terug  begin  verder
[p. 259]

Stuiveling en de wetenschappelijk biografie van Multatuli (De Gids, 4/5 1977)

Zou het mogelijk zijn in onze tijd een wetenschappelijke biografie van Multatuli te schrijven, zonder zich gedwongen te zien bij haast elk feit te vermelden dat het ook wel anders kan zijn geweest?

Dat heb ik niet geloofd toen ik De raadselachtige Multatuli schreef.

Prof. Stuiveling (De Gids jaarg. 139, nr. 9/10, 1976, p. 652 e.v.) sterkt mij in de mening dat mijn boek dan ook niet als een totaal serieuze levensbeschrijving van de merkwaardige auteur mag gelden. Multatuli's biografie is, zoals ik het in De raadselachtige Multatuli op p. 197 (dit boek 000) uitdrukte ‘een onontgonnen gebied waarop iemand zo nu en dan wat roofbouw bedrijft’. Ik ben zelf ook zo iemand en professor Stuiveling vindt dat mijn boek hoogstens een essay mag worden genoemd. Voor mijn part. Ik zou het nog eerder een verhaal willen noemen. Het was oorspronkelijk mijn plan negentig pagina's tekst bij een verzameling plaatjes te schrijven. De negentig pagina's zijn er honderdnegentig geworden, maar het meerdere heb ik niet aan een wetenschappelijk notenapparaat besteed. Ik zou het dus bijna helemaal met Stuiveling eens kunnen zijn, als ik niet onder een essay iets verstond dat geheel uit andere boeken is naverteld en geen oorspronkelijk materiaal bevat. Aan deze laatste karakteristiek beantwoordt De raadselachtige Multatuli niet. In enkele opzichten wijkt het sterk af van alles wat er tot dusverre over Multatuli is gepubliceerd. Stuiveling noemt die dingen nauwelijks of niet, helaas. Evenmin schijnt hij zeer blij te zijn met de (weinige) door mij opgespoorde nieuwe plaatjes, maar wel legt hij er zwaar de nadruk op dat de meeste foto's al eerder elders verschenen. Inderdaad. Maar hoe zou dat anders kunnen, gezien de feiten dat Multatuli en zijn tijdgenoten al honderd jaar dood zijn, er dus geen nieuwe foto's van ze kunnen worden gemaakt en dat zich in het Multatulimuseum nog veel ongepubliceerde foto's moeten bevinden, waarvan de conservator bij navraag beweert dat ze in een schoenendoos onder het bed van Garmt Stuiveling liggen en waarvan mijn vriend Garmt Stuiveling - ik heb hem geraadpleegd toen ik aan De raadselachtige Multatuli begon - me twee jaar geleden zei dat hij er een onderzoek naar zou instellen.

Onderzoek waar ik nooit meer iets over heb gehoord.

Wie zou zo brutaal wezen nu al een werkelijk wetenschappelijke biografie van Multatuli op te zetten? Stuiveling, de grootste levende Multatuli-expert heeft dat niet eens gedurfd. Stuiveling, sinds 1950 bezig Multatuli's volledige geschriften te publiceren, is zelfs met die uitgave niet verder gekomen dan deel x, dat wil zeggen tot 1862.

(...)

En dan hebben we het nog niet eens over alle brieven en documenten die al lang in de al verschenen delen gepubliceerd hadden moeten zijn, maar die ongepubliceerd bleven totdat andere onderzoekers als Annelies Dirkse, J. Kortenhorst en Paul van 't Veer ermee voor de dag kwamen. Wat daarmee aan te vangen? Ook na het jaar? blijft de samenstelling van supplementen geboden en zal de uitgave dus niet werkelijk volledig zijn.

O lieve Heer! Ik zal het nooit beleven!

En Stuiveling, die heeft het allemaal natuurlijk kant en klaar in manuscript onder z'n bed liggen. Die kan sliep-uit zeggen tegen elke voorbarige biograaf.

Waar zou ik me voor hebben moeten uitsloven? Waarom proberen een strikt wetenschappelijk

[p. 260]

boek te schrijven als je weet dat het meeste materiaal onbereikbaar is en ongepubliceerd onder het bed van Garmt Stuiveling ligt?

En toch ben ik in sommige opzichten tot visies gekomen die Stuiveling en andere Multatuli-kenners nog nooit vernomen hebben. Als mijn opvattingen onjuist zijn, dan zijn ze toch op het ogenblik zeer waarschijnlijk. Zo daag ik Stuiveling en de anderen uit eens te weerleggen wat ik hier te berde zal brengen over de vraag:

Is Douwes Dekker ooit aan het ‘hof’ van Duymaer van Twist te Buitenzorg geweest?

