terug  begin  verder
[p. 276]

Paul van 't Veer over Multatuli (NRC Handelsblad, 9 april 1982)

Het boek dat Paul van 't Veer (overl. 15-5-'79) aan Indië en Multatuli wijdde, bevat vrij veel door hem opgedolven nieuw materiaal. Maar het komt ook overeen met oudere Multatuliboeken.

Boeken over Multatuli zijn namelijk heel anders dan zulke aan de overige Nederlandse schrijvers gewijd.

Ten eerste omdat ze zo onvergelijkelijk veel groter in aantal zijn. Over geen enkele vaderlandse auteur is zo overvloedig en zo geanimeerd geschreven, als over de binnenkort al honderd jaar dode man van Lebak.

Ten tweede bevatten boeken over Multatuli altijd krasse onnauwkeurigheden, zo geen (pro dan wel contra) opgeklopte beweringen die door geen enkel historisch document worden gestaafd. Soms zelfs mededelingen waarvan de onjuistheid al lang is aangetoond.

En ten derde behandelen deze geschriften hoofdzakelijk Dekker's leven tot en met het schrijven van Max Havelaar, dus ‘zijn jeugd en Indische jaren’, ondertitel van een van die werken (dat van J. Saks).

Ook het nieuwste Multatuli-boek, van Paul van 't Veer, zou beter zo hebben kunnen heten dan, zoals het nu heet: ‘Het Leven van Multatuli’. Plotseling breekt het af, in 1859, toen Multatuli nog 28 jaar te leven had. Deze levensbeschrijving, hoe dik ook nu al, zou nog wel tweemaal zo dik hebben moeten worden, als Paul van 't Veer's ontijdige dood de uitvoering van zijn oorspronkelijke voornemen niet had verijdeld. ‘Sommige boeken hebben hun geschiedenis door niet te verschijnen: memoires in de knop gebroken, romans onvoltooid, verzamelde werken voor de uchtend van hun bloei vergaan’, schreef hij in januari 1978 (Tirade, jaargang 22), zonder te vermoeden dat het boek waaraan hij zelf werkte, tot deze categorie zou gaan behoren en gedeeltelijk ongeschreven zou blijven.

Hoe betreurenswaardig dit ook is, ondertussen dekt nu de vlag de lading niet en tot overmaat van ramp is het op zichzelf fraaie omslag versierd met het portret van een man die zeker E. Douwes Dekker niet geweest is, zoals al lang is bewezen.

Over de beweringen die niet gestaafd zijn, respectievelijk stellig onjuist, zal ik me zo min mogelijk uitlaten. Het nut van debatteren met een dode schrijver is meestal onzeker: hoop op een verbeterde herdruk bestaat niet en dan nog... Het groepje dergenen die de materie werkelijk goed kennen is uiterst klein, en sommigen die er deel van uitmaken, zijn om tactische redenen weinig geneigd publiekelijk oude rooskleurige visies, door de traditie geheiligd, te laten vallen voor een wat nuchterder kijk op Dekker's wedervaren. Ook Paul van 't Veer spaart heilige kolen en geiten, niet altijd dezelfde als zijn voorgangers, maar toch wel enkele. Vrienden van de schrijver, zo deelt de uitgever mede zonder namen te noemen, zijn verantwoordelijk voor ‘het vergelijken van de citaten, de verwijzingen, de literatuurlijst en het register’.

Niet voor de tekstverzorging? Weliswaar hebben toen het boek nog ter perse was de namen van enkele formidabele stilisten in dit verband de ronde gedaan (een advertentie in ‘Over Multatuli’ (9, 1982, blz. 70) beweerde dat Paul van 't Veer's boek ingeleid en bezorgd was door Annie 't Veer, Piet Calis en Karel van het Reve), maar we vinden daarvan geen spoor in het Ten Geleide. En van hun werkzaamheid, als ik het goed zie, helaas ook weinig in de tekst. Een grondige controle is nooit

[p. 277]

overbodig, wie de schrijver ook moge zijn. Bladzijde 186: ‘Openhartig moesten ze (Dekker en z'n verloofde, WFH) tegenover elkaar staan (cursief van mij). Daarom moest Eefje ook alles weten van zijn flirtation met Cateau en hem zelfs het groene licht geven om verder te gaan (cursief van mij).’

