terug  begin  verder

Multatuli deel veertien, de brieven en documenten van 1870 en 1871 (NRC Handelsblad 30 april 1982)

Heeft literaire detailkritiek enige zichtbare uitwerking op de kwaliteit van de gekritiseerde boeken?

Op 16 december 1977 besprak ik in NRC Handelsblad deel Elf van Multatuli's Volledige Werken en maakte er enkele aanmerkingen op, door de bezorgers van de uitgave nooit weersproken.

Nu, bijna vijf jaar later, zijn we toe aan deel Veertien. (Deel 1 zag tweeëndertig jaar geleden het licht...)

Is er naar mij geluisterd? Ik durf het me nauwelijks te verbeelden.

Zo wordt een register van namen nog altijd als een overbodige luxe beschouwd.

Zo is men erin geslaagd de traditionele beschrijving van de jaren waaruit de gepubliceerde documenten afkomstig zijn nog even weinig-zeggend te maken en menigmaal misleidend, want met de documenten strijdig, als voorheen.

Om een voorbeeld te noemen: in weerwil van wat op blz. 22 verteld wordt, blijkt letterlijk uit niets dat Tine's vertrek uit Den Haag naar Italië (omstreeks 1 juni 1870) Multatuli toen de beste uitweg zou hebben geleken.

Goed, z'n schoondochter (die van zichzelf Post van Leggelo heette, met één o, niet met twee, Garmt) had het mis: Tine en de kinderen waren niet naar Italië vertrokken, zodra Dekker naar Duitsland was gegaan; ze bleven nog zes weken in Den Haag. Maar het verbeteren van deze fout geeft Stuiveling toch niet het recht er weer een andere fabel voor in de plaats te schuiven?

Hij, en doctorandus Dongelmans, die een deel van Garmt's taak heeft overgenomen, zijn te prijzen dat de ergste absurditeiten die oudere delen ontsieren (doublures in de biografische aantekeningen o.a.) nu geloof ik vermeden zijn. Maar andere malligheden, zoals de vertaling hier en daar van een Frans woord, terwijl de gesubsidieerde gemakzucht hele stukken Franse tekst onvertaald gelaten heeft, worden koppig voortgezet.

Nog sterker: bladzijde 83 prijkt met twaalf regels onvervalst zeventiende-eeuws Latijn (van Newton) zonder een syllabe nadere uitleg.

Is de Multatuli-uitgave dan bestemd voor lezers die zonder moeite Latijn kunnen lezen, maar veel te dom zijn om een Frans woord op te zoeken in een dictionnaire (met uitzondering van ‘pour la bonne bouche’, dat in deel ix onverklaard bleef en, verdraaid! - in dit deel wéér!)...

Is zij bedoeld voor bollebozen die op bladzijde 83 zo maar uit hun hoofd wisten wie Newton was, zoals Stuiveling en Dongelmans blijkbaar hebben aangenomen, maar, bij bladzijde 608 aangeland, niet meer, want daar pas wordt het plotseling uitgelegd: wie dat is geweest, Newton.

Diverse ‘affaires’ trekken ook ditmaal weer

[p. 280]

door correspondentie en krantenknipsels hun sporen. Om te laten zien hoe jammerlijk de verklarende noten de lezer in de steek laten, zal ik een van deze kwesties hier wat uitvoeriger behandelen.

In Nog-eens: Vrye Arbeid in Nederlands Indië (gepubliceerd december 1870) had Multatuli het volgende beweerd: ‘... de zeer liberale voorstander van Vryen Arbeid Duymaer van Twist voerde de afgeschafte werving voor het leger weder in. Onderofficieren werden van geld voorzien, om in de dorpen den onnozelen inlander tot spelen te verleiden. Zodra deze meer verloor dan hy betalen kon, werd hem geld geleend om dóór te spelen, en het geleende als handgeld beschouwd. Men knipte zyn haren af, en hy was soldaat. Voor den honderdsten maal nodig ik den heer Van Twist uit my tegen te spreken.

