terug  begin  verder

Eindelijk: Multatuli deel elf (NRC Handelsblad, 16 dec. 1977)

Quid is een populair encyclopedisch handboek, uitgegeven onder het motto: Tout pour Tous - Alles voor Allen.

Het telt 1578 grote (18 × 25 cm) bladzijden, die met zeer kleine lettertjes zijn bedrukt in drie kolommen. Veel tekst dus.

En ja hoor, alles staat erin: hoe hoog een vlo kan springen, hoeveel Sylvia Kristel verdient, hoeveel aanhangers het jaïnisme telt en de soortelijke weerstand van constantaan bij 15o C in Ω.m.

Buitengewoon bemind is Quid onder middelbare scholieren van hogere klassen als het eindexamen nadert. Voor zover ze niet diepgaand belang stellen in de cultuur en dat doen de meesten niet, zullen ze uit Quid de oordelen en vooroordelen opdoen, waar ze hun hele verdere leven op teren.

Al minstens zeventig jaar wordt in ons land betoogd dat Multatuli onze enige wereldberoemde schrijver is, van ‘internationaal niveau’.

Hij is en wordt inderdaad veel vertaald, meestal zeer slecht en haast altijd met subsidie. Even waar is het, helaas, dat Multatuli in hoofdzaak op Nederlands grondgebied wereldberoemd is. Daar schijnt niets aan te veranderen te zijn. Lang geleden schreef D.H. Lawrence een voortreffelijk essay over de auteur van Max Havelaar. Plus minus 1900 vond Multatuli enkele prominente lezers in Duitsland en Oostenrijk, Freud o.a. Maar nu wordt hij ook daar niet veel meer gelezen.

Quid 1978 wijdt vanzelfsprekend vele bladzijden aan de literatuur. Bladzijde 114 geeft het volgende lijstje van Nederlandse schrijvers: ‘Bredero (Gerbrand Adriaansz) (1585-1618); Daisne, Johan (Belgique, 1912); Heinsius (Daniel Heins) (1580-1655) écrit aussi en latin; Meester, Jean de

[p. 264]

(1860-1931); Van der (sic) Vondel (1587-1679); Vestdijk, Simon (1898-1971).’

Voilà tout - pour tous.

Waar halen ze het vandaan, nietwaar? Men ziet het: de slechts vijf Nederlandse schrijvers aller tijden zijn allemaal dood, maar dat niet alleen: Multatuli, hoewel ook al lang dood, staat er niet bij. (Dit is, sedert ik dit stuk schreef, in latere edities van Quid veranderd.) In een soortgelijke opsomming van Scandinavische schrijvers ontbreken Andersen noch Kierkegaard, Björnson noch Hamsun, Ibsen noch Strindberg.

Van tweeën een: òf er mankeert iets aan het internationale niveau van Multatuli, òf er mankeert iets aan de Stichting tot Bevordering van de Vertaling van Nederlands litterair Werk in het Buitenland en soortgelijke miljoenen verslindende organisaties, wier taak het is Nederland's culturele prestige in het buitenland te bewaken.

't Is zonde van de centen. Maar aan de andere kant: kunnen we ons eindelijk niet eens bevrijden van ons idiote nationale masochisme dat het van Duitsers, Fransen of Engelsen wil laten afhangen welke Nederlandse boeken we belangrijk mogen vinden en welke niet? Erop pochen vertaald te zijn (al is het dan maar slecht, en op instigatie van de veel te langdradig benaamde Stichting, en met subsidie van het Prins Bernhardfonds, en in een onbekend aantal exemplaren waarvan je er zelden of nooit een in een buitenlandse boekwinkel aantreft) stimuleert hoogstens de verkoop aan het Nederlandse publiek, van het Nederlandse oorspronkelijk. Want helaas, geen enkele buitenlandse krant geeft de vertaalde Nederlandse schrijver de gelegenheid erover op te snijden tegen de buitenlandse lezers.

In hoeveel toonaarden hebben Du Perron, Stuiveling en anderen niet beweerd dat een auteur als Multatuli in het buitenland zus en in het buitenland zo... weet ik wat allemaal.