 

Dekker's bezoek aan het ‘hof’ van de gouverneur-generaal vond plaats, àls het plaatsgevonden heeft, in een periode (1855-1856) waarvan Stuiveling wèl reeds alle brieven en documenten heeft gepubliceerd.

Ja, de gezaghebbende Multatuli-kenners zijn het er sinds ongeveer 1900 over eens dat de van verlof uit Nederland teruggekeerde assistent-resident Douwes Dekker eind 1855-begin 1856, vóór hij naar Lebak, zijn nieuwe standplaats ging, enige tijd te Buitenzorg verbleef, waar hij een amicaal gesprek of gesprekken met de landvoogd Duymaer van Twist zou hebben gevoerd, ‘van man tot man’ zelfs, welzeker. Duymaer van Twist, wetend hoe groot de wantoestanden in Lebak waren, zou juist onder de indruk van die gedachtenwisseling Douwes Dekker daarnaartoe gestuurd hebben, menend dat D.D. aldaar ‘de regte man op de regte plaats’ zou zijn. Ook ik heb het, denkend dat de duizenden Multatuli-kenners die me voorgegaan waren, het wel zouden weten, nog braafjes naverteld in mijn De raadselachtige Multatuli. Maar is het zo?

Niemand heeft het ooit betwijfeld: Van Sandick die het verhaal in 1892 lanceerde niet, Meerkerk niet, De Kock niet, mevr. Van den Bergh van Eysinga niet, Saks niet, Du Perron niet, Nieuwenhuys niet en Stuiveling niet.*

Om met de laatste te beginnen: In Multatuli Volledige Werken deel ix, p. 397 schrijft Stuiveling (unisono met die vele anderen) bij wijze van commentaar op de in het boek gepubliceerde documenten:

‘Gedurende vier maanden, van midden september 1855 tot midden januari 1856, hebben Dekker en zijn gezin te Batavia en Buitenzorg verblijf gehouden. Hij hervond hier enkele familieleden en vroegere vrienden, van wie sommigen tot hoge functies waren opgeklommen. ... Dekker's belangrijkste relatie in Batavia was de waarnemende secretaris van het gouvernement, E. de Waal, die gehuwd was met een nicht van Tine. Door hem werd Dekker geïntroduceerd aan het “hof” van de gouverneur-generaal, Mr. A.J. Duymaer van Twist, wiens bewind - sedert mei 1851 - Dekker uit eigen ervaring maar ruim een jaar had leren kennen, en dan nog op verre afstand, maar wiens naam zowel in Nederland als in Indië met eerbied werd genoemd. Over de persoonlijke betrekking die er tussen deze G.-G. en Dekker ontstond, heeft Duymaer van Twist jaren later geschreven in een brief, die aan het einde van de groep documenten is afgedrukt.’

 

Dekker's ervaringen aan het ‘hof’ van Duymaer van Twist vormen al lang een niet weg te denken element van de Havelaarlegende en dit is zeker het geval sinds Fons Rademakers de episode in volle kleurenpracht heeft laten zien op het witte doek.

In Max Havelaar zelf, ik bedoel niet de verfilming, maar de roman van Multatuli zelf staat er geen woord over, maar dan ook helemaal geen enkel woord. Ook in de overige werken en brieven van Multatuli geen woord. En zijn tweede vrouw Mimi, die z'n brieven met verklarende bijschriften uitgaf, zei er ook niets over, ze noemde zelfs Buitenzorg niet.

En wat vinden we in de door Stuiveling gepubliceerde documenten?

Eveneens geen enkel woord. Geen woord over De Waal, geen woord over een introductie, geen woord over een ‘persoonlijke betrekking’ met de G.-G., niets niemendal staat er in documenten. Of, ja toch: één woord. Zie p. 409 van het

[p. 261]

genoemde boek. Er is daar een stuk afgedrukt dat geadresseerd is aan ‘den benoemd Ads. Resident E. Douwes Dekker’. Aan dat adres is in potlood toegevoegd ‘Buitenzorg’. En dit, ‘Buitenzorg’ in potlood, is het enige ‘bewijs’ voor Dekker's verblijf te Buitenzorg, voor zijn introductie aan ‘het hof’, voor de ‘persoonlijke betrekking’ en al dat fraais, behalve dan de door Stuiveling vermelde brief van Duymaer van Twist.

