terug  begin  verder
[p. 23]

3

Als het zo is dat ons geheugen uit onze belevenissen een willekeurige selectie maakt, dus bepaalde dingen onthoudt en andere dingen niet onthoudt zonder daarbij geleid te worden door het criterium van een duidelijk evaluatie-systeem, - als het zo is dat dientengevolge het meeste van ons verloren gaat en misschien wel (een deel van) het beste,- als het daarenboven zo is dat wij het weinige dat ons geheugen heeft onthouden alleen maar kunnen opschrijven in een taal die onherroepelijk te kort schiet om de dingen te kunnen vasthouden ofte benoemen,- dan volgt daaruit:

ten eerste dat het schrijven een onvermijdelijk bedrog is ten aanzien van de werkelijkheid van ons leven;

ten tweede dat er, in het licht van de onkenbare werkelijkheid, geen essentieel verschil kan bestaan tussen verzonnen of bedachte verhalen, en verhalen die een verslag zijn van voorvallen uit de werkelijkheid.

Het onder het tweede punt genoemde geldt des te meer, als men er ten aanzien van bedachte verhalen van uitgaat dat onze verbeelding wordt gevoed door motieven die we tevoren in de werkelijkheid hebben waargenomen of beleefd. De middeleeuwse scholastici zeiden: ‘Nihil est in intellectu, quod non fuerit prius in sensu’; en ze bedoelden daarmee dat wij niets kunnen bedenken wat onze zintuigen al niet gezien hebben.

 

Ik geloof dat de bovenstaande redenering valt af te leiden uit de ‘Preambule’ waarmee W.F. Hermans zijn verhalenbundel Paranoia van 1953 opent. Die ‘Preambule’ is gedateerd ‘Groningen okt. '53’ en wordt door de schrijvende ik gekarakteriseerd als: ‘confidenties (die) voorafgegaan aan een reeks verhalen die met mijn persoonlijke lotgevallen niets te maken hebben’. Het feit dat de laatste alinea verwijst naar een uitspraak van een literair criticus, versterkt onze opvatting inzake herkomst en bedoeling van dit prozastuk. We hebben kennelijk te maken met een rechtstreekse mededeling van de

[p. 24]

auteur Willem Frederik Hermans en niet met de verhaaltekst van een neutrale verteller of, in officieel literatuurwetenschappelijk ‘narratologisch’ jargon: niet met een ‘metadiëgetisch discours van een neutrale heterodiëgetische vertelinstantie’.

W.F. Hermans zet met deze ‘Preambule’ een stap achterwaarts vanuit de vertelwereld van zijn verhalen naar de (geestelijk) geleefde wereld van zijn eigen biografie. Maar hij zet tegelijkertijd een reusachtige stap naar voren. Hij beweert dat hij helemaal niet zeker is dat de hier verzamelde verhalen niets met zijn persoonlijke lotgevallen te maken hebben. Hij betwijfelt zelfs of dat eigenlijk wel zo is, en of hij wel het recht heeft ‘deze lotgevallen’ niet de zijne te noemen. ‘Die Welt ist meine Vorstellung,’ schreef Schopenhauer. En: ‘Das Leben und die Träume sind Blätter eines und des nämlichen Buches.’ Dat laatste vond Willem Frederik Hermans ook en hij gebruikte Schopenhauers uitspraak daarom als motto voor zijn eerste verhalenbundel: Moedwil en misverstand, van 1948. Voor zijn Fotobiografie vond hij een toepasselijk motto bij Wittgenstein: ‘Ich sehe nicht die Vergangenheit sondern nur ein Bild der Vergangenheit. Aber woher weiss ich, dass es ein Bild der Vergangenheit ist?’

Men kan zich afvragen wat voor een auteur met dergelijke ideeën het begrip ‘autobiografie’ betekent. Freud onderscheidt in zijn Traumdeutung de latente droomgedachte van de manifeste droominhoud, en het verschil komt tot stand door de vermommende transformaties van de zogenaamde droomarbeid. Zo kunnen literatuurtheoretici de ‘oppervlaktestructuur’ van een verhaaltekst beschouwen als het produkt van een aantal transformaties tijdens het literaire scheppingsproces, waarbij er, ten aanzien van de oorspronkelijke denk-totaliteit in de ‘dieptestructuur’, verschuivingen en verdichtingen optreden die vergelijkbaar zijn met de droomarbeid van Freud.