't Wordt tijd eens op te houden met die kreten. Al zou ten zuiden van de Schelde en ten oosten van Oost-Friesland geen mens hem meer lezen, dan is Multatuli toch de boeiendste schrijver van de Nederlandse negentiende eeuw en van alle Nederlandse klassieke schrijvers degene die het levende Hollands het best beheerste. Alleen daarom al is zijn Volledig Werk onmisbaar en dient ieder deel dat ervan verschijnt met aandacht te worden begroet. Alleen daarom al zou het beter zijn wat minder overheidsgeld te besteden aan de vertaling van hem en anderen en wat meer aan de zorg voor zijn nalatenschap.

Zevenentwintig jaar geleden

De nieuwste uitgave van zijn geschriften is zevenentwintig jaar geleden begonnen te verschijnen en beloofde vollediger te worden dan alle vorige uitgaven ervan. Deze volledigheid ij ook nu nog lang niet voltooid. 't Gaat langzaam, maar beter iets dan niemendal. Toch mag de blijdschap om dat iets ons niet blind maken voor alle gebreken die de Volledige Werken aankleven.

Met de mantel der liefde

Aan de felle bestrijding die Multatuli's deel werd tot lang na zijn dood, moet het geweten worden dat de verdediging van zijn reputatie haast geheel in handen is gekomen van niet minder felle zeloten die geen kwaad woord over hem horen willen. Multatuli verkeert al bijna een-en-negentig jaar niet meer in het land der levenden, maar de vrees dat hij met modder zal worden gegooid is nog steeds het voornaamste waarin vele Multatuli-vereerders uitblinken.

Zij hebben het alleenvertoningsrecht van Multatuli en de multatuliana. Een en ander bewaken zij argwanend. Aan buitenstaanders die inlichtingen vragen, worden verkeerde inlichtingen gegeven of helemaal geen antwoord, zoals ik menigmaal smartelijk heb ondervonden. Deze mentaliteit, kenmerkend voor een deel van het Multatuli-Genootschap laat zijn sporen na in de manier waarop zijn werk uitgegeven wordt.

Bijna in zijn eentje staat mijn vriend Garmt Stuiveling op zijn oude dag voor de taak de gigantische onderneming tot een goed einde te brengen. Hij doet het met optimisme en opgewektheid. Altijd bereid de feilen van de kafkaïaanse handlangers, die hem terzijde staan of doen alsof, met de mantel der liefde te bedekken! Zie zijn voorbericht bij het nu verschenen elfde deel, waarin toegelicht wordt waarom we hierop zeventien jaar hebben moeten wachten. En waarom de publikatie van de documenten die al in deel x aan de orde waren gekomen, in dit deel nog eens dunnetjes moest worden overgedaan.

Maar beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald.

Toch wordt een editie door dergelijke ongevallen niet indrukwekkender.

Wie alle verschenen delen nog eens doorbladert, zal nauwelijks in geestdrift raken over de deskundigheid of planmatigheid waarmee Multatuli's complete oeuvre hier in het vat gegoten wordt. Eerder krijg je de indruk dat men eigenlijk nooit met zichzelf in het reine gekomen is hoe het aan te pakken.

Veel is er bij vroegere gelegenheden al gemop-

[p. 265]

perd over de tekstverzorging. Zo werd Max Havelaar in deze ‘Volledige Werken’ gepubliceerd als een soort amalgama van diverse drukken. Alle woorden in dit mengsel zijn wel van Multatuli afkomstig, d.w.z. zoals de diverse stenen, opgegraven uit de heuvel Hissarlik allemaal wel eens deel uitgemaakt hebben van een stad die Troje heette, maar niet allemaal van hetzelfde Troje.

Hierover - Garmt Haveling door Max Stuivelaar, zoals de op die manier ontstane tekst schertsenderwijs zou kunnen worden aangeduid, - is al zo veel te doen geweest, dat ik er verder over zwijg.

Een wetenschappelijke editie

Kan ‘Volledige Werken’ een wetenschappelijke editie worden genoemd?

Ongetwijfeld heeft Stuiveling het steeds meer die kant uit willen sturen. Omstreeks 1950, toen het eerste deel verscheen, leek het er eerder op dat het een verbeterd soort volkseditie worden zou. Hieraan moet het waarschijnlijk worden geweten dat de nogal onpersoonlijke en (behalve voor de speurders) niet zo bijster interessante brieven die Multatuli in de Opregte Haarlemse Courant schreef, niet bij de eigenlijke werken terechtgekomen zijn, maar in de afdeling brieven en documenten.

