terug  begin  verder
[p. 284]

Een hele stapel Havelaars (NRC Handelsblad 6 jan. 1984)

In De Revisor (1983/3) heeft Drs. Eep Francken, bestuurslid van het Multatuli-Genootschap, een lang artikel geschreven. Dit doet hij niet alle dagen.

De in twee kolommen gedrukte Revisorbladzijden bevatten wel viermaal zoveel tekst als een normale octavobladzijde van een normaal boek of tijdschrift. Op deze basis omgerekend is het artikel van Francken niet minder dan zeventien bladzijden groot.

Schijnbaar een ijverig man, doctorandus Francken, vooral als het om Multatuli gaat.

‘Ik ben nogal een Multatuligek’, onthult hij zelf. ‘Wie mij uit Appingedam opbelt met bewijzen dat Multatuli op een of andere dag de trein van 13.22 heeft genomen en niet, zoals tot nu toe werd aangenomen, die van 16.22 kan mij op de stoep verwachten.’

Da's inderdaad gek. Geen zee gaat hem te hoog, geen Appingedam is te ver weg. Een gekheid die de grootst mogelijke hoeveelheid tijd aan beuzelarijen wil besteden, maar nog heel wat belangrijke dingen ongedaan gelaten heeft. Dit laatste is niet alleen de schuld van Francken. Ontelbaar zijn de doctorandussen die talloze Multatuli-problemen tot de huidige dag even duister hebben gelaten als ze altijd al waren.

Francken's breedvoerige, om niet te zeggen keutelige en langdradige artikel is van A tot Z ingegeven door gekheid van deze soort en erger.

Waar komt het allemaal op neer?

Goed geraden: Francken wil subsidie hebben. Dit is om twee redenen niet verwonderlijk:

a) Negen van de tien Nederlandse letterkundigen zijn geen personen die iets willen bestuderen of schrijven, maar zulke die subsidie willen hebben.

b) Multatuli was niet alleen de grootste schrijver van onze negentiende eeuw, maar bovendien de grootste bedelaar. 't Zou met zijn geest in strijd zijn, niet, met zijn naam op de lippen, maar weer eens iets te verzinnen waarvoor subsidie op tafel moet komen. En dit, zelfs al valt te vrezen dat ondanks alle al verleende subsidie, de uitgave van Multatuli's Verzameld Werk zelfs in 1987, als zijn honderdste sterfdag herdacht zal worden, nog lang niet voltooid zal zijn.

Goed.

We geven Francken subsidie en wat gaat Francken daarmee doen?

Daarmee gaat hij niet minder dan drie of vier kloeke boekdelen produceren. Paralleledities, noemt hij ze.

‘Het eerste deel bevat een editie van het handschrift; opmerkingen over wijzigingen zijn nog niet nodig. Op de linker pagina's wordt het Havelaarhandschrift afgedrukt, natuurlijk op ware grootte: 19 1/2 bij 31 cm. En natuurlijk in kleur, zodat Van Lennep's bijdragen in paarse inkt duidelijk herkenbaar blijven. Het telt 123 pagina's.’

Enzovoort. Tot tweemaal toe blijkt Francken te denken dat het manuscript van Max Havelaar 123 pagina's telt (dit moet zijn 239). Over de betekenis van die druk in twee kleuren (op dat kolossale formaat) heeft hij slecht nagedacht, misschien vergeten dat Van Lennep niet alleen in het manuscript van Multatuli heeft gecorrigeerd, maar ook in de - verloren gegane - drukproeven.

Deel 2 zou een facsimile van de eerste druk moeten zijn met vermelding van ‘de veranderingen’, deel 3 ‘Multatuli's eigen vierde druk’ (pas de vierde druk werd door Multatuli zelf gecorrigeerd; hij maakte een aantal Van Len-

[p. 285]

nepvarianten ongedaan). ‘Misschien is een vierde deel overbodig’, denkt Francken, al weet hij dat Multatuli ook in de vijfde druk van 1881 weer het een en ander veranderd heeft. Het wordt, zoveel is duidelijk, ‘een enorm werk...’ constateert Francken.

Inderdaad. En het zou tot niets dienen, constateer ik.

‘Voor heruitgave pleit natuurlijk de aard van de tekstverschillen’, zegt Francken.