Het is mogelyk dat hy, last gevende de oude wyze van werving weder oogluikend toe te laten - ik weigerde die vuiligheid in myn Afdeling toe te laten - niet wist hoe die zaak zich toedroeg’. (VW, v, 468)

 

Het was niet Van Twist die hem tegensprak. Een ‘Oud-officier van het O.I. Leger’ kreeg in de NRC van 2 januari 1871 de ruimte om, met volledige stukken toegelicht, te betogen dat juist Van Twist bij kabinetsbesluit van 9 april 1852 de (kwalijke) wijze van soldaten werven had afgeschaft.

Wat bewees dit tegen Multatuli? Feitelijk niets. Hij had zelf immers ook gezegd dat de kwalijke wervingsmethode aanvankelijk was afgeschaft, maar hij had daaraan toegevoegd dat Van Twist die methode weer had ingevoerd. (zie ook Havelaar, opheldering(133)) Dit laatste werd door de oud-officier geenszins tegengesproken, of zelfs maar besproken. Toch was de bedoeling van de NRC duidelijk: de lezer te suggereren dat de Strijder van Lebak de arme ex-gouverneur-generaal weer eens had bezwadderd.

Het enige wat de officier aantoonde was dat Van Twist (waar Multatuli niet eens zeker van was geweest) wel degelijk geweten moest hebben hoe kwalijk die wijze van soldaten werven was.

Multatuli liet het er niet bij.

Op 13 jan. '71 schreef hij aan Jhr. van Sypenstein, o.a. oud-gouverneur van Suriname en Tweede-Kamerlid, of Sypenstein het stuk waarmee Van Twist de oude wijze van werven weer zou hebben ingevoerd, uit het archief kon doen lichten.

Sypenstein deed niets.

Multatuli zond ook een repliek aan de NRC.

De NRC weigerde deze brief te plaatsen, maar een andere krant, Het Noorden, nam hem op. De schrijver hield voet bij stuk: Duymaer van Twist had de werving met gebruik van ‘kunstgrepen’ later toch weer ingevoerd en wel per geheim besluit. (VW, xiv, 387) Bewijzen voor deze stelling had Multatuli kennelijk niet.

De lezer anno 1982 zal zich moeilijk kunnen onttrekken aan de indruk dat de arme schrijver zich vergist had en in zijn nood maar iets verzonnen, want de verzorgers van de Volledige Werken komen de grote man niet te hulp met een verhelderende voetnoot.

Het liet Multatuli geen rust. In ettelijke brieven bleef hij volhouden tijdens zijn ambtstijd te Lebak een dergelijk geheim besluit onder ogen te hebben gekregen. Maar niemand gaf hem zekerheid dat het ooit werkelijk had bestaan.

Hij schreef ook aan Mr. W. Wintgens, oudminister van Justitie en lid van de Tweede Kamer. (VW, xiv, 634)

Wintgens schreef hem op zoetsappige toon terug. Over het werven van soldaten staat in die brief geen jota.

Op 31 december 1871 klopte Multatuli opnieuw aan bij Wintgens en het gaat ernaar uitzien dat hij zijn fantasie in steeds toenemende mate te hulp riep: ‘Het weder invoeren van de infame wijze van werving, door den vryarbeidsgezinden heer Van Twist, behoeft niet zo voorzichtig aangeroerd te worden. Dit is een feit waarvoor ik insta. Ik herinner my zeer duidelyk, op de my als Assistent-Resident van Lebak geworden dispositie genoteerd te hebben: “dat doe ik niet!”’

Heeft Wintgens hier dan wèl nog iets op geantwoord? Helaas, het is de laatste brief die in dit deel xiv wordt gepubliceerd en we zullen dus weer lang moeten wachten eer we te weten komen of, en zo ja welk, vervolg deze zaak gehad heeft.

