terug  begin  verder
[p. 16]

2

De elektriseermachine van Wimshurst is een typisch auctorieel verhaal. Zoals al kan blijken uit de hiervoor gegeven citaten, is een ik-verteller aan het woord die de handeling voortdurend onderbreekt en becommentarieert, en die de lezer bovendien deelgenoot maakt van zijn eigen moeilijkheid om zich de gebeurtenissen precies te herinneren en ze overeenkomstig de historische waarheid onder woorden te brengen. Dit is een (auto-)biografisch probleem: de verhaalinhoud zou eigenlijk al vast moeten staan voor de schrijver zijn pen op papier heeft gezet. Althans gedeeltelijk. Want in feite wordt de verhaalinhoud niet alleen bepaald door de vertelde jeugdherinneringen als gebeurtenissen uit het verleden, maar evengoed door de herinneringsbarrières en de schrijftechnische en filosofische overwegingen van de volwassen verteller in het heden.+ Dat die elementen in Hermans' ik-verhaal door elkaar lopen en ook af en toe in elkaar overlopen, komt niet alleen omdat de beschouwing en de vertelling niet in afzonderlijke tekststukken zijn gescheiden. De soms moeilijk ontwarbare vermenging komt ook stilistisch of grammaticaal tot stand, door het veelvuldig gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd. Door die grammaticale tijd wordt zowel het ogenblik van vertellen en schrijven aangeduid als het verleden verlevendigd (‘praesens historicum’).

In de jeugdherinneringen onderscheid ik drie motieven. Ik noem ze: het tuintjesmotief, het verpleegstermotief en het elektriseermachinemotief. Het verhaal beslaat 39,5 pagina tekst en is geordend in 8 hoofdstukjes die weer zijn onderverdeeld in door witregels gescheiden fragmentjes.+ Het eerste hoofdstukje omvat 16 pagina's en vertelt de eerste botsing van de zevenjarige ik-figuur ‘met de massieve solidariteit van de dommen’, die hij leert kennen zodra hij op school komt. Als de leerlingen kleine stukjes grond krijgen toegewezen als ‘tuintje’, ziet Richard in zijn dromen al prachtige teeltresultaten, maar de harde werkelijkheid is dat zijn medescholieren alles kapot maken of verkeerd doen. Zij verwerpen zijn

[p. 17]

goede raad en zij vernederen hem met de eensgezinde wreedheid van hun onverzettelijk onverstand. Die massale vijandschap van de dommen vervult Richard aanvankelijk met angst en later met haat.

In het tweede hoofdstukje vertelt Richard op 1 pagina dat ‘het enige prettige van de school’ bestond uit het halfjaarlijks bezoek van een verpleegster, die de hoofdharen van de leerlingen op luizen kwam controleren. De lezer begrijpt dat Richard bij deze verpleegster de genegenheid zocht die hij thuis te kort kwam.

Het derde hoofdstukje (4,5 pagina) introduceert het motief van de elektriseermachine. Richard leert die machine kennen uit een oud natuurkundeboek dat hij thuis op zolder vindt. Voor zover zijn gebrekkig speelgoedmateriaal dat toelaat, probeert hij de in het boek beschreven proeven ook werkelijk uit te voeren. Een tweede episode van het titelmotief geeft het vierde hoofdstukje (1,5 pagina). Tijdens een wandeling met zijn ouders ziet de kleine Richard een echte elektriseermachine in een winkel, maar zij gunnen hem niet dat hij er lang naar blijft kijken.

De figuur van zijn grootmoeder inspireert de Richard-verteller tot een uitsluitend beschouwend vijfde hoofdstukje van anderhalve pagina. Daarna komt in een zesde hoofdstukje van 5 pagina's de derde episode, over de elektriseermachine in het toenmalige ‘Museum van den Arbeid’ in Amsterdam. Het 10 pagina's tellende zevende hoofdstukje brengt de vierde episode van het titelmotief: Richard vindt een elektriseermachine op de zolder van de school. De vondst leidt tot een demonstratie door de kleine Richard in het klaslokaal. Deze vijfde episode zou het moment van Richards triomf moeten zijn: het bewijs dat hij superieur is aan degenen die hem minachten en mishandelen. Aanvankelijk lijkt dat ook zo - er ontspringen prachtige vonken tussen de draaiende elementen - maar door een stommiteit van de schoolmeester verloopt de schitterend begonnen demonstratie in een complete chaos. Het wonderkind Richard voelt zich (bijna) een total loss als slachtoffer van de verenigde machten der domheid.