Willem Frederik Hermans heeft die opvatting als het ware geïllustreerd in het derde hoofdstukje van zijn verhaal De elektriseermachine van Wimshurst. Hij vertelt daar hoe de kleine Richard met primitief speelgoedmateriaal elektrische proeven neemt waarvoor hij de aandacht probeert te vragen van zijn vader. Maar die heeft al lang de leeftijd bereikt ‘waarop je eigenlijk het liefste zit te slapen in je stoel’. De tekst vervolgt:

[p. 25]
Hij leest verder of valt weer in slaap. ‘Ik heb een elektroskoop gemaakt,’ zeg ik, maar hij luistert niet. Tien jaar later schrijf ik een verhaal waarin twee gorilla's een kind ter wereld brengen dat (mutatie) onbehaard is en praten kan. De gorilla's denken dat het een misgeboorte is en smijten het de boom uit, waarin het niet terug kan komen omdat het voeten aan zijn benen heeft, geen handen, het kan dus niet zo erg goed klimmen. Het kind gaat op weg door het oerwoud, overwint tijgers en slangen, maar als het tenslotte twee andere mensen ontmoet, wordt het onmiddellijk doodgeschoten want dat zijn jagers.

In het tijdschrift Literair Paspoort van 1951 besprak W.F. Hermans de studie The Writer and Psycho-analysis (1950) van de Zweeds-Amerikaanse psychiater Edmund Bergler. Hij schrijft dat dit boek ertoe kan bijdragen een einde te maken aan de literairhistorische ‘onzin’ die het werk van een schrijver beschouwt als een biografische onthulling. Dat lijkt op het eerste gezicht duidelijker dat het in werkelijkheid is. Een onthulling kan tegelijkertijd een verhulling zijn. Het boek van Bergler is een verslag van de psychiatrische behandeling van zesendertig (helaas ongenoemde) Amerikaanse schrijvers, die hun tijdelijke onmacht tot schrijven verborgen onder het mom van nerveuze klachten. Ze illustreerden daardoor op biografisch vlak een zelfde soort camouflage- of afweermechanisme als bij nader inzien tot uitdrukking komt in sommige literaire werken. Uit Berglers boek volgt volgens W.F. Hermans dat ‘romans, drama's en gedichten volledig ongeschikt zijn om ons onmiddellijk iets van 's schrijvers zieleleven te weten te doen komen’.

Ter verduidelijking zou ik in deze zin het woord (volledig) liever tussen haakjes zetten en het woord onmiddellijk cursiveren. De traditie van de literatuurhistorie lijkt dan minder onzinnig en Hermans' eigen gorilla-verhaal meer functioneel. In de macrostructuur van De elektriseermachine van Wimshurst functioneert de gorilla-passus als ‘mise en abyme’: een verhaal in een groter verhaal, dat dit grotere verhaal als het ware symbolisch weerspiegelt. Hermans verbeeldt de verhouding van het miskende wonderkind Richard tot zijn ouders, die hem verwerpen als een total loss. De lijdende confrontatie van het verworpen kind met de vereende krachten der dom-

[p. 26]

heid in de buitenwereld, heeft Willem Frederik Hermans verbeeld in verschillende andere verhalen. Ik noem Manuscript in een kliniek gevonden in de bundel Paranoia en De blinde fotograaf in Een landingspoging op Newfoundland, en verwijs naar het slot van Een veelbelovende jongeman uit diezelfde bundel.

Een andere ‘mise en abyme’ betreffende Richards miskenning door de kwaadaardige domheidsmachten rondom hem, staat bij wijze van vergelijking al onmiddellijk in het eerste hoofdstukje van De elektriseermachine van Wimshurst. Bij de introductie van het tuintjesmotief spreekt de verteller over zijn gebrek aan overredingskracht tegenover ‘de massieve solidariteit van de dommen’:

Was ik bijvoorbeeld kapitein van een schip, raakte het schip in een storm, zou ik bevelen de luiken te sluiten, de eerste stuurman zou tegen de matrozen zeggen: ‘Hij lult, die ouwe! Laat die luiken maar open staan.’ Als ze niet openstonden zou hij ze expres open laten zetten. Wij zouden vergaan met man en muis.
Alleen de koksmaat zou in mij geloven; maar een koksmaat heeft niets te vertellen over het al dan niet sluiten van de luiken. Samen met de koksmaat zou de kolkende tornado mij van het dek sleuren en onderdompelen in de kokende oceaan. Hij zou zich aan mij vastklampen, de koksmaat, god weet is het een flikker ook nog. Hij zou mij in mijn oren schreeuwen: ‘U had gelijk, kapitein! Ik heb ook aldoor gedacht dat de luiken gesloten moesten worden!’
Met mijn gelijk uit de mond van een koksmaat in mijn oren, zou ik naar de diepte zinken. Natuurlijk wordt de eerste stuurman nog op het nippertje gered door een helikopter, dat zul je altijd zien. Veilig op het droge aangekomen, zal hij verklaren dat zijn kapitein bevolen had de luiken te openen. Ik lig met longen vol zout water op de bodem van de Pacifische Oceaan, ik spreek hem niet tegen. Met schande overdekt wordt mijn naam in de maritieme geschiedenis geboekstaafd.