Deze brief van D.v.T. wordt door Stuiveling op p. 410 als volgt geciteerd:

‘Ik had hem te Buitenzorg leren kennen, waar hij zich, van verlof teruggekeerd, en wachtende op herplaatsing had gevestigd. Op de dîners of liever na de dîners, waarop ook hij en zijn echtgenote nu en dan werden genoodigd, had ik meermalen met hem gesproken en had hij mijn sympathie verworven door zijn hart voor den inlander.

‘Toen Lebak open kwam en ik wist, dat dààr de toestand der bevolking veel te wenschen overliet, dacht ik dat hij daar de regte man op de regte plaats zou zijn en ofschoon de R.v.I. hem niet had voorgedragen, benoemde ik hem tot assistent-resident.’

Einde van Stuiveling's citaat. Dat het de volledige brief niet is, kun je er niet aan zien.*

Wie Stuiveling's citaat vergelijkt met wat Julius Pée van deze brief citeerde in zijn Multatuli en de zijnen (Amsterdam 1937, p. 87), bemerkt dat er nog heel wat meer in de bewuste brief stond. Waarom heeft Stuiveling dat weggelaten? Maar daarover nu niet.

De brief is een particuliere brief van Duymaer van Twist aan ene H.G. Kronenberg en geschreven op 4 april 1882, zesentwintig jaar na ‘Lebak’, zesentwintig jaar nadat Dekker zich te Buitenzorg vertoond zou hebben aan het ‘hof’. Vóór Van Twist die brief schreef, is daarvan nooit sprake geweest.

Er is geen sprake van in Max Havelaar.

Er is ook geen sprake van in Multatuli's twee jaar na ‘Lebak’ geschreven Brief aan de Gouverneur-Generaal in ruste.

Dit laatste stuk bevat bovendien passages die het vermoeden wekken dat Van Twist al die ‘gesprekken’ enzovoort uit zijn duim gezogen heeft, of zich na zesentwintig jaar niet meer herinnerde wie er allemaal wel eens aan zijn ‘hof’ te Buitenzorg hadden gedineerd.

Want wat lezen we in de Brief aan de Gouverneur-Generaal in ruste? Lezen we daar bij voorbeeld: Maar, Excellentie, uzelf had mij naar Lebak gestuurd omdat ik zoveel hart voor de inlander had en omdat u wist dat de toestand der bevolking daar veel te wensen overliet! Hoe kon u dan, ruim drie maanden later, nadat ik geprobeerd had u op uw wensen te bedienen, wat uw goedkeuring niet wegdroeg, zodat ik ontslag nam, weigeren mij gehoor te geven? Weigeren mij in audiëntie te ontvangen? Al was het maar een kwartier? En dat nog wel terwijl er een ‘persoonlijke betrekking’ tussen ons zou gaan bestaan, volgens prof. Stuiveling?

Maar nee, er staat niets van dien aard in de Brief. (zie VW, i, 401 e.v.).

Wel staat er (op p. 403):

‘Meermalen als ik dezen of genen aantoonde hoe de stand van zaken was in de afdeling Lebak, vraagde men verbaasd of Uwe Exc. dat wist, of ik dat Uwe Exc. geschreven had?

‘Neen, Uwe Exc. wist het niet, - ik had het Uwe Exc. niet geschreven. Maar Uwe Exc. had het kunnen weten.

‘Ik geloof dat Uwe Exc. het had moeten weten.’

 

... Niet weten, had het kunnen weten, had het moeten weten.

Er is maar een conclusie mogelijk: wanneer we met Stuiveling en al die anderen aannemen dat Van Twist de waarheid vertelde in 1882, moeten we aannemen dat Multatuli aan verstandsverbijstering leed toen hij, twee jaar na ‘Lebak’ aan Van Twist die brief schreef, waarin, ik herhaal het, nergens sprake is van ‘weten’, maar alleen van ‘niet weten’, ‘had kunnen weten’, ‘had moeten weten’. Had Dekker na de ontvangst aan het ‘hof’ en gezien de ‘persoonlijke betrekking’ die er tussen hem en Duymaer van

[p. 262]

Twist bestaan zou hebben echt niets anders om op het gemoed van de inmiddels ex-landvoogd te werken dan deze retorische uitroepen? Niets dan ‘niet weten’, ‘had kunnen weten’, ‘had moeten weten’? Dat is toch totaal onmogelijk als Van Twist werkelijk ‘meermalen’ met hem gesproken had. Dan was Dekker stapelgek.

Stuiveling, die er zozeer op uit is Multatuli's reputatie te bewaken, schijnt deze voor de Grote Man nogal netelige conclusie niet te hebben voorzien.

