nieuwenhuys voor het polemische gemak maar zijn overgeslagen. De Lion-passage van Nieuwenhuys is er een sterk staaltje van hoe hij

[p. 250]

een boek leest als hij vreest dat de auteur het niet met hem eens zal zijn. Ik schrijf z'n hemeltergende tekstverkrachting toe aan Nieuwenhuys' overtuiging dat ik ‘diametraal’ tegenover hem sta wat de beoordeling van Douwes Dekker's rol als ambtenaar betreft. Hij weet misschien niet wat het woord diametraal betekent.

Als Nieuwenhuys nog eens rustig overlas wat ik in Het Parool van 12 april 1975 beweerd heb en in mijn boek De raadselachtige Multatuli? Zou ik hem, de grote geest van tempo doeloe, dat wel eerbiedig mogen verzoeken? Het is in zijn eigen belang, want anders denk ik dat Van Oorschot niet meer dan 1 (een) exemplaar van dat boekje verkopen zal - aan Aad Nuis. Het zou ons zoveel nutteloze polemiek kunnen besparen en daarmee zou dan eindelijk na honderd jaar een einde kunnen komen aan een van de belachelijkste tradities m.b.t. de schrijverij over Multatuli, die de Multatuli-bibliografie zo mateloos hebben doen opzwellen.

Het spijt me, vooral voor mezelf, dat ik in de stukken van Nieuwenhuys niets heb aangetroffen waarmee ik mijn eigen boek zou kunnen verbeteren. Als hij nu maar nauwkeurig aangegeven had welke mijn ‘onnauwkeurigheden’ waren, dan kon ik er bij herdruk of als ik ooit een supplement schrijf, wat aan hebben. Maar nee. Zelfs aan wat hij over een kleinigheid als ‘raden adipatti’ schrijft, hebben we geloof ik niets. De titel ‘adipatti’ (wat betekent rijksbestuurder) bestond al in de 17e eeuw en werd toen zeker niet ‘door het gouvernement’ verleend. Als nu Nieuwenhuys beweert dat Karta Nata Negara (ik houd me bij de spelling van o.a. E. Breton de Nijs) hem van het gouvernement kreeg, is het flauw dat Nieuwenhuys er niet bij vertelt welk gouvernementsbesluit het was. Hij beweert immers dat onder ogen te hebben gehad. ‘Adipatti’ was een ambtstitel, inderdaad. Dat is ‘prins’ ook, b.v. in Monaco. Ik schreef dat de titel ‘Raden Adipatti’ op hoge adel wees. Zelfs al moge in de negentiende eeuw de titel ‘adipatti’ door het gouvernement verleend zijn - verleende het gouvernement de titel ‘adipatti’ dan ooit aan iemand die uit de goot kwam?

Ongegrond is ook de bewering, door Nieuwenhuys nagepraat van Nuis, dat een tijdgenoot van Multatuli als H. des Amorie van der Hoeven minder goed zou hebben kunnen beoordelen of de regent verwijderd kon worden, dan Nieuwenhuys dat zou kunnen, honderdtwintig jaar later. Omdat er zo veel historisch onderzocht zou zijn!

Dit is opschepperij.

Er zijn, ook vóór Multatuli optrad, ettelijke regenten wegens misbruiken gestraft en ontslagen. Waarom zij wel en de regent van Multatuli niet? Is daar ooit een vergelijkend historisch onderzoek naar verricht? Niet door Nieuwenhuys. Er zijn sinds 1900 een aantal documenten gepubliceerd, die Nieuwenhuys niet kent of waar hij lak aan heeft en er is door hem een heleboel geleuterd, niets onderzocht.

terug  begin  verder