Waarom wel de posthume Onafgewerkte Blaadjes bij de ‘werken’ ondergebracht (in deel vii) en niet deze persuittreksels of zogenaamde persuittreksels, die door de schrijver zelf in druk gegeven werden?

Op zichzelf heeft het wel voordelen dat ze nu in deel xi staan, tussen de brieven uit dezelfde periode, als monumenten van de ellende, die uit de brieven spreekt waardoor ze worden omringd. Maar ja. Misschien zou het eveneens voordelen hebben het oeuvre van een overleden schrijver altijd integraal chronologisch te rangschikken: brieven en publikaties door elkaar heen. Toch wordt dit, om redenen die voor de hand liggen, zelden gedaan. (Wanneer een brief precies geschreven is, valt meestal wel vast te stellen, wat niet geldt voor elke pagina van een roman; je zou trouwens het romanverband moeten verbreken, enz.) Nu dan toch, pas in deel xi, met deze wijze van publiceren te beginnen, staat wat vreemd.

Stuiveling's mantel der liefde breidt zich ook uit over Multatuli zelf.

Ieder hoofdstuk van de Brieven en Documenten (een hoofdstuk bestrijkt een jaar uit het leven van de schrijver) laat hij voorafgaan door een overzicht van Multatuli's lotgevallen in de betreffende periode. Ik denk tenminste dat hij zoiets bedoelt. Maar in plaats van exact en duidelijk feiten en achtergronden naar voren te halen die met de documenten verband houden, is hij er vooral op uit Multatuli te verdedigen tegen aanmerkingen op zijn held, die mogelijk bij de lezer zouden kunnen opkomen. Welke ook de wetenschappelijke doeleinden mogen zijn die Stuiveling denkt na te streven, dat deze overzichtjes grote wetenschappelijke waarde hebben, kan hij niet menen. Zoals ik elders (De Gids, no 4/5, 1977, blz. 368 e.v.) heb aangetoond, is Stuiveling's toelichting soms regelrecht in strijd met de geproduceerde stukken.

Bijna voortdurend is zijn commentaar bovendien vaderlijk, vaag en omslachtig. Daardoor wordt de totale editie vrees ik moeizamer en dikker dan nodig is.

Ook het volgende draagt in hoge mate bij tot een nodeloze uitbreiding van de Volledige Werken.

Opdracht van rijkswege

De Nederlandse regering is echt niet kinderachtig, wanneer het erop aankomt zotte literaire opdrachten te geven aan een zot personage.

Deel xi bevat een zeventien bladzijden tellend hoofdstuk genaamd Biografische Aantekeningen, dat geschreven is door de heer Henri A. Ett. Het is, blijkens een mededeling in Stuiveling's ‘Voorbericht’, ontstaan uit een ‘literair-historische opdracht van rijkswege’ aan genoemde heer.

Dergelijke biografische aantekeningen ontbraken in de vroegere delen geenszins. Ze zijn er sinds het prille begin der uitgave geweest, hoewel de heer Ett er toen nog niet bij betrokken was. Voor mijn gevoel hebben ze altijd de meest schandalige pagina's van deze Multatuli-editie uitgemaakt.

Oorspronkelijk heette dit verplichte nummer ‘Alphabetische Lijst van Verklaringen’. Je kon er dus niet alleen uit leren dat Constantijn de Grote een Romeins keizer was, maar ook dat ‘ad libitum’ betekent ‘naar welgevallen’. Niet alleen dat Cambronne een Frans generaal is geweest tijdens de slag bij Waterloo, maar ook... Of nee, voor ik het vergeet: juist waardoor Cambronne onsterfelijk is geworden, namelijk door een aanmaning zich over te geven te beantwoorden met een krachtig ‘Merde!’ (volgens de legende dan) staat er niet bij.

Zo zijn deze aantekeningen een bron van ergernis, vooral wanneer je bedenkt dat ze met minder moeite en honderdmaal zoveel nut voor de lezer vervangen zouden kunnen zijn door een goed alfabetisch persoonsregister. Ophelderingen zouden, overal waar nodig, in de tekst hebben kunnen worden geplaatst, b.v. als voetnoot.