Stuiveling had er beter aan gedaan de ‘introductie aan het hof te Buitenzorg’ eens te onderzoeken, zoals ik nu doe.

Mijn verklaring is deze: Wat Van Twist zich in 1882 meende te herinneren is des te onwaarschijnlijker als we zien dat hij op 18 maart 1856 (zie VW, ix, 566) dus maar enkele maanden na de zogenaamde ontmoetingen aan het ‘hof’, niet eens wist of Dekker wel gunstig stond aangeschreven bij het bestuur.

‘... dat hij ook vroeger, dienende bij het binnenlandsch bestuur op Sumatra en als assistent resident te Ambon gunstig stond aangeteekend; dat is immers zoo? nazien!’ schreef hij in zijn concept-besluit dat de opstandige assistent-resident betrof. Het werd klaarblijkelijk ‘nagezien’ want Sumatra werd geschrapt.

 

Maar nu het vervolg van de brief van Van Twist, niet opgenomen door Stuiveling, maar wel te vinden bij Julius Pée:

‘Toen hij (Dekker, WFH) daar (in Lebak, WFH) op zoo onbesuisde manier was te werk gegaan en de daartoe betrekkelijke stukken bij den Raad van Indië kwamen, adviseerde die Raad in substantie hem onverwijld te ontslaan en nooit meer te benoemen in een betrekking, waaraan de uitoefening van gezag verbonden was.

‘Dat vond ik te kras. Maar te Lebak kon hij niet blijven. Dat gaf aanleiding tot mijn bekenden kabinetsbrief, een eer, die misschien nog nooit aan een adsistent-resident was te beurt gevallen.’

Gelukkig is het schriftelijk advies van die Raad bewaard gebleven, net als Van Twist's hierboven aangestipte concept-besluit.

Sla de Volledige Werken, deel ix open op bladzijde 531. Daar staat het Advies van de Raad afgedrukt.

Wat blijkt? De Raad heeft helemaal niet geadviseerd Dekker ‘onverwijld te ontslaan’ of ‘nooit meer te benoemen’. Er is alleen geadviseerd hem te ontheffen van het assistent-residentschap van Lebak, verder totaal niets.

Dit tweede ook door Van Twist verspreide sprookje, eveneens door veel Multatuli-vereerders geloofd, met name door Stuiveling (zie VW, ix, 469, r. 8 van onderen) heb ik elders in den brede bestreden (zie Het Parool 12-4-'75, Hollands Diep 3-7-'76 en Het Parool 31-7-'76). Ik zal het hier niet allemaal herhalen.

De vereerders denken dat Van Twist Dekker wou sauveren en de Raad hem in het verderf wilde storten. Het is precies omgekeerd geweest. Dit baseer ik niet alleen op de aantoonbare leugens van Van Twist, maar ook op het door mij in De raadselachtige Multatuli voor het eerst gereproduceerde stuk uit het Bataviaasch Handelsblad van 24 oktober 1860 over de Havelaarzaak. (zie p. 197 e.v., dit boek Bijlage ii)

Geen hoe ook verblinde Multatuli-vereerder is ooit op het idee gekomen dat Van Twist de waarheid niet vertelde in 1882. Ondanks alle vervloekingen die Multatuli zelf een half leven lang uitsprak over Van Twist, hebben ze in hun hart niet hun held Multatuli geloofd, maar diens vijand. Ook Stuiveling geloofde, zonder na te denken, de verhaaltjes van Van Twist, terwijl het verhaaltje over het ‘ontslag’ door de documenten duidelijk wordt weerlegd en het verhaaltje over ‘Buitenzorg’ door geen enkel document wordt gestaafd.

Maar, zal Stuiveling nu misschien tegenwerpen, Dekker had aanvankelijk toch veel vertrouwen in Van Twist, hij heeft toch, beweert iedereen, verwacht dat de landvoogd zijn gedrag zou goedkeuren?

Waarop zou Stuiveling deze stelling kunnen baseren? Misschien op een tirade als:

‘De Grote-Heer te Buitenzorg is rechtvaardig, en wil dat ieder zijn plicht doe. Maar ook deze, machtig als hij is, ... ook hij kan niet zien waar onrecht gepleegd is, want het onrecht blijft verre van hem.’ Toespraak tot de Hoofden van Lebak. (MH, 5e druk, 117)

Zelfs deze en verwante passages duiden er eerder op dat Van Twist nooit aan Dekker kenbaar gemaakt had dat hij, Van Twist, ‘wist’, dat ‘de toestand der bevolking aldaar veel te wensen overliet’.