 

De film van Erik van Zuylen+ heeft dezelfde titel als het verhaal van W.F. Hermans, maar vertoont duidelijke afwijkin-

[p. 18]

gen van de oorspronkelijke verhaalinhoud en verhaalordening. De inhoud van de film wordt vooral bepaald door de rol van de gehate grootmoederfiguur (Loudi Nijhoff), die in het oorspronkelijke verhaal eigenlijk alleen maar aanleiding geeft tot de algemene beschouwingen van het vijfde hoofdstukje.

De elektrotechnische ingenieur Richard (Gerard Thoolen) ontvangt in een laboratorium bericht dat zijn grootmoeder op sterven ligt. Hij is bezig met proeven waarbij knetterende vonken overspringen tussen de bolvormige elementen van een stootspanningsgenerator. Na een dag uitstel, rijdt hij naar Amsterdam, waar hij in het huis van zijn grootmoeder alleen een kat en een verpleegster (Margreet Blanken) aantreft; zijn ouders zijn naar huis, na 's nachts bij de grootmoeder te hebben gewaakt. Zij ligt bewusteloos en wordt in leven gehouden door middel van een rubberen zuurstof-slangetje in haar neus, dat met een pleister tegen haar wang is geplakt. In een gesprek met de verpleegster laat Richard zijn haat tegen zijn (nu eindelijk zwijgende!) grootmoeder blijken. Die haat wordt verklaard via flashbacks uit het leven van de jeugdige Richard (gespeeld door Early Monsanto). Daarin worden de ons bekende motieven van de tuintjes, de school-verpleegster en de elektriseermachine minder of meer gekoppeld aan de pesterige bemoeizucht van de grootmoeder ten opzichte van de kleine Richard, voor wie zijn ouders kennelijk weinig liefde en geen belangstelling toonden.

Als de verpleegster vertrokken is, laat de volwassen Richard de kat binnen in de slaapkamer waar de grootmoeder ligt. Hij weet van de verpleegster dat deze kat op haar bed zal springen, en dat doet ze ook. Met haar pootjes trekt ze de pleister los van het slangetje dat de grootmoeder in leven houdt. Zij sterft onder het toeziend oog van Richard, die weer plaatsneemt in zijn auto en terugrijdt naar het laboratorium. Daar herinneren de knetterende vonken van de stootspanningsgenerator de toeschouwer aan de proeven van de jeugdige Richard met de elektriseermachine.

 

De grote vondst van Erik van Zuylen is het sterven van de gehate grootmoeder door toedoen van de kat, die door Richard ‘een levende elektriseermachine’ wordt genoemd. De kat ontbreekt in het oorspronkelijke verhaal van W.F. Her-

[p. 19]

mans. Maar in een van de flashbacks in de film leest de kleine Richard naar aanleiding van de elektriseermachine van Wimshurst over het verschijnsel dat er in het donker knappende vonkjes kunnen worden waargenomen als men met zijn hand over een kat strijkt. Eigenlijk verbeeldt de film hoe de angstige haat van Richard tegenover de liefdeloze machthebbers van zijn kinderjaren verandert in wraak. En die wraak wordt voltrokken door middel van het enige ding waar Richard van hield, omdat hij er zijn superioriteit mee kon bewijzen: de elektriseermachine van Wimshurst.

De grote moeilijkheid voor Erik van Zuylen moet wel de auctoriële aard van Hermans' verhaal zijn geweest.+ De oorspronkelijke verhaalordening is die van een overdenking in de ik-vorm. Een dergelijke presentatiewijze kan in een film op verschillende manieren worden benaderd. Bijvoorbeeld door de monologue intérieur van een personage dat via flashbacks zijn verleden terugroept, door de commentaarstem van een onzichtbare ik-verteller die de vertoonde beelden begeleidt, of door een zichtbare maar zwijgende toeschouwer die als volwassene getuige is van gebeurtenissen uit zijn eigen jeugd. Het laatste procédé heeft Ate de Jong toegepast in zijn verfilming van Maarten 't Harts roman Een vlucht regenwulpen.

