terug  begin  verder
[p. 32]

4

In De elektriseermachine van Wimshurst zijn verschillende tijdlagen te onderscheiden. Toen ik hiervoor schreef dat er een eenenvijftigjarige Richard-verteller en een elfjarige Richard-belever optrad, baseerde ik mij op het zesde hoofdstukje, met de derde episode over de elektriseermachine in het ‘Museum van den Arbeid’. Daar schrijft de verteller dat hij het museum op zijn elfde jaar ontdekte en dat ‘nu, veertig jaar later’, zijn herinneringen eraan zo ‘visionair’ zijn, dat hij ‘geen enkel bewijs kan leveren het niet alleen maar te hebben gedroomd.’ Wij weten intussen dat het geheugen de schrijver zelfs op veel kortere afstand parten speelt, en dat de verteller in werkelijkheid maar dertig jaar ouder was dan zijn elfjarige alter ego. Ook de vijfde en de laatste episode van het elektriseermachine-motief, dus de demonstratie in de klas, vond plaats toen Richard elf jaar oud was. Dat staat in het laatste hoofdstukje. Het tuintjesmotief van het eerste hoofdstukje is daarentegen gesitueerd in het zevende levensjaar van Richard. Andere leeftijdsaanduidingen zijn twaalf jaar in het derde hoofdstukje naar aanleiding van Richards mislukte viool- en pianolessen en - weer in het eerste hoofdstukje - een terloopse opmerking over een ambitieus plan van Richard als veertienjarige:

Op mijn veertiende jaar had ik geen geringer levensdoel dan een encyclopaedie schrijven. Ik ben er herhaaldelijk aan begonnen.

Harry Mulisch had het eens moeten weten toen hij zich als drieënvijftigjarige amateur-filosoof aan De compositie van de wereld waagde! Schrijvers hebben kennelijk niet alleen de behoefte zichzelf te bestuderen, maar ze koesteren soms ook nog de ambitie te willen uitleggen hoe de rest van het heelal in elkaar zit.

Waarom wordt iemand schrijver? Toen de redactie van het Franse blad Libération (mars 1985) die vraag voorlegde aan Willem Frederik Hermans, antwoordde hij met een Franse

[p. 33]

versie van enkele fragmenten uit het Richard-verhaal Waarom schrijven?, dat ik om redenen van biografische chronologie op de tweede plaats in het hiervoor gegeven lijstje heb vermeld. Blijkens de datering eronder schreef Hermans die tekst op 24 augustus 1983 - hij was toen eenenzestig - en blijkens de inhoud heeft hij er herinneringen in verwerkt aan drie gebeurtenissen uit zijn jeugd, die zich respectievelijk afspeelden op zijn vierde, op zijn twaalfde en op zijn dertiende jaar. In overeenstemming met de in de titel gestelde vraag, gaat het om gebeurtenissen die betrekking hebben op het schrijven. Als vierjarige kleuter probeerde de kleine Richard een schoolboekje na te maken met behulp van pen en inkt: zijn poging leidde alleen maar tot klappen en huilen, omdat de inktpot omviel die toen nog tot het verboden speelgoed behoorde.

Een tweede poging zich als schrijver te manifesteren, deed Richard als twaalfjarige gymnasiast. Hij schreef een stukje over het folkloristisch gebruik van het midwinterblazen in Twente, waarvan hij een demonstratie had bijgewoond tijdens een logeerpartijtje.+ De bedoeling was dat zijn pennevrucht tot zijn eer en glorie zou worden gepubliceerd in de schoolkrant, maar toen die uitkwam moest Richard constateren dat zonder zijn ‘voorkennis en toestemming’ de ondertekening was gewijzigd en zijn naam niet voluit werd vermeld. Een eerste moeilijkheid met de uitgeverswereld, die bovendien gepaard ging met de teleurstelling dat de prestatie bepaald niet veel ‘opzien baarde’!

Volgt de derde manifestatie, die bestond uit deelname aan een voordrachtswedstrijd op het gymnasium. De wedstrijd was eigenlijk bestemd voor leerlingen van de hoogste klassen maar de kleine Richard mocht er op zijn uitdrukkelijk verzoek aan deelnemen, hoewel hij nog maar in de tweede klas zat. Zijn spreekbeurt over de in 1672 vermoorde staatsman Johan de Witt werd niet bekroond. Dit leidde Richard tot het bedroevend inzicht dat hij geen wonderkind was en dus ‘de klappen en schimpscheuten waaraan het thuis nooit ontbrak, volkomen had verdiend.’ Hij reageert op deze teleurstelling met een geweldige huilbui en zet daarmee een traditie voort die de lezer al heeft leren kennen uit zijn avonturen met De elektriseermachine van Wimshurst.

