terug  begin  verder

Multatuli deel zestien (NRC Handelsblad 8 juni 1984)

Dood in Venetië

De novelle van Thomas Mann Der Tod in Venedig bewijst dat Venetië in zijn oog een uitzonderlijk aantrekkelijke plaats was om de geest te geven. Zelf stierf hij, voor zijn straf, niet in Venetië maar in Zürich.

't Kon minder, zoals de Groningers zeggen, maar 't is Venetië toch niet. Van alle door mij gelezen novellen is Thomas Mann's Der Tod in Venedig wel de gebrekkigste die ooit wereldberoemdheid verwierf. De roem moet aan Venetië te danken zijn, niet aan het verhaal. Zodra de cholera in die tekst ter sprake komt, weet de lezer, onweerstaanbaar denkend aan de titel, meteen hoe laat het is. Ja, precies: nog voor hij de doodsklok heeft horen luiden, weet hij waar de klepel hangt.

Ach, hoe schoon! Doodgaan in Venetië, stad waarover al eeuwen wordt beweerd dat zij zelf op sterven na dood is.

Hier is een toren nog schever gezakt dan die van Pisa - en dit op zulke drassige grond. ‘'t

[p. 288]

Kasteel staat in zijn grachten te verrotten’, dichtte Maurice Gilliams. In Venetië treft een halve stad hetzelfde lot. Overal zie je hoe het water waarin de huizen staan het metselwerk aanvreet alsof het suiker was. Uit het pleisterwerk van de gevels komen grote brokken naar beneden. De beroemde klokketoren bij het San Marcoplein is al eens omgewaaid en de Ponte della Accademia, prachtige houten brug, is gevaarlijk en verboden. Zij wordt evenwel gerepareerd en intussen wandelt de voetganger over de wateren (via pontons) naar de overkant. Helemaal verloren lijkt Venetië mij nog niet en, al ware het alleen maar omdat er geen enkele auto, bromfiets of motor rijdt, zou zelfs een voor stedenschoon totaal blinde er van tijd tot tijd naartoe kunnen gaan om uit te blazen van het benzinegeweld elders - mits speedboten ook verboden werden in Venetië. Maar dat zal nooit gebeuren. Er gebeuren nu eenmaal in onze wereld op den duur alleen die dingen niet, die echt onmogelijk zijn. Bij voorbeeld je per as verplaatsen door Venetië. Dat gebeurt inderdaad niet, uitgezonderd per tweewielige kruiwagen die de veelal trapvormige bruggetjes op- en afgewrikt kan worden, maar alleen wijnvaten, dozen vol spaghetti en overige levenloze voorwerpen verplaatsen zich zo.

 

In Venetië stierf op 13 september 1874 Tine Douwes Dekker, geb. baronesse Van Wijnbergen, niet aan cholera, maar aan darmkronkel.

Dit is de belangrijkste gebeurtenis die in het nieuwste deel (xvi) van Multatuli's Volledige Werken aan de orde komt.

's Schrijvers vrouw was toen sinds een jaar ongeveer in Venetië, ernaartoe gegaan om bij haar kinderen te zijn: Nonnie die aan de Academie voor Schone Kunsten studeerde en Edu die op kantoor zat bij de bankier Blumenthal.

Diplomaat

Het in menig opzicht voortreffelijke en in elk geval onmisbare tijdschrift Over Multatuli (Uitgave Huis aan de drie Grachten, O.Z. Voorburgwal 249, 1012 EZ Amsterdam) is zó blij met alles wat op Multatuli betrekking heeft, dat het in het laatstverschenen nummer (12) een verhaal opnam van een diplomaat die uitvoerig vertelt hoe het hem absoluut nooit gelukt is iets tot de Multatulikunde bij te dragen. Hij was bij voorbeeld in Venetië, voor diplomatieke zaken uiteraard, want zo zijn ze. Op een vrije middag besloot hij eens naar het sterfhuis van Tine te gaan zoeken. Men schreef september 1975. Het adres van het sterfhuis had hij uit een verouderde bron: Multatuli en de Zijnen, een wellicht met goede bedoelingen, maar zeer onbesuisd geschreven, hier en daar zelfs lasterlijk boek. Sommige hoofdstukken hebben prachtige namen, b.v. 17: ‘Gesukkel’ en hoofdstuk 16: ‘Heen-en-weergeslinger’.

