terug  begin  verder
[p. 9]

1

In 1967, twee jaar vóór zijn Fotobiografie, verscheen van Willem Frederik Hermans de bundel Een wonderkind of een total loss.+ Die bundel bestaat uit vier verhalen. Ze zijn alle vier geschreven in de onvoltooid tegenwoordige tijd en in de ik-vorm. Maar de ik-verteller is niet altijd dezelfde. Het titelverhaal - het tweede uit de bundel - wordt verteld door een vrouw die een vierjarig wonderkind ontmoet in de gedaante van het lastige, huilende, schijtende en vieze woordjes schrijvende ‘kleine rotventje’ dat het produkt is van het gedwongen huwelijk tussen haar jongste zus en haar eigen vroegere verloofde. Die verloofde maakte als student ‘een geniale indruk’, maar blijkt zich in zijn huwelijk te hebben ontwikkeld tot een willoze luiaard. In zijn illusieloze verbeelding ziet hij zichzelf soms ‘voor de rest van zijn leven (...) in een kliniek, roerloos op een stoel, met openhangende mond’. Zo kondigt hij als het ware de total loss aan van het derde verhaal, met de titel Hundertwasser, honderdvijf en meer (Een geriatrische verkenning). De 165-jarige ik-verteller van dit fantastische proza-stuk is een wonderfenomeen van lang-leven, wiens vegeterende dagen als eentonige regendruppels neersijpelen in een zee van oneindige verveling. Hij illustreert zijn kijk op de wereld door het navertellen van een ‘oude’ film, die hij tot in details beschrijft. Die film blijkt de ontmaskerende montage van menselijke verschrikkelijkheden waaraan Gualtiero Jacopetti de naam Mondo cane gaf (1962).

‘Hondse wereld’, ‘Moedwil en misverstand’, ‘Het sadistische universum’: op verschillende tijdstippen in zijn schrijversloopbaan is Willem Frederik Hermans erin geslaagd adequate titels te vinden voor het levensgevoel dat de thematische eenheid vormt van onderling zeer verscheiden verhalen en beschouwingen. Sinds de zestiende eeuw verbreidde zich de gewoonte aan literaire teksten een dubbele titel te geven. Een parodiërende toepassing is Voltaires Candide ou l'Optimisme, van 1759. Dit zeer amusante verhaal verbeeldt het failliet van de optimistische verlichtingsfilosofie en komt de levensbe-

[p. 10]

schouwing in sommige geschriften van W.F. Hermans nabij: Tout est pour le pis dans le pire des mondes impossibles.

In de titel Een wonderkind of een total loss kan men het voegwoord ‘of’ op twee manieren interpreteren: het lijkt op het eerste gezicht tegenstellend, maar het is bijna tegelijkertijd gelijkstellend. Au fond maakt het weinig uit of ik te doen heb met een ‘wonderkind’ dan wel met een ‘total loss’. Het gaat uiteindelijk om twee alleen maar in schijn tegengestelde aspecten van een en dezelfde nietswaardige zaak: het menselijk leven als een bijna onzichtbare stip tussen de miljarden jaren ervoor en erna.

Desondanks zijn er mensen die menen dat er in hun eigen korte en onbenullige bestaan iets volstrekt unieks verborgen is, en dat het hun taak is dat verborgene tot uitdrukking te brengen, om te verhinderen dat het voor altijd verloren zou gaan. Ik doel op het ras van de kunstenaars, waartoe de schrijvers behoren. De ik-figuur van W.F. Hermans' ‘geriatrische verkenning’ over Hundertwasser speelt ook een ogenblik met die mogelijkheid, maar hij voert ze nooit uit omdat hij niet opkan tegen de verlammende kracht van het vegeterend oud-worden. De strijd wordt wel aanvaard door de ik-verteller van het eerste en het laatste verhaal in Hermans' bundel. Daarom horen die verhalen meer bij elkaar dan de beide andere.