Kortom, het is hartverscheurend te zien hoe iedereen die op de hoogte kon zijn of kon komen, Multatuli in de steek liet. Indien er immers een dergelijk geheim besluit echt geweest is, dan moeten vele ingewijden daarvan geweten hebben. Als de assistent-resident van Lebak het op zijn schrijftafel had gevonden, dan de andere assistent-residenten vanzelfsprekend ook. Maar niemand deed klaarblijkelijk een mond open. Toen niet. En nu? De verzorgers van de Brieven en Documenten? Zij evenmin.

Is er dan niet zelfs maar een kleine poging gedaan naar dat (zogenaamde?) geheime besluit te zoeken in een archief?

Blijkbaar niet.

Inlichtingen die elke niet totaal debiele lezer zelf wel in het eerste het beste woordenboek

[p. 281]

vinden kan, zijn er in overvloed: dat ‘épicier’ het Franse woord is voor kruidenier, dat ‘gouffre’ afgrond betekent.

Ja! Zelfs dat (VW, xiv, 626) e.t.q. ‘Et (sic! WFH) tutti quanti’ beduidt, en dat dit Latijn zou wezen, vind je. Geen wonder dat ook de vertaling die ze geven, fout is. Ik vraag me wel af hoe de onderhavige annoterende polyglot (= iemand die veel talen kent, Fr. volgens v. Dale) hier nu weer aan is gekomen.

Enfin.

Ondanks al deze geleerdheid staat, op 31 dec. 1871 de Strijder voor de uitgebuite Javaan nog evenzeer in de Hollandse kou als een jaar eerder, toen de NRC die voor hem ogenschijnlijk vernietigende documenten publiceerde. En er zou in deze voor de man van Lebak zo hachelijke toestand zelfs honderdelf jaar later nog geen verandering zijn gekomen, als niet een willekeurige buitenstaander de tijdrovende, maar amusante gewoonte had, geregeld in Multatuli's Volledige Werken te bladeren en zodoende het oog had kunnen laten vallen op bladzijde 521 van deel xi.

Een kleine historische inleiding is op z'n plaats, alvorens ik releveer wat daar wordt aangetroffen.

Omstreeks 1890 besloot C. Jonckbloet, zich noemende ‘R.C. Priester en Pastoor te Batavia’ een bezoek aan Lebak te brengen. Hij was van mening dat Multatuli's geschriften de jeugd bedierven en ging zijn licht eens opsteken in het archief van Rangkas Betoeng, de hoofdplaats waar zich het Havelaardrama had afgespeeld. Verscheidene archiefstukken schreef hij over - correct naar we moeten hopen, want de originelen zullen wel verdwenen zijn.

Op hun beurt schreven de verzorgers van de Volledige Werken iets over uit het boekje dat Jonckbloet in 1894 aan zijn ervaringen wijdde en dit citaat vinden we in deel ix op blz. 521. Jawel. Het was een ‘geheime missive, op 26 februari 1856 gezonden door Resident Brest van Kempen en handelende over de werving van inlandse soldaten’. De letterlijke tekst blijft ons jammer genoeg onthouden, maar niet wat E. Douwes Dekker er, op 29 februari 1856, onder schreef:

‘Nota van den Assistent-Resident van Lebak. Voorloopig gedeponeerd in de meening dat ik niet zeer lang deze afdeeling zal besturen en dus de meededeeling aan den Regent uitgesteld tot een opvolger op zich zal durven nemen den Regent ten dezen voor te schrijven wat “geoorloofde middelen” zijn.

In geval mijne overplaatsing of aflossing niet spoedig plaats vindt de vraag rigten tot den Resident van Bantam.

Het denkbeeld van oorbaarheid is zeer subjectief... Als spelen en dobbelen en tot schuld uitlokken een “geoorloofd middel” is, - verklaar ik daartoe de hand niet te willen leenen.