Er bestaan dagen waarop ik 's ochtends niet uit mijn bed kan komen zonder de kreet: Gesukkel! Als ik dan ook mijn bril niet vlug kan vinden volgt: Heen-en-weergeslinger! Maar ik roep het ook dikwijls zonder enige aanleiding, langzaam en nadrukkelijk, zodat zelfs de streepjes tot hun recht komen, - al jaren, omdat ik het zo mooi vind.

Multatuli en de Zijnen van Dr. Julius Pée (1937) geeft het adres waar Tine stierf op als ‘G. Trovaso fondamenta Bollani No 1059’.

De diplomaat raadpleegde een stratenboekje, vond het niet. Hij vroeg er mensen op straat naar. Ze wisten het niet. Radeloos zwierf hij rond door de stad - geen resultaat.

Erg pienter kan ik hem niet vinden.

Om te beginnen had hij, na een blik op de kaart van Venetië, moeten zien dat de stad in parochies is verdeeld. Deze parochies zijn, uiteraard, naar heiligen genoemd en ‘G. Trovaso’ is dus een zetfout of een leesfout van Pée, voor ‘S. - San - Trovaso’. Hij had vervolgens gemakkelijk een gracht kunnen vinden die Rio di San Trovaso heet. Aan deze gracht stond het huis waar, op de tweede verdieping, Tine stierf en het staat er nog steeds. Ik heb het eind maart j.l. gezien en gefotografeerd.

Toegegeven, het vervolg van het adres, ‘fondamenta Bollani No 1059’ levert moeilijkheden op. Toen ik ernaar ging zoeken, was ik niet in het bezit van een plattegrond waar de naam op voorkwam. Zo is dat in dat Amsterdam van het Zuiden: op geen twee plattegronden staat precies hetzelfde. Op de ene staat ‘Canal Grande’, op de andere ‘Canale Grande’, enz. Sommige plattegronden vermelden dat ‘Fondamenta Bollani’ wel, andere niet. Toen ik begon te zoeken, bezat ik alleen twee plattegronden zonder ‘Fondamenta Bollani’, en een toeristenfolder, van een verblijf in 1968 overgehouden. De naam stond niet op de kaarten, maar wel in de folder. Daar werd een pension vermeld, ‘Pensione Accademia’ en het adres daarvan was: Fondamenta Bollani 1058! (De nummers van de huizen in Venetië, haast altijd boven de duizend, vormen een geheimzinnig wonder op zichzelf.)

Tine schrijft in de brief, waarvan 't boek van Pée het afzendersadres gedeeltelijk fout weergeeft, ook dat ze vlak bij de Academie wonen, wat zo ‘gelukkig’ uitkomt voor Nonnie, die er studeert.

De Rio di San Trovaso bereikt hebbend die ik, terecht, niet ver van de Academie had gezocht,

[p. 289]

kwam ik niemand tegen die ooit van de Fondamenta Bollani had gehoord en ook zag ik nergens een bordje met die naam. Maar een groenteboer, die me als vreemdeling, dus reiziger determineerde, zei: ‘U moet zeker in Pensione Accademia zijn?’ Hij wees me waar dat was, op de westelijke kade van de Rio di San Trovaso. En het sterfhuis van Tine, bleek me, lag, hoewel oneven genummerd, vlak naast dat pension. 't Huis is er ook een deel van.

Uit dat huis moet dus, binnen vierentwintig uur na haar overlijden, want zo hoorde het in Italië volgens Multatuli's schoondochter, Tine's kist in een zwarte gondel (een echte, geen motorbootje) met Nonnie van zeventien jaar en Edu van twintig, door dat grachtje naar het Canal Grande zijn geboomd en zo verder naar het dodeneiland San Michele. Tine's grafsteen is daar op de ‘evangelische’ afdeling heden ten dage nog te zien.

De letters op de steen, die in 1935 al vervallen was, zijn door een groen aanslag welhaast onleesbaar. Bestaat er iemand binnen het Multatuli-Genootschap of erbuiten, die er rekening mee houdt dat het geduld van de kerkhofbeheerders wel eens uitgeput kan raken en dat het honderdtien jaar oude graf, toch een belangrijk monument voor Nederland, wel eens plotseling zou kunnen verdwijnen, als geen hond er meer naar omkijkt?

Het graf van de beroemdste schrijversvrouw uit de hele Nederlandse letterkunde!