Het eerste verhaal uit de bundel heet De elektriseermachine van Wimshurst en het vierde en laatste kreeg de titel Het grote medelijden. De ik-figuur in beide verhalen luistert naar de naam Richard en is schrijver. Het vierde verhaal speelt zich af in Parijs. Richard-de-verteller is er dezelfde als Richard-het-hoofdpersonage, ofte wel: de vertellende-ik valt samen met de belevende-ik. We hebben te maken met een volwassen man die de doctorstitel voert, volgens de buitenwereld mogelijk in aanmerking komt voor een professoraat en een auteur is over wie ‘in Nederland dikwijls grote stukken in de kranten staan’. Hij heeft ‘zes dikke boeken’ op zijn naam en geeft onder meer zijn (negatieve) gedachten weer over een essayist die hij zelf Otto Verbeek noemt, maar die door een Nederlandse insider bijna noodzakelijkerwijs wordt geïdentificeerd met de bekende essayist en criticus dr Menno ter Braak (1902-1940). Diezelfde insiders moeten door het dogma der zogenaamde literaire autonomie met totale blind-

[p. 11]

heid geslagen zijn, willen zij in de schrijvende Richard-verteller niet onmiddellijk trekken van de auteur Willem Frederik Hermans herkennen.

Het openingsverhaal De elektriseermachine van Wimshurst heeft een eenenvijftigjarige Richard-verteller en een elfjarige Richard-belever. De Richard-verteller overdenkt en becommentarieert zijn belevenissen meer dan dat hij ze vertelt. Zijn overwegingen begeleiden en onderbreken de handeling in de vertelde geschiedenis of fabula, die voornamelijk bestaat uit schoolherinneringen. Zonder veel moeite zal de ingewijde lezer de schrijvende commentator weer herkennen als de auteur Willem Frederik Hermans. Meer dan in het slotverhaal van de bundel, hebben zijn overdenkingen in dit eerste verhaal betrekking op de problematiek van het schrijven. In het vijfde hoofdstukje noteert de verteller over de haat die hij tegen zijn bemoeizuchtige grootmoeder koesterde:

De tijd dat ik mijn grootmoeder haatte, is lang voorbij. Ik heb zelfs moeite voor mijn geest te halen hoe zij zich nu eigenlijk precies tegenover mij gedroeg. In mijn boeken krioelt het van grootmoeders die allemaal op mijn eigen grootmoeder lijken, maar toch anders zijn.

Niet alleen noemt de verteller hier een belangrijk motief in de romans van W.F. Hermans, maar hij wijst meteen op het problematisch karakter van iedere autobiografie. Elders in ditzelfde verhaal noemt hij het ‘opschrijven’ van de herinneringen die hem bezighouden een zeer zwakke en noodzakelijkerwijs zelfs foutieve wijze van ‘omschrijving’:

Bijna had ik gezegd dat de ontroering mij te groot wordt als ik hierover schrijf, bedacht ik niet dat mijn ontroering mogelijk nog diezelfde stemloze ontroering is van toen. Stemloos, toen, nu niet meer. Toen: hartkloppingen, ingewandskrampen, gevoelens van gejaagd zijn. Nu: de omschrijving van wat ik toen voelde, dus feitelijk geen stemloze ontroering meer.

In Dantes Paradiso en in talrijke mystieke geschriften van Hadewijch tot en met Sint Jan van het Kruis, kan men herhaaldelijk lezen dat het geheugen en de taal van de verteller te kort schieten om de toppunten van heerlijkheid te herhalen die de uitverkoren ik-figuur heeft meegemaakt in de extase van de

[p. 12]

unio mystica. In de jeugdherinneringen van W.F. Hermans' verteller falen de woorden en de herinneringen om andere redenen:

Het is te afschuwelijk dan dat ik mij ooit nog natuurgetrouw zal kunnen herinneren wat daar gebeurde. Ik heb zelfs moeite iets te reconstrueren dat er op lijkt, moeite het op te schrijven, nog meer moeite het te herlezen. In mijn verbeelding zie ik mij daar staan, keurig in de kleren, een beetje dik, net als mijn zoontje nu en nog net zo optimistisch.

Candide ou l'Optimisme. In het vijfde hoofdstukje van ditzelfde verhaal staat:

Wie zijn omgeving nog kan haten en zelfs ik kon dat nog niet zo lang geleden, die is in zekere zin een optimist in vergelijking met mij.