En waarom pleit de aard van de tekstverschillen daarvoor?

‘Omdat’, zegt Francken, ‘in 1962 de Multatuli-kenner G.W. Huygens, sprekend over de mogelijkheid van een proefschrift over de stijlverschillen in de Havelaaredities zichzelf prachtig getypeerd heeft in de bedachtzame woorden: “Helemaal nutteloos lijkt het me niet”.’

En waartoe wordt Francken aangespoord door deze ‘prachtige typering’ in ‘bedachtzame woorden’ van Dr. G.W. Huygens?

Doctorandus Francken - je gelooft je ogen niet, of, na al veel ervaring met de luiheid van Nederlandse literaire doctorandussen te hebben opgedaan, geloof je het voetstoots - Francken vindt in de ‘bedachtzame woorden’ van Huygens een argument om niet om een dissertatie over dit onderwerp te vragen!

Maar wat voor zin heeft het allerlei versies van Max Havelaar tekstueel te gaan herdrukken, versies die in elke bibliotheek kunnen worden opgevraagd? Zolang er geen studie is verricht die de verschillen tussen die versies aan het licht heeft gebracht en kritisch beschouwd en van deugdelijk verklarend commentaar voorzien? Geen enkele, natuurlijk.

En als de Franckenistische herdrukken van een dergelijk commentaar worden voorzien? Wat voor nut hebben al die tot de vierde druk toch corrupte of door de auteur toch niet meer benutte versies dan nog? 't Commentaar zou voldoende zijn, dus: de overbodig geachte dissertatie!. Ja, precies: een boek waarin alle varianten van 1859 (manuscript) tot en met 1881 (vijfde, laatste door de auteur geziene druk) overzichtelijk bijeengebracht zouden zijn.

Maar Francken past ervoor, kennelijk. Francken, die liever dan een dissertatie te schrijven de lange reis van Leiden naar Appingedam en terug onderneemt om een papiertje te bezichtigen van welks inhoud hij zich met minder tijd en kosten ook zou kunnen vergewissen door de Appingedammenaar te verzoeken hem een fotocopie van het desbetreffende document te sturen. (Zonder twijfel zal Francken ook die reis naar Appingedam niet zonder subsidie ondernemen.)

Vier Max Havelaar's dus, elk in een apart boekdeel - (het eerste deel nagenoeg zo groot als een Bos-Atlas). En elk deel toch in tenminste tweeduizend exemplaren gedrukt.

Wat moet de boekhandel daarmee aanvangen? En de lezer?

Hij kan ze met elkaar vergelijken, vindt Francken, ‘door de boeken boven elkaar te leggen, ze moeten dus goed openvallen’.

Als ze niet goed openvallen, is het dus allemaal voor niets geweest en de subsidie weer in het water gegooid. En ook, vind ik, als de lezer niet beschikt over een goed verlichte tafel die minstens 1 meter 10 breed is. 't Leesgenot zal staande moeten worden gesmaakt, nog iets wat Francken niet schijnt te beseffen.

 

Francken, zich noemende en schrijvende ‘Multatuligek’, is van de elementairste kwesties, die door onderlinge vergelijking van de diverse Havelaars worden opgeroepen, niet volledig op de hoogte.

Voorbeeld:

In 1868 verscheen de Engelse vertaling van ‘Baron’ (in werkelijkheid jonkheer) Alphonse Nahuÿs.

Nahuijs beweerde dat zijn vertaling naar het oorspronkelijke manuscript was vervaardigd. Dit was onwaar: hij had het niet en Multatuli had het niet. Het was, nadat het bij Van Lennep terecht was gekomen en door deze schrijver bewerkt, zoekgeraakt (wat het blijven zou tot 1910).

Hoogstwaarschijnlijk heeft Nahuijs een door Multatuli hier en daar met de hand verbeterd exemplaar van eerste, tweede, of derde druk (de tweede druk en de derde druk zijn naar de eerste druk gemaakt, wat niet inhoudt dat ze daaraan identiek zijn) in handen gehad. Misschien heeft hij Multatuli's pretentie de oorspronkelijke versie te hebben hersteld, geloofd, misschien ook niet.

Hoe dan ook, het oorspronkelijke manuscript had hij niet.