[p. 266]

Bij mijn weten heeft niemand het nog ondernomen de fouten, omissies en overbodigheden in die bij elk deel terugkomende ‘Alphabetische lijsten van Verklaringen’, die geen plaatsen waar de verklaringen op slaan, vermeldt, eens stelselmatig op te sporen. Ook ik zal dit nalaten, het is toch mosterd na de maaltijd.

Ik doe maar een greep: Je kunt b.v. (deel iii) wel vinden dat ‘insolent’ onbeschaamd betekent, maar overal in Multatuli's geschriften staan gehele Franse teksten en die worden niet vertaald. De aantekenaar weet dat Franz Junghuhn een ‘Indisch plantkundige’ was en ook nog ‘Een der voorlopers van de vrijdenkersvereniging ‘De Dageraad’, maar dat is alles.

Prud'homme op blz. 250 passeert hij stilzwijgend.

Enzovoorts, enzovoorts.

Geheel vergeefs zoeken we in de Verklaringen van Deel iv naar toelichting bij de in de tekst voorkomende eigennamen Begaimana, Diderot, Harting, Holbach, Horatius, Rappo, Rousseau, Terech, Tetzel, Tobat, Traupmann (gebruikelijker spelling: Troppmann, WFH) De Vletter, Voltaire, Madame de Warens.

Enfin, na deel vii leken de gedrukte Werken uitgeput en sindsdien zijn we van deze ‘verklaringen’ verlost.

Met deel viii begon de publikatie van de brieven en documenten. De samenstellers hebben toen klaarblijkelijk bij zichzelf gezegd: lezers die het tot hier gebracht hebben en ook nog dit deel en de volgende delen willen gaan lezen, dat moeten ondertussen dank zij al onze verklaringen wel zulke knappe bollen geworden zijn, dat ze er hun hand niet voor omdraaien om in een woordenboek op te zoeken dat een ‘augur’ een vogelwichelaar is, zoals we vroeger nog uiteenzetten, en dat ‘à jeun’ (Fr.) nuchter betekent. Dus weg daarmee. Het werden voortaan ‘Biografische Aantekeningen’ zonder meer, die dan wel (zie viii, 688) verzuimen te vertellen dat J.C.W. baron van Heeckeren tot Waliën op 6 aug. 1846 trouwde met Henriëtte bsse van Wijnbergen, waardoor hij Multatuli's zwager werd en die ons in het ongewisse laten wie Phitsinger en Permentier (door Multatuli genoemd op blz. 643) wel mogen zijn geweest. Had de schrijver van deze Biografische Aantekeningen nu maar ook namen als deze opgenomen en er (als 't niet anders kon) eerlijk bij verteld dat hij ze niet wist thuis te brengen, dat zou nog wat geweest zijn, dan wisten we tenminste of hij slordig dan wel onwetend moest worden genoemd. Maar niks hoor. Zo ook vernemen we niet het sterfjaar van Ruloffs en in deel ix blz. 702 wordt ons verheimelijkt dat Engelbertus de Waal ooit minister van Koloniën is geweest, belangrijk feit, dat nota bene wel genoemd was in de ‘Alphabetische Lijst van Verklaringen’ bij deel i. Maar daar wordt niet naar verwezen.

Of ik dan zo dol op verwijzingen ben? Nee. Net als iedereen heb ook ik er een hekel aan de lectuur van een boek te moeten onderbreken om van alles en nog wat in andere boeken na te kijken. Maar helaas, de ‘Biografische Aantekeningen’ van deel viii en volgende delen staan vol verwijzingen naar de oudere. Dit is wel begrijpelijk. Heel wat namen komen uiteraard op allerlei plaatsen bij Multatuli terug. In ieder deel opnieuw van A tot Z hun doopceel te lichten, werd klaarblijkelijk te gek gevonden. Dat is het natuurlijk ook.

Logisch, wetenschappelijk en praktisch voor de lezer zou het zijn geweest na het voltooien van de hele serie boeken, voor eens en voor altijd een allesverklarend register te maken, niet vermelding van de bladzijden waar de behandelde trefwoorden en eigennamen ter sprake komen.