De verteller vindt het normaal dat iedereen ongelukkig is. Op het moment dat onze jeugdige haat er eindelijk in slaagt de tegenstand te breken van de ouderen die het nagestreefde doel en het daarmee verbonden geluk in de weg staan, is het immers al veel te laat. Want ondertussen is men zelf te oud geworden voor het geluk, en maar al te rijp voor de onherroepelijke aftakeling.

 

De Richard die als total loss de herinneringen uit zijn kinderjaren opschrijft, schrijft tegelijkertijd een aantal verklarende aantekeningen bij de filosofie en de verhaalmotieven in het literaire werk van het wonderkind Willem Frederik Hermans. In Hermans' Fotobiografie vindt men toepasselijke illustraties bij het verhaal De elektriseermachine van Wimshurst en ook bij een aantal minder bekende verhalen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat er een ik-verteller in optreedt die Richard of Richard Simmillion heet. Een merkwaardigheid aan die teksten is, dat Hermans ze niet heeft samengebracht in één bundel en dat sommige alleen maar toegankelijk zijn via enig bibliografisch speurwerk. De Richard-verhalen leiden een verspreid, min of meer verborgen bestaan in het oeuvre van Willem Frederik Hermans. Ik ken vijf teksten en vermeld ze in een volgorde die ik later zal verantwoorden:

[p. 13]
1.
De elektriseermachine van Wimshurst (in de bundel Een wonderkind of een total loss, De Bezige Bij, Amsterdam, 1967);
2.
Waarom schrijven? (apart uitgegeven als nieuwjaarsgeschenk van Uitgeverij De Harmonie te Amsterdam in december 1983; herdrukt in 1984 en gedeeltelijk in het Frans vertaald in het speciaalnummer Les écrivains répondent. Pourquoi écrivez-vous? van Libération, mars 1985);
3.
Een tourist (in Snoecks almanak 55, 1979);
4.
Het grote medelijden (in de bundel Een wonderkind of een total loss, 1967);
5.
Dood en weggeraakt (bibliofiele uitgave van Uitgeverij Ziggurat, Antwerpen 1980).

Dit lijstje is gecontroleerd en goedgekeurd door de Hermans-interpreet en -bibliograaf dr Frans A. Janssen en lijkt me derhalve (voorlopig) volledig. Met betrekking tot de betekenis van de Richard-verhalen in het totale oeuvre van Willem Frederik Hermans heb ik me gewend tot een andere autoriteit.

Parijs, 27 maart 1984, ten huize van dr W.F. Hermans:

U heeft een vijftal verspreid gepubliceerde verhalen geschreven waarin een ik-verteller optreedt die luistert naar de naam Richard Simmillion. Deze Richard lijkt verdacht veel op uzelf.

‘Ik heb inderdaad een kleine reeks nagenoeg geheel autobiografische verhalen geschreven en die kunt u herkennen aan het feit dat ze steeds dezelfde hoofdpersoon hebben. Als ik zeg autobiografische verhalen, dan bedoel ik dat ik er inderdaad niks bij verzonnen heb. Veel schrijvers van autobiografische verhalen doen dat wel. Maar als ik een autobiografisch verhaal schrijf, dan probeer ik mij aan de waarheid te houden. Alle verhalen van mij die als hoofdpersoon Richard Simmillion hebben, horen tot hetzelfde autobiografische boek. Maar dat boek is niet klaar en daarom bestaat het alleen in verspreide fragmenten.’

 

Dacht u ooit zo'n boek te schrijven?

‘Ja, maar ik denk dat het nooit klaar komt. De moeilijkheid bij het schrijven van een autobiografie is, vind ik, dat als je je eigen leven beschrijft, je eigenlijk volledig moet zijn. En het

[p. 14]

is nu eenmaal zo - dit zult u ook ervaren en dit ervaart iedereen - dat je in je leven dingen hebt die vervelend zijn, en dingen die minder vervelend zijn. Over de dingen die minder vervelend zijn, daar kun je met een zeker animo over schrijven. De andere dingen laat je dus weg, maar daarmee is het geheel dat een autobiografie zou moeten zijn natuurlijk verbroken. Door de vervelende dingen of de te pijnlijke weg te laten, vervals je de werkelijkheid. Daarin zit de grote moeilijkheid van het schrijven van een autobiografie. En die moeilijkheid heb ik nog niet overwonnen. Maar misschien dat ik nog wel een paar van die autobiografische fragmenten maak en dat ik ze dan eens een keer allemaal bij elkaar zet.