Erik van Zuylen heeft er de voorkeur aan gegeven de ik-vorm zonder meer los te laten. De gevoelens van de volwassen Richard ten opzichte van zijn grootmoeder komt de toeschouwer nu te weten uit zijn gesprek met de verpleegster. Ze krijgt daardoor een functie die vergelijkbaar is met die van de talrijke voedsters en vertrouwden in de treurspelen van Racine en zijn tientallen epigonen in de zeventiende en achttiende eeuw: personages van wie zelfs Corneille al schijnt te hebben beseft dat hun taak voornamelijk bestond uit het aanhoren van confidenties die eigenlijk voor het publiek waren bestemd. Ook Erik van Zuylen was kennelijk niet helemaal tevreden met zijn passieve voedster-confidente. In de eerste versie van zijn scenario liet hij de ontmoeting tussen Richard en de verpleegster aanvankelijk zodanig verlopen, dat de meer flirtgevoelige toeschouwer bij wijze van spreken alleen nog zat te wachten op het moment dat ze met elkaar naar bed zouden gaan. Onder meer op dit punt vond hij de mening van Willem Frederik Hermans tegenover zich.

[p. 20]

In Hermans' aantekeningen bij Van Zuylens scenario staat dat ieder verlegen of schichtig optreden van Richard en alle suggesties aangaande zijn verleidingskunst de aandacht afleiden van zijn geslaagd-zijn als wetenschapsbeoefenaar. Hermans vindt, met andere woorden, dat uit het zelfverzekerd optreden van de volwassen Richard moet blijken dat hij de superioriteit heeft bewezen die hij als kind al had kunnen en willen bewijzen, als zijn opvoeders hem maar niet hadden gedwarsboomd.

De film is voor hem kennelijk de verbeelding van de wraak van iemand die miskend en gepest werd, maar die desondanks gekomen is waar hij wilde komen. Het middel van zijn wraak (de levende elektriseermachine) herinnert aan zijn onverdiende vernedering en symboliseert zijn verdiende triomf. Alles wat de aandacht van dit thema zou kunnen afleiden, moet wat Hermans betreft uit het filmscenario verdwijnen. Daarom maakt hij bezwaar tegen een scène met een taxirit naar het huis van de grootmoeder, waarbij Richard een ziekenhuis passeert en zich een weg baant tussen verpleegsters. En daarom heeft hij ook bezwaar tegen een ontmoeting van de volwassen Richard met zijn ouders en wil hij niet dat in een flashback de aandacht van het hoofdgebeuren wordt afgeleid door meteorologische sensaties als sneeuw en ijs, die toch wel degelijk in zijn eigen verhaal voorkomen.

De wijzigingen die W.F. Hermans heeft voorgesteld in het scenario van Erik van Zuylen en die deze ook heeft aanvaard, komen eigenlijk allemaal op hetzelfde neer. En dat is niets anders dat wat de treurspeltheoretici in de tijd van Racine en Corneille aanduidden als de eenheid van handeling. ‘In goede films, net als in goede verhalen en in goede romans, wordt maar één onderwerp tegelijk behandeld,’ schreef Hermans in zijn aantekeningen bij het scenario. Het is nu ook meteen duidelijk waarom W.F. Hermans - in tegenstelling tot het merendeel van de toenmalige critici - zijn eigen verhaal niet goed vindt.

Erik van Zuylen stond niet als literair criticus tegenover Hermans' tekst, maar als cineast. Hij hield zich aan de titel en de in vijf episoden verlopende hoofdhandeling van het verhaal. Vandaar bijvoorbeeld de weinige filmtijd die in zijn werk wordt besteed aan het tuintjesmotief, dat in het oorspronkelijke verhaal toch bijna een vierde gedeelte van de tekst be-

[p. 21]

slaat. Vandaar ook dat Erik van Zuylen andere middelen gebruikt dan de autobiografische schrijver Willem Frederik Hermans. Als de kleine Richard in de oorspronkelijke verhaaltekst met zijn vader over de mogelijkheid van een demonstratie met de elektriseermachine spreekt, zegt deze doorgewinterde gewoonte-onderwijzer dat dergelijke experimenten alleen maar tot wanordelijkheden in de klas leiden. En om zijn argumenten kracht bij te zetten, geeft hij het voorbeeld van een onderwijzer met nieuwe pedagogische ideeën die geen orde kon houden en ten slotte in een zenuwinrichting terechtkwam. ‘Tegenwoordig is meneer nationaal-socialist,’ voegt hij er spottend aan toe.