Erik van Zuylen heeft deze twee fabels niet verwerkt in zijn film. Hoe zou hij ook. De schrijver heeft andere middelen tot zijn beschikking dan de cineast. Willem Frederik Hermans heeft die andere middelen op meesterlijke wijze benut. Want

[p. 27]

hierin wil ik wel met de meester van mening verschillen: De elektriseermachine van Wimshurst is een prachtig verhaal. Maar het is niet wat Willem Frederik Hermans zou noemen een ‘klassiek verhaal’. Ik kom daar later op terug, want ondertussen staat ergens Richard Simmillion te wachten.

Ten huize van dr W.F. Hermans in Parijs:

In De elektriseermachine van Wimshurst staat dat Richard een verhaal schreef over twee gorilla's die een wonderkind kregen, maar het te vondeling legden of liever gooiden, omdat ze dachten dat het een total loss was. Bestaat dat verhaal alleen in de gedachten van Richard of werd het ook werkelijk opgeschreven door Willem Frederik Hermans?

‘Dat verhaal heb ik inderdaad geschreven, maar ik heb het nooit gepubliceerd. Dat is uit 1944 of zoiets.’

 

Waarom heeft u het niet gepubliceerd?

‘Ik vond het niet goed genoeg. Ik geloof dat ik het nog heb, maar ik weet niet meer waar; ik kan er niet naar zoeken. Er zitten natuurlijk wel een paar autobiografische kentrekken in dat verhaal, maar eigenlijk ben ik helemaal geen autobiograaf. Maar wel is het waar en dat herhaal ik: ik heb in De elektriseermachine van Wimshurst en in die andere Richard-verhalen me werkelijk ingespannen om er niets in te zetten dat ik verzin.’

 

Volgens mij klopt er iets niet met de data in uw autobiografisch verhaal De elektriseermachine van Wimshurst. De verteller heeft het over een gebeurtenis die veertig jaar geleden plaatsvond, toen hij elf jaar oud was. Als Richard dezelfde is als Willem Frederik, werd hij geboren op 1 september 1921. Het moment van vertellen ligt dus in 1972. Hoe kon u die tekst dan publiceren in de bundel Een wonderkind of een total loss, die al in 1967 verscheen?

‘Daaraan kun je misschien zien dat Richard toch weer niet helemaal dezelfde is... of juist dat hij een wonderkind is!’

 

Gelooft u dat zelf?

‘Nou ja, het is natuurlijk een vergissing. Zulke vergissingen maak ik wel meer.’

[p. 28]

Laten we even aannemen dat er verder geen vergissingen in de dateringen voorkomen en dat Richard in 1921 werd geboren. Op grond daarvan kun je een chronologie opstellen voor het ontstaan van de Richard-verhalen. De oudste tekst is Het grote medelijden. De verteller schrijft dat hij ‘twee jaar geleden’ 33 jaar was en toen de première bijwoonde van Ionesco's Comment s'en débarasser. Die vond plaats in 1954. Hij schreef dus zijn verhaal in 1956. De jongste tekst is Waarom schrijven?, met de datering ‘Parijs, 24 augustus 1983’. Tussen 1956 en 1983 liggen 27 jaar. Heeft u in die tijd min of meer geregeld aan Richard-fragmenten gewerkt of herwerkt, of gebeurde dat veeleer bij vlagen die te maken hadden met gebeurtenissen in uw persoonlijk leven, waardoor de herinneringen als het ware werden losgemaakt?

‘Het laatste is het geval. Au fond vind ik niet dat het autobiografische zo belangrijk is. Maar net als ieder normaal mens denk ook ik weleens terug aan dingen die vroeger in mijn leven gebeurd zijn en schrijf dan autobiografische fragmenten. Maar het is voor mij niet de hoofdschotel, zoals voor Van het Reve bijvoorbeeld. Bijna alle Nederlandse schrijvers zijn autobiografen: Du Perron, Van het Reve, noem maar op.’