 

Gesteld dat het zover komt, denkt u dan dat het autobiografische Richard-boek een aaneensluitend geheel zou kunnen worden?

‘Een min of meer aaneensluitend geheel, ja. Maar of het ooit zover zal komen, weet ik niet.’

 

U zegt dat u de waarheid geen geweld wilt aan doen in een autobiografisch verhaal. Maar heeft u nu echt niet het idee dat u sommige dingen in het leven van de kleine Richard overdrijft, dat u zijn kinderleven tragischer maakt dat het in werkelijkheid was? Uw Richard-verteller is ouder dan uw Richard-personage. Hij en u zien, als schrijver, toch eigenlijk op de gebeurtenissen terug door de bril van een later verworven filosofle.

‘Dat weet ik niet. Daar kan ik geen oordeel over hebben. Ik weet alleen dat ik probeer volstrekt eerlijk te zijn en ik weet ook dat mijn jeugd niet erg vrolijk was. Als ik aan mijn jeugd terugdenk, dan denk ik daar niet aan terug als aan iets wat aangenaam was. Ik overdrijf zeker niet.’

 

Vindt u niet dat de kleine Richard zich wel erg bewust is van zijn eigen uitzonderlijkheid, en van de uitzonderlijke triestheid van zijn lot?

‘Dat vind je in alle autobiografieën en autobiografische verhalen van schrijvers: dat ze zich anders dan anderen voelen. En dat is natuurlijk ook zo. De meeste mensen gebruiken zichzelf niet als studiemateriaal; ze nemen niet waar wat ze zelf doen; laat staan dat ze het allemaal gaan opschrijven. Zulke mensen worden bruggenbouwer of tramconducteur of weet ik veel, maar typisch voor de schrijver is dat hij zichzelf waarneemt.’

[p. 15]

Er is nog iets anders op te merken bij uw claim op absolute autobiografische eerlijkheid. Als schrijver staat u tenslotte voor de taak van uw leven een goed verhaal te maken. En afgaande op uw novellen van de laatste jaren, betekent dit voor u een duidelijk gestructureerd taalgeheel, met een begin, een midden en een einde, om met Aristoteles te spreken.

‘Hier zit juist de moeilijkheid. Ik heb in die Richard-verhalen niets verzonnen, maar ik heb wel dingen weggelaten. De gedeelten uit mijn leven waarvan ik geen goed verhaal kan maken, blijven ongeschreven. Maar wat ik opschrijf, is zuivere waarheid, eventueel ten koste van de verhaalconstructie. Neem zo'n Richard-verhaal als De elektriseermachine van Wimshurst. Dat is geen goed verhaal; het zit lang niet zo goed in elkaar als het titelverhaal van de bundel Een wonderkind of een total loss. Dat titelverhaal is dan ook van A tot Z verzonnen; daar is geen woord van waar, en daarom kon ik het een duidelijk omlijnde structuur geven. Maar De elektriseermachine van Wimshurst is een autobiografisch verhaal, waarin ik zo eerlijk mogelijk de waarheid probeer te vertellen. Ik had dus als schrijver geen bewegingsvrijheid; mijn fantasie moest worden uitgeschakeld. Van De elektriseermachine van Wimshurst bestaat ook een film. Die film is gemaakt door Erik van Zuylen, die mij destijds zijn scenario stuurde. Ik heb dat scenario grondig herzien en nu is het wèl een goed verhaal geworden. Maar dat was alleen maar mogelijk ten koste van de waarheid. Die film is geen autobiografisch verhaal meer, maar een zelfstandig werkstuk.’

+Literaire teksten met een dubbele titel. Een voorlopige studie schreef Arnold Rothe, ‘Der Doppeltitel. Zu Form und Geschichte einer literarischen Konvention’ in Abhandlungen der Geistes- und Sozialwissenschaftlichen Klasse. Akademie der Wissenschaften und der Literatur 1969, 10, Mainz 1970, p. 297-331.

terug  begin  verder