begin  verder
[p. 4]
Si lasci dunque a ognuno il diritto di raccontare i fatti suoi a modo suo.
Ignazio Silone+
[p. 5]

0

Sommige mensen hebben een familiealbum. Daar staan portretten in van voorouders, grootouders, gewone ouders, ooms en tantes, neven en nichten, broers en zusters, en natuurlijk ook van de samensteller zelf en van zijn huisgenoten. De bijbehorende familiebescheiden en onderschriften blijven meestal beperkt van omvang en ze zijn zelden zo uitgebreid dat de tekst belangrijker wordt dan de prentjes. Maar ook als dat wel het geval is, krijg je niet de indruk dat je een echt leesboek in handen hebt, en zeker niet een boek dat bedoeld is om gelezen te worden door vreemden: mensen dus die niets te maken hebben met de personen die in beeld of woord in het album voorkomen.

Als iemand schrijver is, veranderen de zaken. Een schrijver stelt zich minder of meer letterlijk bloot aan het publiek. Dat kan gebeuren door de letters die hij zelf heeft geschreven, maar ook door middel van de letters die zijn bewonderaars of critici over hem op papier brengen. Auteurs als Valéry, Joyce en Eliot kunnen bij hoog en laag beweren dat alleen hun literaire teksten van belang zijn: vroeg of laat verschijnt er een artikel of een boek met onthullingen over hun privé-leven in woord en, indien mogelijk, ook in beeld. Het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag geeft sinds 1958 het voorbeeld, door de uitgave van de zogenaamde Schrijvers Prentenboeken. Dat zijn fotoboeken die in zoverre van de hiervoor bedoelde familiealbums afwijken, dat ze hoofdzakelijk over één persoon gaan (de schrijver) en dat het begrip familie vooral wordt geïnterpreteerd als literaire familie. Het zijn fotobiografieën over schrijvers, waarvan de samenstellers een voorkeur tonen voor prentjes waarop ook andere schrijvers voorkomen. Er bestaan Schrijvers Prentenboeken over hele schrijversfamilies, zoals de Tachtigers en de Vijftigers, maar de meeste hebben duidelijk één hoofdpersoon, bij voorbeeld: Adriaan Roland Holst, Ed. Hoornik, Gerrit Achterberg.

De recente Nederlandse literatuur kent ook enkele autobiogra-

[p. 6]

fische ‘schrijvers prentenboeken’. Ze danken hun ontstaan niet aan een initiatief van het Nederlands Letterkundig Museum, maar aan de eerzucht of de behoefte tot zelfkennis en zelfopenbaring van hun auteurs of acteurs. Zo publiceerde de Vlaamse auteur Maurice Gilliams in 1981 een ‘portretalbum’ over zijn eigen leven, waaraan hij dezelfde veelzeggende titel gaf als aan zijn verzamelde werken: Vita brevis. Gilliams had het materiaal voor dat album al enkele tientallen jaren in portefeuille voor hij het aanvulde en persklaar maakte bij gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag. Ruim twaalf jaar tevoren, op 31 december 1968, sloot Willem Frederik Hermans een album af dat hij Fotobiografie noemde. Het werd in 1969 gepubliceerd en uitvoerig becommentarieerd in de Hollandse literaire pers; de auteur was toen achtenveertig jaar oud.

Het essay dat ik nu ga schrijven en dat u in een ander nu gaat lezen, handelt niet over Gilliams maar over Hermans, al vermoed ik dat Gilliams er weleens bij te pas zal komen. Op een bepaald vlak zijn die twee schrijvers meer verwant dan men op het eerste gezicht zou denken: dat vlak wordt bereikt als een groot schrijverschap wordt beheerst door de vraag naar zijn eigen aard en bedoeling. Die vraag is in feite een autobiografische vraag.