Het jaar waarin dit, volgens deze Bruintje-Beer-verzen, moest, was 1845; de plek waarop: een afgelegen theeplantage. Hadden ze daar toen al verkeerslichten? Nee. 't Zal dus een kaarslantarentje met een groen glaasje zijn geweest dat ze hem gaf, zodat Cateau hem gemakkelijker terug kon vinden in de tropennachten o zo zwoel, maar, wat iedereen weet, verschrikkelijk pikkedonker.

Waar Brest van Kempen, Slijmering in Max Havelaar, zich op 15 april 1855, toen hij tot resident van Bantam werd benoemd, heeft bevonden, is mij onbekend. In elk geval was hij voordien resident van Riouw en het kan dus lang geduurd hebben eer hij in zijn nieuwe standplaats Serang zijn werkzaamheden kon beginnen.

Over de Lebakzaak werden Multatuli's eigen mededelingen met het klimmen der jaren helaas steeds fanatieker en fantastischer. Van 't Veer heeft, als anderen vóór hem, geaarzeld daar kritiek op te leveren, ook als hij beter wist, wat soms tot tegenstrijdigheden leidt. Zo heeft Van 't Veer geweten dat Brest van Kempen op 15 april 1855 in Bantam was benoemd, slechts negen maanden eerder dan Douwes Dekker. Ik heb Van 't Veer hierop namelijk gewezen per brief van 29 juni '77. Het heeft hem, zo zie ik nu, niet verhinderd op blz. 340 van z'n biografie te verklaren: ‘Terwijl Dekker bezig was zijn verdediging voor te bereiden, was Brest van Kempen niet traag geweest met de zijne. Ook voor hem was het een uiterst belangrijke zaak aan het worden. Nu ze door Dekker geforceerd was tot iets waarbij de gouverneur-generaal betrokken moest worden, stond de carrière van de resident van Bantam net zo goed op het spel als die van de assistent-resident van Lebak. Het verschil was dat Dekker niet anders gewild had. Maar het stond als een paal boven water: kreeg Dekker gelijk dan kon Brest van Kempen wel inpakken. Dan zou zijn vastgesteld dat onder zijn ogen in Lebak al jarenlang gekneveld was zonder dat hij er iets tegen had gedaan.’ Als een paal boven water staat dat er van deze tirade niets deugt, maar ik bepaal me tot het voornaamste. ‘Jarenlang’ zou op z'n allerhoogst tien maanden kunnen zijn geweest. En dat er tegen de knevelarij vóór de komst van Dekker (24 januari 1856) niets gedaan was door Brest van Kempen is evenmin waar als dat er jarenlang was gekneveld onder de ogen van laatstgenoemde. Het staat namelijk niet alleen in de bewaard gebleven documenten te lezen, maar ook in Van 't Veer's eigen boek - maar op een andere bladzij (310)!

 

De befaamde vraag of Brest van Kempen ‘onder de regent’ zat omdat deze sluwe vorst hem ‘meiden leverde’ (Max Havelaar, noot uit 1875, zie Max Havelaar, 5de druk, facsimile-uitgave, blz. 401) behandelt Van 't Veer niet met de uitvoerigheid die zij verdient.