Van Lennep had daarin onder meer de eigennamen verminkt. Er staat dus in de drukken 1, 2 en 3: R....B...ng in plaats van Rangkas Betoeng, er staat B....K...el in plaats van Bantam-Kidoel, en zo meer.

Die namen werden in de Engelse vertaling voor het eerst voluit leesbaar.

Enige desbetreffende briefwisseling tussen Multatuli en Nahuijs is niet bekend. Maar toch mag aangenomen worden dat waar de Engelse vertaling op significante wijze afwijkt van de eerste, tweede en derde niet door Multatuli gecorrigeerde drukken, de basis van die Engelse verschillen door Multatuli is gelegd.

Aan Francken's offsetbibliotheekje in vier de-

[p. 286]

len zou een vijfde deel, de Engelse vertaling, niet mogen ontbreken, want eigenlijk is deze (en niet de Nederlandse vierde druk van 1875) de eerste editie waarover de auteur zelf zeggenschap heeft gehad.

Dat Multatuli in de Engelse vertaling of in de latere Nederlandse edities van 1875 en 1881 de oorspronkelijke tekst zou hebben ‘hersteld’, dit is maar heel gedeeltelijk van toepassing, want hij beschikte niet over het manuscript. Wel komen de edities van 1875 en 1881 overeen met de bedoelingen die hij toen met Havelaar had (die bedoelingen waren niet dezelfde als die hij in 1859 had met het manuscript). Zo zijn deze edities onder meer aangevuld met een aantal noten, waarvan sommige, ter versterking van Multatuli's gelijk, helaas nogal leugenachtig zijn uitgevallen.

 

De verschillen tussen manuscript en de diverse edities kunnen we verdelen in soorten.

a) Door Van Lennep om politieke of morele redenen aangebrachte wijzigingen en schrappingen.

b) De door Van Lennep om literaire redenen aangebrachte veranderingen (bij voorbeeld de indeling in hoofdstukken, achteraf door Multatuli geautoriseerd).

c) De door Multatuli zelf sinds 1868 aangebrachte veranderingen.

d) De fouten van zetters en drukkers.

Natuurlijk zijn de onder a), b), en c) genoemde varianten de interessantste en een doctorandus kan geen schitterender, nuttiger en interessanter dissertatie schrijven dan door een beredeneerde catalogus te maken van al die afwijkingen en in zijn commentaar een historische plus biografische verklaring te geven van draagwijdte, ontstaan en functie daarvan.

Maar, al is het manuscript van Havelaar al sinds 1949 gedrukt voorhanden, diplomatisch zoals Stuiveling die de uitgave verzorgde ten minste beweert, zelfs een globale vergelijking tussen manuscript en eerste druk is nog nooit systematisch ondernomen! Niet door de ‘Bedachtzame Multatuli-kenner Huygens’ en niet door de duizenden doctorandussen in de Ned. taal- en letterkunde die sinds 1949 door onze universiteiten van een diploma zijn voorzien.

En ze zouden zulke interessante ontdekkingen hebben kunnen doen!

Voorbeeld:

Nahuijs schreef in de ‘Nederlandsche Spectator’ van 7 maart 1868 een artikel over zijn vertaling, waarin hij het volgende opmerkte:

‘Max Havelaar geeft in hoofdstuk xx nog een andere reden waarom hij zijne verplaatsing naar Ngawi niet kon aannemen:

‘Den nieuwen gouverneur-generaal ken ik, ik weet dat er niets van hem te wachten is' - en zoo staat het nu in het Engelsch. - Voor den aandachtigen lezer is dit geen gering verschil.’ Dat is het inderdaad, al staat het door Nahuijs geciteerde óók niet in het manuscript - wel komt wat er echt staat ongeveer op hetzelfde neer.

Voor de Nederlandse lezer was dit nieuw.

In de anno 1868 alleen in omloop zijnde eerste, tweede en derde drukken stond: ‘... zijn opvolger ken ik niet en weet niet wat er van hem te wachten valt.’

In het handschrift stond (volgens de editie 1949): ‘... Wij kennen zijn opvolger. Van dezen is niets te wachten.’