Bovengenoemd diplomaat had, al rondspeurend zonder succes, ook een foto van het sterfhuis voor ogen die door Pée gereproduceerd is. Op die foto zie je wel de Rio di San Trovaso, maar van het sterfhuis niets, alleen een kruisje ter hoogte van waar het inderdaad staat. Toen diplomaat in 1975 Venetië ging doorzoeken, bestond er al een publikatie met een duidelijker foto. (Stuiveling, et al., Multatuli, Genie en Wereld, Hasselt 1970, blz. 208) Dit wist hij kennelijk niet.

Tine woonde pas een maand of twee op het adres waar ze vrij plotseling stierf.

In dat Venetiaanse jaar is zij dikwijls verhuisd. Uit VW, xvi valt op te maken dat ze nog wel op vier andere adressen heeft verbleven. Die konden mij eind maart '84 nog niet bekend zijn, omdat VW, xvi nog niet verschenen was. Mocht ik nogmaals in Venetië belanden, dan zal ik zeker proberen uit te zoeken of er op die andere adressen iets interessants te fotograferen valt. (Dat is er eigenlijk niet, 1986.)

Het huis is schilderachtig gelegen, met zon, zoals Tine zelf ook schrijft. Zonnige kamers waren moeilijk te vinden in Venetië met z'n nauwe krochten.

De kamerverhuurders waren sympathiek. Het huis staat dicht bij het Canal Grande. De muren zijn dieprood gepleisterd - Venetiaans rood! Helaas verkeert het pleisterwerk in slechte staat.

Het interieur mocht ik niet betreden, omdat ik niet in dat pension logeerde, denk ik. Voorgevel en tuin - aan het water! - van ‘Pensione Accademia’ zijn overigens wonderbaarlijk mooi.

Stuur Geld

Tegenstrijdige verhalen doen de ronde over de toestand van Multatuli's vrouw en kroost in die dagen.

Volgens ‘de Schoondochter’ (Edu's vrouw, die pas in 1870 werd geboren te Slochteren (Gr.), en het dus alleen uit de monden van Edu en Nonnie kon weten) verschafte Multatuli ook in dat laatste jaar Tine en de kinderen weinig of geen financieel soelaas.

Uit de brieven in deel xvi blijkt evenwel dat het hem in 1873 tamelijk goed ging. Hij stuurde in de laatste helft van dat jaar zelfs zo veel, dat Tine op 18 januari 1874 aan haar weldoener Potgieter kon schrijven: ‘Dekker zendt maandelijks geld’. Haar weldoener Potgieter hoefde niet meer bij te springen.

Maar op 20 juli 1874 was het alweer mis en moest Tine zich opnieuw tot Potgieter wenden.

Toen zij overleed, berichtte Edu dit aan zijn vader met de telegrafisch naar Wiesbaden overgebrachte woorden: ‘Moeder dood. Zend geld.’

Multatuli had niet veel geld. De kinderen, zo is later gebleken, konden niet wachten tot hij meer stuurde. Ze begroeven hun moeder. Edu's bankier zal hun iets hebben voorgeschoten, hij gaf Edu ook veertien dagen vrij. En daarna vertrokken ze naar Padua, waar ze Stéphanie niet aantroffen, want die was afwezig. Ze reisden verder naar andere vrienden, die in Milaan woonden. Hier hadden ze immers van 1866-1869 zelf ook gewoond.

Multatuli karakteriseerde deze omzwerving knorrig als ‘doelloos heen en weer reizen’.

De Schoondochter bestrijdt met grote woede zijn lezing van het gebeurde, op de bladzijden 312 en 313 van haar boek De Waarheid over Multatuli en zijn gezin (Den Haag, 1939). Ze waren niet naar Milaan geweest maar tot 26 september 1874 in Padua gebleven (niet bij Stéphanie uiteraard) en daarop naar Venetië teruggekeerd.

De ‘brief van een vriendin’ waar Multatuli uit opmaakte dat ze naar Milaan waren geweest, zou hij ‘uit zijn duim hebben gezogen’.

Maar wat blijkt nu het geval te zijn?

[p. 290]

Stéphanie schreef op 25-26 september een brief aan Potgieter. Ook volgens Stéphanie waren de kinderen naar Milaan doorgereisd. Aannemelijk is dat Stéphanie eveneens de ‘vriendin’ was, waarvan Multatuli gewag maakte. Dit verhaal moet dus het juiste zijn. Raadselachtig is alleen dat de Schoondochter met zoveel stelligheid iets anders beweerde. Edu en Nonnie hebben haar voorgelogen, dan wel, ze had het niet goed onthouden. Of ze enig belang (een ander dan alleen om op de schrijver te kunnen schimpen) bij deze onwaarheid had, zal wel altijd onbekend blijven. Dat Stéphanie zowel aan Potgieter als aan Multatuli een sprookje heeft opgedist, is immers niet goed voorstelbaar, want: wat maakte het uit?