 

In het slotinterview van de bundel Scheppend nihilisme zegt u dat de Preambule waarmee uw verhalenboek Paranoia opent, moet worden beschouwd als ‘een verhaal op zichzelf’. De ik-vorm in dit stuk wil volgens u helemaal niet zeggen dat u die ‘ik’ is. Maar ik geloof dat u zich daar een beetje te gemakkelijk van af maakt. Uit alles blijkt dat die tekst een andere functie heeft in de bundel dan de verhalen die erop volgen. ‘Préambule’ betekent volgens Le petit Robert: ‘Exposé d'intentions préalable au discours, à un écrit’. En...

‘Ha, ha. Dat klopt dan uitstekend.’

 

Maar het klopt óók dat de auteursnaam Willem Frederik Hermans op een boek staat waarvan de préambule zichzelf karakteriseert als een reeks ‘confidenties’ die voorafgaan aan een reeks ‘verhalen’.

‘Ik was mijn handen in onschuld.’

 

Aan het begin van Si le grain ne meurt schrijft Gide zoiets als: ‘mon récit n'a raison d'être que véridique’. Je zou bij zo'n uitspraak kunnen opmerken dat er een tegenspraak schijnt te bestaan tussen de

[p. 29]

termen ‘récit’ en ‘véridique’. Wanneer u mij zegt: het ‘verhaal’ De elektriseermachine van Wimshurst is ‘waar’, wat bedoelt u daar dan eigenlijk mee?

‘Daar bedoel ik mee dat het inderdaad waar gebeurd is: dat, als er bijvoorbeeld tien of honderd getuigen bij geweest waren, dat die dan zouden bevestigen dat het precies zo gebeurd is zoals ik het in dat verhaal vertel.’

 

Dus u refereert naar de werkelijkheid, naar wat er echt in de leefwereld buiten het verhaal gebeurd is?

‘Ja, maar ik ben eigenlijk altijd zo geweest... Stel dat ik nou een verhaal vertel - behalve natuurlijk in essays of iets dergelijks - dan heb ik toch eigenlijk altijd liever dat ik een slag om de arm houd en zeg: nou... laat dan de waarheid ook maar gefingeerd wezen.’ (grinnikt)

 

Hebt u ook een idee waarom?

‘Nee, daar heb ik geen idee van. Maar ik vind het een betere... Ach, het leven is toch een droom. Dat wisten de romantici ook al. En wie is dat... Calderón, geloof ik...

 

La vida es sueño.

‘Juist, precies. Kijk, er staan in die Preambule natuurlijk dingen die overdreven zijn... die zijn dus, strikt genomen, maar gedeeltelijk waar... U noemde zojuist André Gide. Dat was een typische autobiograaf, niet waar? Hij vond het heel belangrijk. Ik houd ook wel een dagboek, maar niet om dat nog bij mijn leven te kunnen publiceren.’

 

U houdt nog steeds een dagboek?

‘Ja, maar ik publiceer daar nooit wat uit.’

 

Schrijft u daar dagelijks in?

‘Ja, dat wil zeggen: kleine dingen. Het is gewoon een agenda van het verleden, meer niet. Ik zal dus straks, als u weg bent, erin schrijven: bezocht door Martien de Jong. Dan weet ik wat er die dag gebeurd is.’

 

U schrijft dus geen overdenkingen?

‘Nee, nee; een enkele keer wel, maar meestal helemaal niet. Ik schreef er ook weleens invallen in met de bedoeling ze later te

[p. 30]

kunnen gebruiken. Maar die kun je dan natuurlijk nooit meer terugvinden...’

 

In uw ‘geriatrische verkenning’ over die ‘hundert wachser’ komt een nauwkeurige inhoudsopgave van de film Mondo cane voor, en in uw verhaal Het grote medelijden wordt een toneelstuk van Ionesco naverteld. Zulke fragmenten moet u wel kort na uw theater-of bioscoopbezoek hebben opgeschreven...

‘Dat was voor Mondo cane veel moeilijker, want daar heb je de tekst niet. Ik heb die film twee of drie keer gezien en de tweede of de derde keer heb ik een potlood en een blocnote meegenomen en in het donker al die scènes opgeschreven.’

 

Wist u toen al wat u met die aantekeningen ging doen?

‘Ik was in ieder geval van plan ze te gaan gebruiken in een verhaal. Net als iedere andere schrijver moet ook ik “zwoegend” de straat op om materiaal te verzamelen. Het is niet zo, dat een schrijver zo maar bellen hoeft te blazen om een verhaal te laten ontstaan!’