Zo'n uitspraak zegt de kleine Richard aanzienlijk minder dan de volwassen lezer, die nu meteen weet dat het verhaal in de jaren dertig speelt, waarin ook de pedagogische ideeën opgeld deden van de door de vader bespotte onderwijsvernieuwer Jan Ligthart. Zoals de ik-verteller van Hermans' verhaal in een voorafgaand hoofdstukje zelf schrijft, gaat het bij het vermelden van zulke ‘sociologische en historische feiten’ om een poging ‘meer massa’ te verschaffen aan de persoonlijke herinnering. Een autobiografische schrijver probeert het voorgoed vastliggend verleden te reconstrueren; een verhalenschrijyer of een cineast construeert daarentegen een volkomen nieuw en fictief heden.

Een belangrijk verschil tussen de lezersreceptie en de toeschouwersreceptie van De elektriseermachine van Wimshurst wordt bepaald door het verschil van context en situatie. We mogen wel aannemen dat de gemiddelde bioscoopbezoeker over weinig of geen achtergrond-informatie beschikt aangaande de auteur van het oorspronkelijke verhaal; wellicht ontgaat hem zelfs de korte mededeling op het scherm dat de film werd gemaakt ‘naar een novelle van Willem Frederik Hermans’. Hoofdfiguur is een elektrotechnicus en er wordt nergens iets vertoond dat met de schrijfact of het schrijverschap te maken heeft.

Voor de lezer van de verhaaltekst ligt dat anders. Hij leest het relaas van een schrijver, die bekent dat hij alle mogelijke moeite doet om zijn verleden terug te roepen. In veel gevallen herkent de lezer dat verleden als de jeugd van Willem Frederik Hermans, die een aantal romans en verhalen waaronder autobiografische teksten en een Fotobiografie op zijn naam

[p. 22]

heeft, en wiens naam en portret op de omslag van het boek prijken. Als hij later naar de film gaat kijken, ziet hij de belevenissen van een hoofdfiguur wiens beroep en wiens uiterlijk geen enkele overeenkomst vertonen met de hem bekende auteur. Misschien herkent hij daarentegen een acteur die hij al eens eerder in een totaal andere rol op het toneel of op de televisie zag optreden, namelijk Gerard Thoolen. En Gerard Thoolen heeft nu eenmaal niets te maken met Willem Frederik Hermans.

+Herinneringsbarrières, schrijftechnische overwegingen en tijdsgebruik. De thematisering (of liever: motivering) van de herinnering en de schrijfact en het daarmee samenhangend probleem van het tijdsgebruik wordt o.m. behandeld door Ulla Musarra-Schroeder, Le roman-mémoires moderne. Pour une typologie du récit à la première personne, APA. Holland University Press, Amsterdam 1981, en Narcissus en zijn spiegelbeeld. Het moderne ik-verhaal, Assen 1983. Vgl. verder hoofdstuk 10 en de daarbij behorende aantekeningen, alsmede mijn essay Maurice Gilliams, Amsterdam 1984, p. 234-253 en p. 309-315.
+Aantal pagina's in ‘De elektriseermachine van Wimshurst’. Ik gebruik de achtste druk van de bundel Een wonderkind of een total loss, Amsterdam 1981.
+De film van Erik van Zuylen. De titel is dezelfde als die van het verhaal: De elektriseermachine van Wimshurst, Horizon Films, Amsterdam 1978, 45 minuten.
+Verhaal en film. Over de verfilming van romans schreef J.M. Peters de inleiding Van woord naar beeld. De vertaling van romans in film (met literatuuropgave), Muiderberg 1980.
terug  begin  verder