In vele brieven heeft Multatuli beweerd dat Stéphanie hem haatte, vrouw en kinderen tegen hem opstookte. Misschien nam de Schoondochter daarom maar aan dat Stéphanie hem niet kon hebben ingelicht. Maar dit was een van de eerste dingen die ze blijkbaar deed, na in Padua teruggekomen te zijn. De volgende dag (24 sept.) ging ze naar Venetië, waar ze, volgens haar schrijven aan Potgieter, Edu en Nonnie ook niet vond.

Overgeleverd

De brief van Stéphanie aan Multatuli is niet overgeleverd.

Er is zo veel niet overgeleverd.

Niet zonder enige voldoening, denk ik, schrijft Stuiveling op blz. 17 van VW, xvi: ‘Het meest opmerkelijk is wel dat èn bij Mimi èn bij Pée de uiterst belangrijke brief d.d. 25 april 1874 (een brief aan Vosmaer, WFH) ontbreekt, met de precieze mededeling inzake het geval-Hasselman. Deze brief is niet aangetroffen bij de overige aan Vosmaer gerichte brieven, maar eerst tijdens het inrichten van het Multatulimuseum, dus na 1975, tussen allerlei àndere papieren te voorschijn gekomen.’

Zou het Stuiveling onbekend zijn dat Mimi deze brief van Multatuli, tenminste de hoofdzaak eruit, wel degelijk gepubliceerd had? Niet in haar brievenuitgaven, maar, in 1888, als aanvulling op Multatuli's noten bij Max Havelaar, (zie: Verzamelde Werken van Multatuli, eerste naar tydsorde gerangschikte uitgave, bezorgd door zyne weduwe, Elsevier, Amsterdam z.j., blz. 303-304 en Max Havelaar vijfde druk, facsimile-uitgave 401 e.v.).

Stuiveling moge de in die brief gedane mededeling ‘precies’ noemen, met de werkelijkheid klopt zij niet en evenmin met Multatuli's oudere mededelingen inzake dat geval. Of Hasselman heeft Multatuli belogen - maar dan moet Multatuli zich willens en wetens hebben laten beliegen - of Multatuli fantaseerde zelf maar wat. Een bewijs - en daar gaat het om - dat Brest van Kempen ‘meiden’ kreeg van de regent en daarom Douwes Dekker in Lebak niet steunde, kan er onmogelijk aan worden ontleend. Zie mijn bespreking van Paul van 't Veer's Multatulibiografie in NRC Handelsblad van 9 april 1982.

 

Talloze andere brieven konden helemaal niet teruggevonden worden.

Zelfs brieven waarover Julius Pée in 1937 nog beschikte, blijken spoorloos. Stuiveling zegt dat ze niet in het Multatulimuseum zijn. Dus... Maar een verklaring voor dit afschuwelijke feit verschaft hij niet.

Het was mij bekend sinds 1975.

Eveneens is mij bekend dat de zoon van Julius Pée, Professor Willem Pée, alle aansprakelijkheid voor deze geheimzinnige verdwijning krachtig van de hand wijst. Dit vermeldt Stuiveling niet.

Geheel vernietigd of zoek zijn ook de autografen van de brieven aan en van Mina Krüseman. Grotendeels geldt hetzelfde voor de correspondentie met Sicco Roorda van Eysinga.

Zwaar beschadigd is de collectie-Vosmaer: stukken eruit geknipt, regels onleesbaar gemaakt, blaadjes weg.

Omdat bovendien Multatuli de gewoonte had over allerlei kwesties waarnaar zijn correspondenten nieuwsgierig konden zijn, te schrijven dat nadere uitleg te omslachtig was, te pijnlijk, zijn stemming voor weken zou bederven en zo meer, of dat hij er nog op terug zou komen (wat hij niet deed), blijft alom diepe duisternis heersen. Ook met deze brievenuitgave in de hand zal de biograaf bezwaarlijk een levensgeschiedenis kunnen leveren van onze held, die min of meer met de werkelijkheid klopt, zonder grote open plekken.