 

Moet u nadien nog veel in zulke teksten schrappen?

‘Nou... nee... ik ben niet zo'n geweldige schrapper. Er zijn natuurlijk auteurs die hun lezers wijs maken dat ze een verhaal twintig keer schrijven en twintig keer verscheuren en dat dan de eenentwintigste keer... Nee, dat soort dingen doe ik niet. Ik schrap betrekkelijk weinig, maar ik verbeter veel en ik plak er ook soms stukken tussen.’

 

In het door u navertelde stuk van Ionesco komt een schrijver voor die nooit verder komt dan de eerste zin.

‘Nou u begrijpt... ik ben van huis uit geen literator. Ik voelde me aangetrokken tot de natuurwetenschappen en ik heb geologie gestudeerd. Als dat schrijven nu ook nog heel erg moeilijk was gegaan, dan was ik maar beter bij de geologie gebleven. Dan had ik me als auteur ook niet al die laster en ellende op de hals gehaald...’

 

Volgens uw Fotobiografie was u als gymnasiast al lid van een letterkundige vereniging en hoofdredacteur van een schoolblad waarin u gedichten en beschouwingen schreef. Heeft u er nooit aan gedacht Letteren te gaan studeren, in plaats van een exacte wetenschap?

[p. 31]

‘Ik was helemaal niet zo goed in talen. Daar heb ik pas belangstelling voor gekregen toen ik volwassen was en mijn eerste verhalen al had geschreven. Ik las al wel veel op het gymnasium, maar daar was toch ook nogal wat natuurkunde onder. Bovendien deed ik gymnasium-bèta en, zoals u weet, moestje destijds alpha hebben om Letteren te mogen studeren.’

 

Nadien heeft u een wetenschappelijke carrière als fysisch geograaf afgebroken om schrijver te worden.

‘Iemand heeft eens gezegd: schrijven is geen beroep; dat is een ongeluk. Geologie is een beroep.’

 

U heeft jarenlang uw beroep en uw ongeluk gecombineerd. Leest u nu nooit meer iets over uw vak?

‘Nee, zo 'n wetenschap evolueert en je kennis veroudert op den duur. Dat zou verloren tijd zijn.’

 

In Fotobiografie staat een facsimile van het schema voor uw eerste roman Conserve. Dat is wel heel erg summier.

‘Ik maak eigenlijk nooit uitgewerkte schema's, maar werk veeleer intuïtief. Al schrijvende ontdek je welke richtingen je uit kunt.’

 

In uw roman Ik heb altijd gelijk vertelt het hoofdpersonage dat hij vroeger dikwijls vocht met zijn zusje en dat zij daarbij haar tong dubbel vouwde tussen haar tanden. Helemaal op het einde van het boek wordt de hoofdpersoon geslagen door zijn vriendin, die daarbij op precies dezelfde wijze op haar tong bijt. Zo'n terugkerend motief versterkt voor de oplettende lezer de indruk dat de vriendin eigenlijk het gestorven zusje vervangt. Wist u nu bijvoorbeeld al vanaf het begin dat u dit detail uit een van de eerste hoofdstukken zou laten terugkeren in het laatste hoofdstuk?

‘Dat kan ik niet meer zeggen. Maar zulke dingen gebeuren soms minder bewust dan men misschien zou denken. Het komt voor dat ik ze zelf pas later ontdek, of dat ik er pas later de mogelijkheden toe ontdek. Daarom heeft mijn roman Uit talloos veel miljoenen in de tweede druk een hoofdstuk erbij gekregen.+ Ik vond dat bij nader inzien beter, maar ontdekte de mogelijkheid pas toen de eerste druk van het boek al bestond.’

+De tweede druk van ‘Uit talloos veel miljoenen’. In maart 1983 verscheen de ‘tweede herziene en vermeerderde druk’ van deze roman uit 1981. Hij is uitgebreid met een drieënveertigste hoofdstuk van drie bladzijden, dat zich afspeelt na een geneeskundige ingreep die in het voorafgaande (in de eerste druk: het laatste) hoofdstuk werd aangekondigd. De uitbreiding is alleen al de moeite waard vanwege de meesterlijke slotzin, die zowel betrekking heeft op de concrete situatie van een ziekenbezoek aan een pas geopereerde patiënte, als op de existentiële menselijke situatie in het universum van Hermans' romans: ‘- Ik kan niet lachen, zei ze. Als ik lach doet het pijn.’
terug  begin  verder