Er is meer dat aan dit vroegere verhaal herinnert. Allereerst natuurlijk het motief van het wonderkind dat geen wonder-

[p. 34]

kind blijkt te zijn maar veeleer een total loss, en vervolgens ook de brandende eerzucht van de kleine Richard, die zich ondanks alles wil waarmaken. Evenals in De elektriseermachine van Wimshurst wordt die eerzucht ingegeven of gestimuleerd door Richards grootmoeder. Zij heeft de gewoonte hem bij iedere wanprestatie koninklijke of artistieke wonderkinderen tot voorbeeld te stellen, waarvan zij het bestaan heeft leren kennen door sensatieverhalen in ‘een populaire krant’. De desbetreffende alinea's uit het vroegere verhaal worden bijna letterlijk herhaald en men mag veronderstellen dat Hermans hier wijzigingen zal aanbrengen bij een eventuele bundeling van de Richard-verhalen.

Ondertussen zal wel niemand willen beweren dat de hier vermelde jeugdherinneringen van wereldschokkende aard zijn. Dat zijn ze ook niet. Maar ze ontlenen hun betekenis en waarde aan de wijze waarop ze door de schrijver zijn verwerkt: waarop hij ze gemaakt heeft tot onderdelen van een groter geheel. En dat groter geheel is een beschouwing over het schrijverschap. De verdienste van die beschouwing zit voor mij vooral in het feit dat de in de titel gestelde vraag - Waarom schrijven? - wordt beantwoord door middel van een demonstratie. Al schrijvend laat Hermans zien hoe het schrijven in zijn werk gaat. De tekst is gestructureerd in tien minuscule hoofdstukjes. Ik citeer twee alinea's uit het eerste. Na te hebben gezegd dat schrijvers blijven schrijven, ook zonder dat hun werk enige weerklank vindt en kennelijk in de hoop op een uiteindelijke - desnoods postume - ‘triomf’, vervolgt de ik-verteller:

Geen wielrenner komt als eerste aan de eindstreep na het hoekje te zijn omgegaan, geen muzikant die lang geleden het concertpodium met schande overdekt verlaten heeft, wordt alsnog tot de grootste uitgeroepen na de kraaienmars te hebben geblazen. Geen verslagen schaakmeester behaalt het wereldkampioenschap op zijn sterfbed.
Maar jawel. Een enkele keer gebeurt het dat een honderd jaar geleden geschreven boek plotseling wordt ontdekt. Totaal onmogelijk is dit tenminste niet, al maak je 't zelden mee. In de verwachting van zo'n ontdekking heeft menige mislukte schrijver het antwoord gevonden waarom hij schrijft.
[p. 35]

De eerste alinea dient niet alleen op het vlak van de argumentatie als inleidend tegendeel van de tweede. Ze levert op stilistisch niveau een demonstratie van virtuoze taalbeheersing, die meteen kan gelden als tegenwicht ten opzichte van het mislukte schrijverschap dat pas later ter sprake komt. Niet zo heel veel prozaïsten weten als het ware moeiteloos de letterlijke betekenis te actualiseren van idiomatische uitdrukkingen die in de context van een verhaal tegelijkertijd hun gangbare figuurlijke betekenis blijven behouden.1

Intussen behelst de tweede alinea een antwoord op het in de titel gestelde probleem, dat maar ten dele wordt gedekt door de strekking van Hermans' verhaal. In feite suggereren de belevenissen van de kleine Richard immers drie redenen waarom iemand schrijver zou kunnen worden. Alleen de tweede daarvan correspondeert met het hier gegeven antwoord. Elders in ditzelfde verhaal schrijft Hermans:

Als je door niets dan de blinde drift een boek of geschrift te maken en met de inktpot te spelen begonnen bent, en de tweede stap gezet wordt uit ijdelheid of door de noodzaak eindelijk eens te worden bewonderd, volgt daaruit nog lang niet dat de laatste stap, die naar het spreken van de waarheid, ook nog zal worden genomen.