Dat Dekker aanvankelijk vertrouwen in Van Twist heeft gesteld, is waar, maar het kwam doordat het Dekker, net als iedereen, bekend was dat deze G.-G. zelf, bij besluit van 11 augustus 1851 (dus vier jaar vóór de Lebakkwestie) de regent van Kendal en enige zijner wedono's streng gestraft had ‘ter zake van geldafpersing, knevelarij en willekeurige beschikking over de goederen en de arbeid der hen ondergeschikte bevolking’. (Mr. P.A. van der Lith, Levensbericht van Duymaer van Twist in de Werken der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, 1891. Ik citeerde naar Kok, Multatuliana, 1902, p. 122.) Duymaer van Twist had daarom de reputatie

[p. 263]

een liberaal man te zijn die op de bres stond voor de belangen van de bevolking.

En die reputatie is het enige waaraan Dekker zijn persoonlijk vertrouwen in hem heeft ontleend, niet aan ‘Buitenzorg’, ‘gesprekken na dîners’, ‘persoonlijke betrekkingen’ en wat dies meer zij. Dingen die alleen bestaan hebben in de fantasie van Van Twist (26 jaar na dato en toen hij waarschijnlijk vond wat terug te moeten doen tegen de scheldpartijen van Multatuli) en in de geesten van Multatuli-experts die het klakkeloos aannamen, omdat ze onderbewust vinden dat een gouverneur-generaal een man is die nooit liegt, terwijl natuurlijk een schrijver, zelfs hun held Multatuli, altijd liegt. Ze zullen bovendien blij geweest zijn dat hun held in 1856 niet een obscure ambtenaar was geweest, aangesteld in een godvergeten streek, een mannetje dat met een paar pennekrassen aan de dijk kon worden gemanoeuvreerd, maar iemand van veel meer gewicht: ontvangen aan het ‘hof’ te Buitenzorg! ‘Dîners’ met de gouverneur-generaal! ‘Gesprekken na de dîners’! ‘Persoonlijke betrekkingen’! Door die met hem bevriende hoge Landvoogd toch geniepig in de steek gelaten! Uit angst, natuurlijk, voor zijn genie!

- Het leek wel een roman van Couperus. Het kon niet sjieker.

Ik zou haast zeggen: het is jammer dat Multatuli al deze grootsheid zelf niet heeft verzonnen, anders zou hij waarschijnlijk niet versmaad hebben er in Max Havelaar gebruik van te maken.

*Alleen Dr. J. de Gruyter zei in zijn grote biografie (Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker, 2 dln., Amsterdam 1920) geen woord over een verblijf te Buitenzorg, ontvangst aan het ‘hof’, ‘gesprekken’ en al dat fraais.
In de uitgave Genie en wereld Multatuli, Hasselt 1970, p. 24, weet Stuiveling zelfs te vertellen dat Dekker was ‘het middelpunt van elk gezelschap; ook bij de gouverneur-generaal te Buitenzorg’ en op p. 25 dat ‘de puntige boutades die hij (= Dekker) zich veroorloofde, hun scherpte verloren in het vormelijke milieu van het Hof te Buitenzorg’. Professor Stuiveling weet natuurlijk opperbest hoe het daar toeging, maar de documenten waarop hij het allemaal baseert moeten nog onder zijn bed liggen, want ik heb ze niet gezien. Is dat hooggeleerd? Is dat wetenschappelijk? Waarom een eenvoudige leek zoals ik ben dan met verwijten overladen?
*Stuiveling citeerde Van Twist's brief aan Kronenberg uit Zwart's dissertatie over Van Twist. Waarom? Waarom, als hij het manuscript van die brief (kennelijk) niet kon bemachtigen, niet de meest volledige publikatie ervan geciteerd, namelijk de publikatie door Kronenberg zelf in de NRC van 8 maart 1920? Dan was ook duidelijk geworden waarom Van Twist met dat verhaal kwam, namelijk om aan te tonen dat hij ten aanzien van Dekker ‘een volkomen gerust geweten had’ en dat Dekker door hem ‘met meer dan gewone welwillendheid was behandeld’.
Uit de documenten, met name uit de ‘Kabinetsmissive’ (VW, ix, 578) spreekt Van Twist's on-welwillendheid.
Paul van 't Veer, die de correspondentie tussen Van Twist en De Waal heeft doorgenomen, heeft mij medegedeeld dat noch Dekker noch Lebak daarin ooit worden genoemd.
terug  begin  verder