Multatuli's in de noot genoemde ‘onwraakbare getuige’ was J.J. Hasselman (niet S. Hasselman, zoals hij in veel Multatuli-literatuur ten onrechte heet). Deze Hasselman (zie Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl. iv) was niet ooit assistent-resident van Lebak geweest, zoals Multatuli zelf wel eens beweerd heeft, maar van het aanpalende Pandeglang en wel in de jaren 1847-1849. Toen zat Brest van Kempen op Madoera. Pas op 15 april 1855 werd hij benoemd tot resident van Bantam. Hasselman was toen resident van Jogjakarta en vertrok in dat zelfde jaar voorgoed naar Nederland. Het verhaal van Hasselman kan dus heel goed niet méér waar zijn geweest dan een praatje van willekeurig welke andere roddelaar. Multatuli schreef op 5 april 1868 aan Huet dat hij het niet van Hasselman zelf gehoord had, maar van Van Zuylen. In een brief van 25 april 1874 aan Vosmaer werd de zegsman Hasselman zelf en bombardeerde hij deze Hasselman zelfs tot assistent-resident van zijn eigen Lebak.

Tegen het meidenverhaal pleit vooral dat Multatuli toen hij zelf in Lebak was, er nooit van had gehoord, ook niet van Collard en Van Hemert (Duclari en Verbrugge in Havelaar), die daar al lang waren, iets waar ook Saks, door Du Perron voor ‘peuterkundige’ uitgescholden, terecht op gewezen heeft.

De manier waarop Multatuli het verhaal steeds sterker maakte, wordt door Van 't Veer helaas onvoldoende scherp onder het oog gezien.

 

Van 't Veer bestrijdt, in navolging van Stuiveling, mijn theorie dat Dekker een diep verborgen haat tegen z'n moeder koesterde. Toch beschrijft hij deze vrouw op goede gronden als een afschuwelijk mens dat zich steeds te kort gedaan voelde. Vooral door zulk soort geschipper is de tekening van Dekker's karakter in Van 't Veer's boek wazig en oppervlakkig gebleven.

Tot mijn verbazing wordt ook de legendarische ‘persoonlijke verhouding’ die tussen Dekker en Duymaer van Twist (vóór ‘Lebak’) bestaan zou hebben, weer bijna onverkort bejubeld, zonder dat de biograaf ingaat op de argumenten die ik heb aangevoerd om te bewijzen dat

[p. 278]

het maar een praatje is. (zie De Gids 4/5, 1977, dit boek 259) Genoemd artikel in De Gids is wel in de bibliografie opgenomen, maar veel eruit opgestoken heeft de biograaf geloof ik niet. Toch schreef deze zelfde biograaf mij op 7 november 1978:

‘Mijn eigen idee is dat Van Twist en Dekker elkaar wel hebben gesproken, zoals in hun situatie “normaal” was in de Buitenzorgse sfeer. (...) Maar dat het nooit vertrouwelijk kan zijn geweest en dat het zelfs hoogstonwaarschijnlijk is dat Van Twist hem met opzet naar Lebak stuurde. (...) Maar het belangrijkste is toch dat ik uit de brieven van Van Twist heb kunnen aantonen dat hij juist in het geheel geen voorstander was van maatregelen tegen regenten, maar vond dat die knevelarijen heel langzaam moesten uitsterven door betere “opvoeding” van de regenten en van de bevolking.’

Op de bladzijden 298, 318, 319 die in het boek aan de kwestie zijn gewijd, vind je van deze zo gezonde denkbeelden weinig of niets terug en dit maakt het wetenschappelijke gehalte van de nieuwste Multatuli-biografie helaas ook al niet groter. Maar op andere bladzijden wordt er weer wel op gewezen dat Van Twist niet zoveel hart voor de inlander had.

‘Duymaer van Twist gaf Multatuli gelijk!’ heeft Du Perron eens uitgeroepen.

Paul van 't Veer gaf iedereen gelijk.

Op blz. 356 heet het persoonlijke contact in Buitenzorg weer ‘oppervlakkig’. Zo blijven we aan de gang.

In zijn ijver alle partijen te vriend te houden en het legendarische heldenfeit van Lebak dus niet al te skeptisch te bekijken, is Van 't Veer voor geen kleintje vervaard.

Op blz. 327 durft hij te beweren dat Dekker ‘besloot het lijk van Carolus (zijn zogenaamd vergiftigde voorganger, WFH) te doen opgraven.’

Hoe nu?