Blinde speeldrift, eerzuchtige behoefte aan bewondering of ontdekking, en ten slotte het spreken van de waarheid: Willem Frederik Hermans erkent deze drie beweegredenen als grond van ieder waarachtig schrijverschap, waartoe hij natuurlijk het zijne rekent. Het zal wel aan mij of mijn leeftijd liggen, maar zijn analyserende verklaring doet me minder dan een middeleeuws fragment van Jan van Boendale dat ik tientallen jaren geleden las en nog steeds niet kan vergeten:

[p. 36]
 
Een rechte dichtere, God weet
 
al waer hi in enen woude,
 
dat hi nemmermeer en soude
 
van dichtene hebben danc
 
nochtan soude hi herde onlanc
 
sonder dichten daer gheduren,
 
want het hoort te sire naturen;
 
hi en mochts niet laten, al woude hi.

De ware dichter kan niet nalaten te schrijven omdat het schrijven nu eenmaal in zijn natuur ligt, zei Boendale. Hij liep daarmee vooruit op de mening van een ‘poète maudit’ als Maurice Gilliams, die dezelfde stelling verdedigde met de biologische toelichting dat de lichamelijke constitutie van een dichter hem voorbestemt verzen te produceren zoals een schaaldier luchtbellen.

In vergelijking met dergelijke romantische uitlatingen, praat Willem Frederik Hermans veel meer op de toon van de redelijkheid maar met de kennelijke bedoeling van een apostel. Het spreken van de waarheid beschouwt hij als de laatste en hoogste fase van zijn schrijverschap. ‘Quid est veritas?’ vroeg tweeduizend jaar geleden een Romeinse landvoogd. Ik denk dat die vraag mutatis mutandis toepasselijk is op Hermans' moeilijkheden ten aanzien van zijn autobiografische Richard-verhalen. Ten opzichte van zijn literaire of politieke tegenstanders doet Hermans of hij de waarheid in pacht heeft; ten aanzien van zijn eigen biografie kan hij alleen maar hopen dat hij er ooit een schaduw van te zien krijgt.

 

In De Vlaamse gids van 1961 publiceerde Willem Frederik Hermans een essay onder de titel ‘Antipathieke romanpersonages’. Het werd in 1967 opgenomen in de vijfde, vermeerderde druk van de bundel Het sadistische universum. Hermans beweert in dit stuk dat het voor een schrijver alleen de moeite waard is geschreven te hebben, als hij heeft uitgesproken wat de mensen onbewust over en voor zichzelf wisten en wensten, maar wat ze steeds hebben verzwegen of verdrongen omdat het niet overeenkomt met de mythe van de geldende maatschappelijke moraal. Terugvertaald in de terminologie van Freud: alleen die schrijver is een waarachtige schrijver, die de moed opbrengt af te dalen in het duister van zijn eigen

[p. 37]

ik, om daar, in plaats van zijn ‘Ueber-Ich’, zijn minder fraaie ‘Es’ te ontdekken en in zijn geschriften aan het licht te brengen. Zo dachten schrijvers als André Gide en Maurice Gilliams er ook over, maar de manier waarop ze hun schrijvers-opdracht uitvoerden, vertoont hemelsbrede verschillen, die bepaald worden door hun stijl: door de meer of minder directe of verhulde wijze waarop ze hun waarheid tot taal laten worden.

Willem Frederik Hermans onderscheidt twee soorten (waarachtige) schrijvers, die men kortheidshalve kan aanduiden als memoralisten en fantasten. De laatstgenoemde soort brengt de verborgen gebleven waarheid aan het licht door zelf een mythologische werkelijkheid te scheppen, waarin de verborgen drijfveren van de menselijke ziel tot uiting komen in de fictieve gedragingen van fictieve personages. Die fictieve personages maken noodzakelijkerwijze een antipathieke indruk op de gemiddelde lezer. Want de gemiddelde lezer vertrekt van het standpunt van het maatschappelijk geconditioneerde ‘Ueber-Ich’, waarin nu eenmaal geen plaats is voor verborgen drijfveren. Het ‘Ueber-Ich’ is in feite een samenstelsel van (voor-)oordelen dat op een bepaald moment in een bepaalde groep als normgevend wordt aanvaard: het is, met andere woorden, een mythe die noodzakelijkerwijze in conflict komt met de mythe van de schrijver. Deze laatste immers probeert de normgevende maatschappelijke mythe te ontmaskeren, door de verborgen simpele of gruwelijke waarheid van de mens in de vertelde wereld van zijn eigen mythe aan het licht te brengen. Willem Frederik Hermans beschouwt zichzelf als een fantastisch of mythisch schrijver. Tot de memoralistische schrijvers rekent Hermans alle auteurs van dagboeken, (pseudo-)autobiografieën en romans in de ik-vorm. Ze schrijven bekentenis-literatuur en worden ook op grond van de echtheid of waarachtigheid van hun bekentenissen gewaardeerd, ongeacht de ondeugden of monsterlijkheden die ze hun lezers daardoor voorhouden als een spiegel:

De oprechtheid en moed van de bekentenis zijn, zo wordt stilzwijgend aangenomen, deugden die alle opgebiechte ondeugden in de schaduw stellen. Lezers waarderen de schrijver van bekentenissen als zij denken: ‘ik ben een monster, maar ik ben gelukkig het enige monster niet;
[p. 38]
ook deze schrijver was een monster en durfde er rond voor uit te komen.’

Hier ligt de grote moeilijkheid van de autobiografie die W.F. Hermans, volgens zijn eigen zeggen, nog niet overwonnen heeft. Als de waarachtigheid het waarderingscriterium voor deze soort literatuur uitmaakt, mag de schrijver alleen maar hopen dat zijn bekentenissen als echt worden geaccepteerd, zolang zijn lezers mogen geloven dat hij alleen maar de waarheid spreekt. Er is geen plaats voor leugen en verbeelding. En er blijft eigenlijk ook weinig of geen ruimte voor selecties van herinneringen, op grond van het feit dat ze ‘minder vervelend’ zouden zijn en er dus met ‘meer animo’ over geschreven kan worden.

Bij gelijk talent lijkt het mij gemakkelijker vervelende algemene waarheden over de mensheid als geheel te verbeelden, dan vervelende particuliere feiten over zichzelf te bekennen. In het prozastuk Waarom schrijven? slaagt Willem Frederik Hermans het best in de gemakkelijkste opdracht. Bijvoorbeeld waar hij in het zesde hoofdstukje van zijn verhaal overgaat van de verleden tijd naar de tegenwoordige tijd, en van de ik-vorm naar de wij-vorm, om een alledaags verschijnsel om te scheppen tot een uitzonderlijk beeld van onze onherroepelijke vergankelijkheid:

Wij zijn als regendruppels tegen het raam van een voortrazende trein geblazen, die met kleine rukjes verderkruipen; niemand kan precies voorspellen welke weg ze zullen volgen, al komen ze op den duur wel allemaal aan de rand van het glas terecht, om te vervloeien en te verdwijnen.

Het is maar net wat je met een beeld doet. In zijn roman Dr. Dumay verliest... schreef Menno ter Braak:

De trein was midden in de regenbui. Dumay schoof het raampje weer dicht. Het water droop in vette stralen langs de ruiten: gewichtig ijlden de droppels langs scheve banen, tot zij ergens verdwenen, of elkaar ontmoetten en in elkaar opgingen, om nog gewichtiger hun weg voort te zetten. Het is bijna een symbool van het leven, dacht Dumay, glimlachend om zijn banale bedenksel.
+De jeugdige Hermans over het midwinterblazen. ‘In de eerste klas had ik al 'ns een stuk over midwinterblazen geschreven’: W.F. Hermans in een interview met Ischa Meijer, H.P.-Magazine, 28-X-1970, herdrukt in Frans A. Janssen (ed.) Scheppend nihilisme. Interviews met Willem Frederik Hermans3, Amsterdam 1983, p. 227.
1Ter verduidelijking citeer ik de eerste alinea in de Franse vertaling uit het speciaal schrijversnummer van Libération, mars 1985: ‘Aucun coureur cycliste ne franchit en vainqueur la ligne d'arrivée après avoir fait un tour dans l'autre monde; aucun écorcheur de notes, chassé des salles de concert avec infamie, ne voit proclamer son génie après que sa marche funèbre a retenti. Aucun champion d'échecs battu ne remporte finalement le titre mondial sur son lit de mort.’
terug  begin  verder