Zoo neen, welke middelen zijn dan wel geoorloofd? Ik voor mij heb daartoe instructies noodig; doch wellicht zal mijn vervanger ten dezen beter dan ik weten wat hem te doen staat. De Assistent resident van Lebak E. Douwes Dekker.’

 

Jonckbloet was het niet om de ‘geheime missive’ op zichzelf te doen of om de manier waarop inlandse soldaten werden geworven. Die kwestie zal hem hoogstwaarschijnlijk helemaal niet meer voor de geest hebben gestaan. Hij wilde alleen maar tonen dat Dekker er in de ‘Lebakzaak’ al in een vroeg stadium rekening mee gehouden had dat hij wel eens aan het kortste eind zou kunnen trekken.

Dekker's kanttekening op de missive maakt helaas niet geheel duidelijk wat er in die missive stond: of zij in tegenspraak was met het openbare besluit van 9 april 1852, waarbij de onoorbare middelen werden verboden, het besluit dat de NRC op 2 januari 1871 naar voren schoof om Multatuli's waarheidsliefde in een kwaad licht te stellen, - of misschien toch niet helemaal. Maar er zijn van hem bovendien losse aantekeningen bewaard gebleven, die midden maart 1856 opgeschreven zijn en een van deze notities luidt: ‘Hoe, men kan gene soldaten krygen zonder schandelyke verleiding en zo dikwyls bieden moeders hunne kinderen aan voor een weinig ryst.’ (VW, ix, 546)

Indien, zoals de NRC op 2 jan. 1871 suggereerde, de schandelijke verleiding in 1852 voorgoed verboden was, is deze overweging uit 1856 moeilijk te verklaren.

Hoe dan ook, Multatuli had het in 1870 niet allemaal uit zijn duim gezogen.

En niet zonder een zeker leedvermaak constateer ik dit honderdelf jaar later in een krant die nog altijd de naam NRC draagt, al is het dan nog maar voor de helft.

Dat er in 1856 inderdaad weer een missive is geweest over deze kwestie staat in elk geval vast. Helaas zal dit tot de meeste lezers van de Volledige Werken deel xiv niet gemakkelijk doordringen, want de tekstverzorgers wijzen er niet op en deel ix uit 1956 is al lang weer vergeten.

Aangezien Stuiveling in zijn beschrijving van het jaar 1871 er ook geen woord over schrijft, laat de uitgave voornamelijk de indruk achter tot stand te worden gebracht door geleerden die voor de inhoud van de documenten (en dus voor Multatuli) eigenlijk totaal geen belangstelling hebben. Hun toelichtende aantekeningen zijn onbenullig, hun commentaar is on-

[p. 282]

nauwkeurig, zoniet kinderachtig - zie bij voorbeeld de uitweiding over honger op blz. 304. Het boek verschaft gelukkig ook de oplossing van enkele oude raadsels.

Zo heb ik me wel eens afgevraagd waarom Dekker, na op 4 april 1856 ontslag uit 's lands dienst te hebben verkregen, nog ruim een jaar werkloos op Java gebleven is, om dan, 15 april 1857 hals over kop, in zijn eentje, zijn driejarig zoontje en zwangere vrouw achterlatend, naar Europa te vertrekken. Hij reisde namelijk, hoe arm hij ook was, per ‘landmail’, wat sneller, maar ook driemaal zo duur uitkwam als normaal per zeilschip om Kaap de Goede Hoop.

Wat was hij van plan?

Volgens een artikel door zekere Javanus in het Semarangse blad De Locomotief van 17 januari 1871 (nu voor het eerst opgegraven), gaf hij bij zijn vertrek als reden dat hij keizer Napoleon iii en de keizerin wel eens wilde zien.