Verklaring van vreemde woorden was overigens waar het Maleise woorden betrof, geenszins een overbodige schoolmeesterij. Deel viii heeft dan ook nog wel zo'n lijstje en ook deel ix heeft er een, waarin je helaas tevergeefs zoekt wat een ‘koelie toendan’ (l.c. blz. 482) wel mag zijn.

Te beginnen bij deel x is er ook met deze traditie radicaal gebroken: geen enkele verklaring van vreemde woorden meer in een lijstje. En zo zullen de lezers van deel xi, voor zover van Indische achtergronden verstoken, zich wel vruchteloos afvragen waarom Stéphanie Omboni het troetelnaampje ‘Loetjoe’ draagt (Maleis: geestig). Een woord dat niet zomaar in elk lexicon wordt aangetroffen.

Zou het, bij ontstentenis van een woordenlijst achterin dan geen aanbeveling hebben verdiend gewoon maar in dit en dergelijke gevallen een korte verklaring of voetnoot onder te brengen bij de tekst die de documenten beschrijft?

Waarom niet?

Want neem nu bij voorbeeld eens Alcibiades, Winkelried en de Carbonari. Ze staan in een brief van Multatuli aan Mimi op blz. 167. Keurig legt Garmt Stuiveling daar in de buurt uit wie dat wel waren: Alcibiades, Winkelried en de Carbonari - gewoon omdat Henri A. Ett ze in zijn Biografische Aantekeningen weggelaten heeft, wat geheel in strijd is met de ‘literairhistorische opdracht’ die hem ‘van rijkswege’ was verleend.

Overal vind je in dit boek verklaringen die eigenlijk in de Biografische Aantekeningen hadden moeten voorkomen, maar daar niet zijn. Toch, baas boven baas, op p. iii vertelt

[p. 267]

Stuiveling wie Marian Langiewicz was en in de ‘Biografische Aantekeningen’ vertelt de heer Ett hetzelfde nog een tweede maal. Ook Prof. Veth krijgt deze voorkeursbehandeling (zie pp. 622 en 802) en daarmee is de voorraad van deze doublures niet uitgeput. Kennelijk hebben Prof. Stuiveling en de heer Ett maar zo'n beetje langs elkaar heen gewerkt.

Ronduit ongerijmd moet het worden genoemd, dat pagina 101 prijkt met de vertaling van ‘vogue la galère’. Daarentegen is ‘pour la bonne bouche’ (p. 115) niet te moeilijk geacht voor de lezertjes, want dat wordt niet vertaald en de zo goed als geheel in het Frans geschreven brieven van Tine aan Stéphanie Omboni zijn zelfs in de oorspronkelijke taal opgenomen zonder enige vertaling hoe ook genaamd.

Spelfouten

Het valt te verdedigen dat Stuiveling spel- en andere fouten in Franse teksten onverlet gelaten heeft, ja zelfs dat hij er geen verbeteringen tussen haakjes aan heeft toegevoegd. Maar ook hier rijst een moeilijk probleem. De brieven van Tine werden in 1895 gedrukt. Daarin staat b.v. de fout ‘chapître’ (moet zijn: chapitre). Hoe dient zo'n tekst (het manuscript is zoek) nu herdrukt te worden? Want wie heeft dat ongepaste accent circonflexe op de i gezet, Tine of de zetter van die eerste publikatie? Ging het om een Hollandse tekst en stond er b.v. ergens ‘allemol’ dan zou iedere tekstverzorger die goed bij zijn hoofd is er stilzwijgend ‘allemaal’ van maken.

Stuiveling heeft, terecht geloof ik, in de Franse teksten ook alle fouten diplomatisch weergegeven. Maar dit moet de lezers voor wie de uitgave schijnbaar bedoeld is, op vreselijke dwaalwegen voeren. Dat zijn immers mensen die niet eens in staat werden geacht een correcte Franse uitdrukking als ‘vogue la galère’ te kennen of zelfs maar te kunnen opzoeken in een woordenboek.

Raadsels

Al sinds de vele jaren dat ik Pée's uitgave van Tine's brieven aan Stéphanie in mijn bezit heb, vraag ik me af wie ‘Olga’ was. In het hier besproken boek ontmoeten we Olga op bladzijde 249, maar een toelichting bij deze naam staat er niet, en waarom toelichting achterwege blijft, horen we evenmin.