In de Engelse vertaling staat: ‘I do not know his successor, nor what I may expect of him’, waaraan de vertaler de volgende noot toevoegde: ‘In the original MS the author wrote: “I know his successor, I know what I may expect of him.” This was changed against the will and without the knowledge of the author. We give this note with the autorization of the author.’

In de drukken van 1875 en 1881 staat (en dit is in alle volgende drukken zo gebleven tot de huidige dag): ‘... zijn opvolger ken ik en ik weet dat er van hem niets te wachten valt.’

 

Zo staat het ook in de door Max Stuiveling uit manuscript en diverse drukken gecompileerde tekst waar het Verzameld Werk mee pronkt. In de ‘verantwoording’ hiervan wordt geen commentaar gewijd aan deze passage.

Natuurlijk zijn niet alle tekstverschillen tussen manuscript, eerste druk, Engelse vertaling en vierde enz. drukken zo interessant als deze. Want welke reden had Multatuli in 1859 zo verachtelijk te schrijven over Van Twist's opvolger Pahud, die hem, Multatuli, zo coulant behandeld had toen hij tijdens z'n verlof zoveel geld kwijtraakte? Er moeten, niet in het boek Max Havelaar genoemde, redenen geweest zijn waarom Multatuli de brave Havelaar zo minachtend liet praten over de nieuwe gouverneur-generaal nog vóór deze de kans gekregen had een vinger naar de Lebakzaak uit te steken - maar men zie hiervoor een der min of meer betrouwbare Multatuli-biografieën.

Toen Max Havelaar het in 1856 zei, was er nog niets gebeurd, maar toen het boek Max Havelaar drie jaar later geschreven werd, had Pahud wel degelijk enkele straffen uitgedeeld (nog in 1856) aan de door Havelaar aangeklaagde hoofden. Multatuli heeft evenwel steeds bij hoog en bij laag volgehouden dat er vóór 1860, vóór Max Havelaar ook in Indië was gelezen, nooit iets aan was gedaan.

Vast staat in elk geval dat de (voorlopig gelukkig denkbeeldige) lezers van de door Francken

[p. 287]

beraamde gesubsidieerde papierberg, zelfs als ze de vier, wat zeg ik vijf delen goed opengeslagen boven elkaar leggen, nog de kans lopen over de verschillen heen te lezen en dat een grondige studie, uitsluitend aan de verschillen tussen de diverse versies gewijd, heel wat meer licht zou verspreiden en heel wat leesbaarder zou zijn dan al die boekdelen bij of boven elkaar.

 

Straks zit de gelukkige lezer met de gebakken peren. Met vier of vijf boven elkaar gelegde boeken zal hij zijn lol niet op kunnen, vooral wanneer hij een dubbelfocus bril draagt.

 

In 1987 zal het niet alleen honderd jaar geleden zijn dat Multatuli stierf, maar ook dat hij, als eerste Nederlander, werd verast. Zelfs zich in zijn graf omdraaien kan hij dus niet meer, mocht Francken's snode plan werkelijk worden gesubsidieerd.

Maar er is nog hoop. Dezelfde Revisor, die zoveel ruimte verspilde aan Francken's uitgebreid geëtaleerde gemakzucht en onbenul, plaatste gelukkig ook enkele beschouwingen van de beter ingelichte biblioloog Dr. F.A. Janssen. In Revisor 1983/5 onderwierp Janssen het idee van Francken aan een nadere beschouwing.

‘... de klassieke editietechniek is heel wel in staat de problemen van een Havelaar-editie op te lossen’, zo stelt Janssen.

‘Dat zal het best kunnen gebeuren in een eendelige tekstkritische editie waarin in basistekst en kritisch apparaat alle tekstuele getuigen gepresenteerd worden, opdat de gebruiker elk stadium van de tekstgeschiedenis kan oproepen - kortom een editie die ik bijna tien jaar geleden bepleitte in een bijdrage in het tijdschrift Raam (nr. 103, 1974). De uitvoering zou in handen gelegd moeten worden van een of meer Multatuli-kenners die bekend zijn met de theorie van de editietechniek, die praktische ervaring hierin hebben en die op de hoogte zijn van de analytisch-bibliografische aspecten van tekstoverlevering (hier: zetten en drukken in de 19e eeuw).’

 

Zo is het.

terug  begin  verder