Sicco Roorda van Eysinga, die enkele dagen voor dat vertrek met Multatuli kennis maakte en voor altijd zijn bewonderende vriend zou blijven, plaatste op 28 april 1871 een stukje met nadere preciseringen in De Locomotief: Dekker zou hem hebben gezegd: ‘Over zes maanden kom ik terug als millionair. Wij zullen dan samen het gemeste kalf slachten. Als ik u eerder gekend had, zouden wij reeds nu samen doen. Maar ik heb mijn plan alleen uitgewerkt en ga nu alleen naar Napoleon en Victoria. Met die lamme kooplui hier is niets te beginnen.’ (VW, xiv, 537)

Dekker's vriend Herman des Amorie van der Hoeven had tegen hem gezegd: ‘Als je niet om geld geeft, smaal dan niet op mensen met geld, maar gun het ze. Maar als je wèl om geld geeft, toon dan dat je het even goed kunt verdienen als zij.’

En Dekker had hem gelijk gegeven, en na drie maanden nadenken gemeend een oplossing te hebben gevonden.

Ook Paul van 't Veer is dit onbekend geweest en o.a. hierdoor is de biografie die hij schreef dan ook nu al verouderd. Je begrijpt niet dat het Multatuli-Genootschap hem niet beter heeft voorgelicht.

Mag men van een biograaf vergen dat hij zulke bladen als De Locomotief volledig doorzoekt op multatuliana?

Dit lijkt me toch wel wat te veel gevraagd. Het is een werkje dat sedert lang gebeurd zou zijn, als de professoren Nederlands aan de universiteiten hun leerlingen nuttiger dingen te doen gaven dan het in elkaar draaien van pseudoamerikaanse zeurstukken over de ‘evaluatie’, de ‘maatschappelijke relevantie’, de ‘onderhuidse spanningen’ van de dichter Pietje Puk en zo meer.

De annotatie, berekend zoals we zagen voor man of vrouw die het Latijn van Newton vlot kan lezen, maar niet bij machte is iets op te zoeken in een Frans woordenboek, past minder geniale studenten bijzonder slecht.

Bladzijde 650 geeft een van de plaatsen waar Multatuli het verhaal van Hasselman over Brest van Kempen en diens ‘onder de regent’ zitten wegens door de regent geleverde ‘meiden’ ter sprake brengt. Zie ook mijn artikel in NRC Handelsblad van 9 april 1982. (dit boek 276) De karige tekstverzorgers gunnen hier de onbedorven moderne lezer, die er, naar de ervaring leert, toch al niet veel meer van begrijpt, slechts twee verwijzingen naar andere plaatsen waar hij zich nader zou kunnen oriënteren. Ongelukkig is het te noemen dat, om te beginnen, alleen naar deel xii, 751 wordt verwezen en niet naar de overige verspreide opmerkingen van Multatuli, waarin hij deze kwestie, zo belangrijk voor de beoordeling van de Lebakzaak, met allerlei varianten aan de orde stelde.

En helemaal ontoelaatbaar is het dat voorts alleen nog verwezen wordt naar een artikel van H.A. Ett over Brest van Kempen uit 1950. Dit stuk geeft namelijk wel diverse interessante bijzonderheden over Brest van Kempen, maar vermeldt de ‘meidenkwestie’ met geen woord. Maar soms is het oprukken van de waarheid niet te stuiten. B.v. wat het vraagstuk aangaat of Dekker, vóór hij naar Lebak ging, omstreeks eind 1855 ‘herhaaldelijk’ aan diners ten paleize bij de gouverneur-generaal heeft deelgenomen en of hij zodoende op vertrouwelijke voet kwam met de machthebber, die ontdekte dat Dekker in Lebak ‘de regte man op de regte plaats’ zou zijn. Van Twist heeft het zelf gezegd, maar 26 jaar na dato, eerder niet.