Duidelijker verwarring tussen legende en waarheid, tussen Havelaar en Dekker, tussen Slotering uit de roman en Carolus die echt bestaan heeft, is niet mogelijk.

Inderdaad was het 't voornemen van Havelaar ‘'t lyk van zyn voorganger te doen opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent verwyderd zou zyn en diens aanhang onschadelyk gemaakt.’ (Max Havelaar; zie vijfde druk, blz. 297)

Maar Havelaar was niet helemaal Dekker en wat Dekker in werkelijkheid al dan niet besloten heeft moge onbeslist zijn, dat hij niet, zoals Van 't Veer voorwendt te denken, hetzelfde besloten kan hebben als wat de romanheld Havelaar besloot, staat vast.

Carolus, op 1 november 1855 overleden, lag immers niet in Lebak begraven, maar te Serang, waar a) Dekker niets te besluiten had en b) de Regent en diens aanhang niet schadelijk konden zijn.

Carolus in Serang te doen opgraven besloot Dekker dus zeer zeker niet. Maar evenmin verzocht hij de resident te Serang, Brest van Kempen, dit voor hem te laten doen. Integendeel: Hij hield de hele vergiftigingszaak voor Brest van Kempen geheim!

Multatuli zelf heeft dan ook nooit zo'n besluit aan Dekker toegeschreven. Hij beperkte zich 25 jaar later tot een ogenschijnlijk onaantastbare, maar toch aan alle kanten misse mededeling: dat het hem onbekend was òf het lijk van zijn voorganger was opgegraven. (Max Havelaar, vijfde druk, opheldering(152), blz. 392)

De overigens al lang bekende waarheid is dat Dekker, toen hij zijn eerste heftige brief aan Brest van Kempen schreef zonder feiten te noemen, oprecht in de vergiftiging geloofde. Dáárom ging het. Niet om, volgens de adat (Nieuwenhuys dixit en niet geheel ten onrechte), gepreste grassnijders of afgepakte buffels en overige ‘bewijzen uit het Pak van Sjaalman’, waarmee Du Perron pas 83 jaar later voor de dag zou komen. De vergiftiging van Carolus, een moord door de onderworpen inlanders gepleegd op een Nederlandse ambtenaar, dàt zou een reden tot groot vertoon van kracht zijn geweest, díe zou aanleiding hebben kunnen geven de Regent terstond te ‘verwijderen’ - als het waar geweest was. Helaas. Even later vernam Dekker dat Carolus volgens diens arts niet was vergiftigd. Dekker kon toen, door raadselachtige, in zijn karakter verankerde oorzaken zijn koers niet meer wijzigen. Hij verdubbelde zijn inzet, net zoals hij met even weinig succes aan de roulette placht te doen. Van 't Veer ziet dit ook wel in, maar niet waar het 't meest te pas komt.

Je vraagt je overigens wel af hoe die arts nog iets anders had kunnen verklaren. Want Carolus was immers al vier maanden dood en begraven, zonder dat iemand de politie had geïnformeerd. Andere onduidelijkheden en onjuistheden in Van 't Veer's boek laat ik nu maar rusten. Ik had me voorgenomen niet te polemiseren en werp dan ook, in plaats daarvan, liever een vastberaden blik op de toekomst.

Wanneer zal er eindelijk een boek verschijnen dat met recht Het Leven van Multatuli zou mogen heten?

Toch onmogelijk eerder dan als de Brieven en Documenten volledig gepubliceerd zullen zijn. En hoelang zullen we daar nog op moeten wachten?

De Multatuli-uitgave is op het ogenblik (11 maart 1982) waarop ik dit schrijf, niet verder

[p. 279]

gekomen dan het jaar 1869, wat betekent dat er nog een oogst van achttien jaar brieven en documenten in de beroemde schoenendoos onder het bed van Garmt Stuiveling ligt te gisten.

En er worden, naar het schijnt, nog voortdurend nieuwe pakken brieven en documenten aan het licht gebracht...

terug  begin  verder