(zie: NRC Hbl. 16-12-'77 en 30-4-'82)

Vitten? Ik ben er dol op, als Ik het doe

Ik dien, als in mijn vorige besprekingen van deze uitgave, ook iets te zeggen over de tekstverzorging. Vitten? Ben ik dol op.

Werd in deel xiv de uitdrukking ‘e tutti quanti’ nog verbasterd tot ‘et tutti quanti’ en ten onrechte als een Latijnse zegswijze gekenschetst, door schade en schande wijs geworden heeft men thans een specialiste voor het Italiaans aangetrokken en op bladzijde 297 staat nu, geheel in overeenstemming met de waarheid, dat het ‘e tutti quanti’ en Italiaans is.

Dezelfde specialiste (neem ik aan) heeft de Italiaanse overlijdensakte van Tine (overgenomen uit mijn De raadselachtige Multatuli) in het Nederlands overgebracht. Niet kwaad; alleen begrijp ik niet waarom zij het woord ‘sestiere’ (=

[p. 291]

stadswijk) onvertaald gelaten heeft. (VW, xvi, 713)

Dat boekje van mij, De raadselachtige Multatuli, hoewel al in 1976 gepubliceerd, verspreidt nog steeds zoveel schrik en zenuwen onder multatulianen dat in de tien verklarende regels die erop betrekking hebben, niet minder dan drie fouten staan: twee schrijf- of zetfouten en een ernstige grammaticale fout.

Latijn

Hoeveel lof de behandeling van het Italiaans ditmaal ook verdient, wat het Latijn betreft blijft het sukkelen (‘Gesukkel!’ - Pée was een profeet).

In een toelichting op bladz. 250 bovenaan, wordt immers een uitspraak ‘O utinam unum cervicem haberent!’ toegeschreven aan Suetonius. Deze toelichting bevat drie fouten. Eerste fout: cervix is vrouwelijk en er had dus unam moeten staan in plaats van unum. Tweede fout: Suetonius is toevallig mijn lievelingsschrijver. Hij schreef wat anders op dan het aangehaalde, n.l.: ‘Utinam populus romanus unam cervicem haberet!’ Zie: Suetonius, Vitae Duodecim Caesarum, Caius Caligula xxx. Derde fout: dit was geen uitspraak van Suetonius persoonlijk, maar een citaat, en wel van keizer Caligula, in toorn ontstoken toen het volk anders dacht dan hij. Als het maar een nek had gehad, zou hij het in één keer de nek hebben kunnen afsnijden, zo suggereerde de keizer, logisch, maar ongenadig.

Op 7 december 1873 schreeft Multatuli aan Vosmaer: ‘Er zal 'n tyd komen dat schooljongens de Herakliden verwarren met de Bourbons, en dat zo'n fout den schoolmeester die de opstellen naziet, ontglipt.’

Voor Multatuli's eigen tekstbezorgers is, wat Suetonius en Caligula aangaat, zo'n tijd van verwarring nu al aangebroken. En de fout is hem die de editie naziet (is er eigenlijk wel zo iemand?) prompt ontglipt.

Stuivelingmuseum

Ik ben ook benieuwd wat latere onderzoekers in het toekomstige Stuivelingmuseum voor verrassingen zullen beleven. De kans lijkt me niet denkbeeldig dat een liefhebbende, maar schennende hand in de (toch overgeleverde, hoop ik) schoolrapporten van de hooggeleerde hier en daar een stukje onleesbaar zal hebben gemaakt. Niet alleen z'n cijfers voor Latijn, ook andere. ‘St George d'Elmina’ wordt op blz. 99 nader beschreven als ‘St George op Elmina (...). Zie Elmina Winkler Prins.’

Bij controle blijkt dat ‘Elmina Winkler Prins’ (laten we maar aannemen dat de Winkler Prins Encyclopedie daarmee bedoeld is, ook al wordt daarvoor geen enkele aanwijzing gevonden in de door Stuiveling geciteerde tekst) geen woord zegt over ‘op’ Elmina. Stuiveling had een en ander niet stilzwijgend mogen laten passeren.

Neen, Garmt.

Al is het dan maar de enige keer dat er naar ‘Winkler Prins’ op die manier verwezen wordt, zich tevreden stellend met een gedeeltelijk zo gemakzuchtige en gedeeltelijk twijfelachtige uitleg als deze, kan de tekstbezorger ook voor geschiedenis en aardrijkskunde geen hoge cijfers in de wacht slepen.

terug  begin  verder