De Fotobiografie van Willem Frederik Hermans is een becommentarieerd fotoalbum over zijn familieleden en zijn eigen jeugd, dat merkwaardigerwijze ophoudt waar zijn schrijverschap begint. De laatste foto's dateren uit de tijd dat de auteur werkte aan zijn debuutroman Conserve, die werd voltooid in het najaar van 1943. Men kan de titel Fotobiografie opvatten als een neologisme, dat ontstond uit de vermenging of contaminatie van de woorden ‘foto’ en ‘autobiografie’. Die opvatting werd verdedigd door Donald Betlem in het tijdschrift Raster van 1971. Betlem verschafte ‘Kijkjes in een sadistische mikrokosmos’ (titel van zijn artikel), door afzonderlijke uitdrukkingen, zinnen en alinea's uit romans van W.F. Hermans in verband te brengen met onderschriften en afbeeldingen in zijn Fotobiografie. Hij kwam tot de slotsom dat Hermans een willekeurige verzameling autobiografische brokstukken op zodanige wijze in zijn album had geordend, dat er een dramatische structuur ontstond waardoor een persoonlijke levensopvatting of ‘filosofische konceptie’ tot uitdruk-

[p. 7]

king werd gebracht. Dat laatste gebeurt natuurlijk ook in een goede roman.

Verschillende critici - en volgens mij niet de geringste - zijn ervan overtuigd dat een lezer zich een beeld kan vormen van de persoonlijkheid van een schrijver door de systematische studie van de thematiek in zijn (bijna) volledige oeuvre. Tot hen behoort de Fransman Charles Mauron. Hij heeft zijn methode onder meer uiteengezet in een boek met de kenmerkende titel Des métaphores obsédantes dans le mythe personnel (1963). Men hoeft niet per se geobsedeerd te zijn door Maurons psychokritiek, om zich af te vragen hoe willekeurig de verzameling autobiografica is die Hermans in zijn romans heeft verwerkt, en in hoeverre ze samenhangt met de levensbeschouwing die daarin wordt verbeeld. En men hoeft al evenmin kritiekloos te dwepen met de autobiografische studies van Philippe Lejeunne, om iets meer te willen weten over de aard van de leesovereenkomst die Willem Frederik Hermans met zijn lezers wil sluiten.

Philippe Lejeune heeft de vraag naar het autobiografisch gehalte van een tekst verplaatst van de biografie van de auteur naar zijn bedoeling als schrijver. De vraag of er controleerbare overeenkomst bestaat tussen het geschrevene en de werkelijkheid waarover geschreven wordt, is in een autobiografie van minder belang dan in wetenschappelijke of journalistieke teksten. In welke mate een auteur de waarheid schrijft over zijn eigen leven, lijkt ook moeilijker achterhaalbaar. Maar wel bestaan er objectieve maatstaven om vast te stellen hoe de schrijver wenst dat zijn tekst zal worden gelezen: als een relaas van fictie of als een relaas van feiten. Als het laatste het geval is, stelt de auteur zijn lezers een leesverdrag voor dat Philippe Lejeune Le pacte autobiographique (1975) noemt.

Donald Betlem wijst in verband met het probleem van de autobiografie op twee schijnbaar afdoende uitspraken van Willem Frederik Hermans. De eerste is een citaat uit zijn Fotobiografie en de tweede is een uitlating van de auteur tijdens een televisie-interview met Andreas Burnier in 1969. Hermans schreef: ‘Ik denk niet dat ik ooit mijn autobiografie zal schrijven. Het zou ontaarden in een roman.’ En hij zei: ‘Nee, ik ben niet bang voor het autobiografisch element, maar ik vind het eigenlijk onbelangrijk. Ik gebruik autobiografische elementen alléén om er iets mee te dóen, het is materiaal voor mij.’

[p. 8]

Wat kan men al niet dóen met autobiografische elementen? Men zou ze onder meer kunnen gebruiken als materiaal voor een autobiografie. De praktijk alleen kan leren, of zo'n boek dan ‘ontaardt’ in een roman, en welke levensbeschouwing er in die roman of die autobiografie tot uitdrukking komt.

+Citaat van Ignazio Silone. In het voorwoord bij zijn roman Fontamara bepleit Silone voor ieder het recht om zijn eigen verhaal te vertellen op zijn eigen manier.

 begin  verder