Stuiveling en anderen worden niet moe te verzekeren dat dit niet naderhand door Van Twist is verzonnen, maar dat het waar is. Dekker werd ten paleize geïntroduceerd door De Waal, een neef van z'n vrouw, beweert Stuiveling onder meer in deel ix van de V.W., blz. 397. Maar wat lezen we op bladzijde 649 van deel xiv, in een brief die Multatuli op 15 december 1871 aan Wintgens schreef? Hij noemt daar zijn ‘aangehuwde neef De Waal’ zijn ‘vijand sedert dertig jaren’!

Zo, zo. Als, wat Multatuli in deze brief van 1871 zegt waar is, dan was De Waal dus al z'n vijand sinds 1841 en zal De Waal mogelijk juist verhinderd hebben dat Dekker aan de diners van de gouverneur-generaal werd genood.

(Voor het tegenovergestelde heeft Stuiveling trouwens nooit enig bewijs aangevoerd, maar dat mag in Nederland de wetenschappelijke pret niet drukken.)

[p. 283]

Een boek over Multatuli schrijven, of zelfs maar bestaande boeken corrigeren en aanvullen is, zolang de brieven en documenten niet compleet zijn uitgegeven, onbegonnen werk. En dan nog. Zelfs al heeft over honderd jaar een aspirant-biograaf alles, maar dan ook alles wat er van en over Multatuli is overgebleven in een betrouwbare editie bijeen, dan nog kan hij zeker weten dat zijn levensbeschrijving grote leemten zal vertonen en dat er over velerlei kwesties voorgoed onzekerheid zal blijven bestaan. Een ontmoedigende gedachte? Ik vrees van wel.

Want steeds duidelijker wordt het dat Multatuli's tweede vrouw, de Heilige Mimi, heldin van Recht en Waarheid volgens de oudere multatulianen, geen halve maatregelen nam als het verleden gecorrigeerd moest worden volgens haar!

Noodgedwongen nemen nu de Volledige Werken de meeste brieven over uit oudere, door Mimi in elkaar gedraaide uitgaven, waarvan àls er eens een bij toeval behouden manuscript vergeleken kan worden met Mimi's gedrukte tekst, altijd onmiddellijk blijkt dat de editie van de Heilige door en door corrupt is.

Kilo's en kilo's brieven en documenten heeft zij aan het alles reinigende vuur toevertrouwd.

En zij was niet de enige die dit deed.

Ook van de brieven die Tine aan Stéphanie Omboni-Etzerodt schreef, is zo goed als niets meer over. En dat Julius Pée (ook al zo'n waarheidsheld, als we Menno ter Braak geloven mogen) in 1895 niet alles gepubliceerd heeft, staat vast. Weg zijn de manuscripten van die brieven, verdonkeremaand door Pée, door diens erfgenamen, of misschien al door Stéphanie zelf, of zoekgeraakt onder het bed van Garmt Stuiveling - daar zullen we nooit achter komen. Ook toekomstige biografen zullen voortdurend langs afgronden van onzin en door drijfzanden van onbewijsbare veronderstellingen hun treurig bestaan moeten voortslepen.

 

Ik heb in deze bespreking nog lang niet alles vermeld waartegen ernstig bezwaar dient te worden gemaakt, lang niet alle fouten aangewezen.

Waar zou ik me voor uitsloven?

Ik weet zeker dat de claque van de Nederlandse professorale kliek deze editie toch weer ‘onvolprezen’ zal noemen. Ik verzin het niet, zie NRC Handelsblad van 27-2-1981. Onvolprezen! Of ik nog niet genoeg mijn best had gedaan!

Ik laat het bespelen van zulke loftrompetjes gaarne over aan anderen, die, wat mij betreft, daarmee dan zelf geprezen zijn.

Per drie jaar twee delen met in elk deel twee jaar Multatuli-documenten... Als 't zo doorgaat zal ik, mits niet intussen van razernij uit mijn vel gesprongen, tegen dat het laatste deel verschijnt 73 zijn. Dan luistert helemaal niemand meer naar mij...

(Ook deze berekening zal nog veel te optimistisch blijken, vrees ik, 1986.)

terug  begin  verder