Dr. Julius Pée publiceerde in 1895 Tine's brieven jammer genoeg onvolledig. Het is tekenend voor de schandelijke manier waarop er met Multatuli's nalatenschap en met die van Pée is omgesprongen, dat deze brieven, door Pée aan het eind van de vorige eeuw verzameld, nu weer spoorloos verdwenen blijken te zijn, want Stuiveling heeft ze, als gezegd, gecopieerd naar de boekuitgave.

‘Ronduit Sensatielust’

Over de ‘Biografische Aantekeningen’ nog dit: er kan nauwelijks twijfel aan bestaan dat de uitvoerigheid waarmee een bepaalde naam wordt toegelicht, afhangt van de mate waarin de desbetreffende persoon door het Multatuli-Genootschap wordt gewaardeerd. Voorbeeld, uit vele alweer: Een ieder die zich met Multatuli bezig heeft gehouden, zou wel gaarne wat meer willen af weten van Marie Anderson, zijn jarenlange, in een bepaalde periode zelfs nogal intieme, vriendin. Helaas, Marie Anderson heeft een slechte naam bij de ware Multatuli-kenner, niet omdat zij hem heeft verguisd, gehoond, of belachelijk gemaakt, want ze bleef tot ver na zijn dood met ontroering aan hem denken, maar omdat ze in 1901 enkele details prijsgaf over zijn manier van vrijen. Dat was buitengewoon moedig in 1901 en Marie Anderson, je kunt haar sympathiek vinden of niet, of een malloot (wat Multatuli zelf haar op den duur vond) ze was in elk geval geen alledaags mens. Maar nee, o schande! Ook Du Perron, in eigen ogen toch voor geen kleintje vervaard op het gebied van ‘fussoen’ zoals hij het noemde, verweet haar ‘ronduit sensatielust’. (Multatuli en de Luizen, p. 6)

Gelukkig veranderen de tijden en de aantekening over Marie Anderson in dit deel xi is dan ook wel driemaal zo uitgebreid als de haar betreffende paragrafen in de delen iii, iv en x.

Een werkelijk definitieve uitgave?

Rommelig, onoverzichtelijk door het ontbreken van registers, half- en dubbelslachtig als deze meest volledige Multatuli-editie uitvalt (deel xi is zelfs uit een ander corps gezet dan de overige delen) we kunnen haar natuurlijk onmogelijk missen. Er is nu eenmaal geen betere en ieder nieuw deel brengt vanzelfsprekend ook aangename verrassingen: teksten die nooit eerder zijn gepubliceerd of op moeilijk bereikbare plaatsen.

De krantenstukjes uit Duitsland (‘Van den Rijn’) die Multatuli in 1866 uit geldgebrek aan de Opregte Haarlemse Courant bijdroeg, zijn inderdaad doorgaans zo droog en onpersoonlijk als zijn opdrachtgever ze wenste. Maar hier en daar zit er een juweel in verstopt, b.v. op p. 782 ‘de moraliteit van het naaldgeweer’ in een citaat uit de Mainzer Beobachter - krant die hij geheel uit zijn duim gezogen had.

Trouwens, zouden de citaten uit andere Duitse bladen authentiek zijn of misschien ook gedeeltelijk verzonnen? Prachtig onderwerp voor een dissertatie.

[p. 268]

Zijn tweede vrouw Mimi publiceerde, zoals men weet, een bloemlezing uit zijn brieven. De originelen gingen daarbij verloren, behalve een aantal aan haar zelf gerichte epistels. Deze vinden we nu in dit deel xi voor het eerst tekstgetrouw. Het boek bevat vele nooit eerder gedrukte interessante passages, als b.v. een Amsterdams straatbeeld van honderdtien jaar geleden (p. 217), een uiteenzetting over Multatuli's dromen (p. 175), een lange bittere brief over de vervreemding van zijn tienjarig zoontje, enz.

Zo kan de geïnteresseerde lezer uren bezig blijven en wordt hij, ondanks alle ergernis, toch dankbaar gestemd jegens hen die de ‘Volledige Werken’ tot stand brengen: beter zó, dan helemaal niet. We moeten het ermee doen tot er een werkelijk definitieve Multatuli-uitgave komt - iets dat, vrees ik, door geen der thans levenden zal worden meegemaakt.

terug  begin  verder