terug  begin  verder
[p. 39]

5

Het in Snoecks almanak van 1979 gepubliceerde Richard-verhaal Een tourist bestaat uit vijf korte hoofdstukjes, waaraan een inleidinkje van zes zinnen voorafgaat dat ‘de gelukkigste dag’ van Richards schooljaren aankondigt. Die uitzonderlijke dag wordt beschreven in het eerste hoofdstukje. Als leerling van de tweede klas van het gymnasium neemt Richard deel aan een natuurwandeling met een sympathieke biologieleraar. Hij wordt die dag bij uitzondering niet gesard of geslagen en herinnert zich nog de groepsfoto waarop hij vol trots naast de leraar staat. Wie W.F. Hermans' Fotobiografie opslaat, kan die foto terugvinden en ook Willem Frederiks eindrapport uit klasse II A, dat voor ‘natuurlijke historie’ desondanks het matige resultaat van 6 punten op 10 vertoont. Dat gebeurde in het schooljaar 1934-1935: Willem Frederik Hermans was toen dertien jaar.

Het tweede hoofdstukje van dit verhaal gaat uitsluitend over Richards vader, die door de verteller wordt gekarakteriseerd als onhandig en onsportief, niet bepaald ondernemend tot lui, slecht van geheugen tot weinig intelligent, en bovenal zuinig tot gierig. In het derde en het vierde hoofdstukje vertelt Richard hoe zijn vader hem beloofde de in het eerste hoofdstukje beschreven natuurwandeling met hem over te doen en hoe die hele onderneming mislukte: ten eerste omdat zijn vader toen het erop aankwam niet op tijd uit zijn bed wilde komen, en ten tweede omdat alles tijdens de verlate wandeling veel minder mooi was dan de eerste keer... ‘Ik denk dat ik hem pas jaren na zijn dood echt vergeven heb, toen ik net zo oud was als hij toen: drieënvijftig jaar,’ schrijft de verteller. En daarmee vertelt hij en passant dat hij zijn verhaal in ieder geval pas schreef na 1974.

In het slot van het vierde en in het vijfde hoofdstukje leren we Richard kennen als lid van de ‘Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie’: volgens de verteller een ‘unieke vereniging’, waarvan heel wat voormalige bestuursleden het later tot hoogleraar hebben gebracht, terwijl er één zelfs de Nobel-

[p. 40]

prijs voor fysiologie verwierf. Als lid van de N.J.N. maakte de gymnasiast Richard drieweekse kampeerreizen naar Terschelling en Zuid-Limburg. Aan de hand van Hermans' Fotobiografie kan worden vastgelegd dat de eerste reis plaats had in augustus 1937 en de tweede in 1938. De moeilijkheden begonnen in de zomer van 1939, toen Willem Frederik alias Richard zeventien jaar was, in de vijfde klas zat en een grote belangstelling voor geologische formaties had ontwikkeld. De toekomstige fysische geograaf werd dat jaar gekozen als deelnemer aan het voorbereidend N.J.N.-kamp van één week. Maar hij kreeg van zijn ouders geen toestemming tot deelname, omdat ze vonden dat er in zo'n ‘voorkamp’ niet voldoende toezicht van ouderen aanwezig was. Toen een dagen lang durende ‘aanval van razernij’ hun standpunt niet veranderde, zag Richard zich verplicht de vererende uitnodiging af te slaan. Hij schaamde zich zo diep dat hij de ware reden van zijn weigering niet durfde noemen en hij nam op eigen initiatief ook geen deel aan het hoofdkamp. Als volwassen verteller schrijft Richard:

Ik was gecompromitteerd en in dat milieu van ernstige natuurvorsers totaal belachelijk geworden, zo voelde ik dat. Doorzien, ontmaskerd, nooit meer ernstig te nemen, een tourist. Nadien begon een vage hekel aan de levende natuur bij mij te ontstaan. Ik bemoeide me verder maar niet meer met de activiteiten van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.

Dat kinderen niet weten wat ze hun ouders soms aandoen, is een waarheid die ouder lijkt dan de weg naar Kralingen. De onheilen die in omgekeerde richting worden aangericht, heb ik zelden schrijnender zien uitgebeeld dan in de Richard-verhalen van Willem Frederik Hermans.

Als in het derde hoofdstukje van dit verhaal Richards biologische vader de plaats zal gaan innemen van de biologie-leraar die zijn ideale vader is, schrijft de verteller:

Ik zou met mijn vader alleen gaan, zonder mijn zusje en we zouden precies dezelfde route volgen, als ik afgelegd had met meneer Vos.
Ik kon mijn geluk niet op, want eigenlijk zou ik veel van mijn vader hebben willen houden en was ik blij als hij eens iets deed dat mijn steeds teleurgestelde liefde een reden gaf.
[p. 41]

Ik kan zo 'n zin niet lezen, zonder herinnerd te worden aan een paar andere zinnen, in het tuintjesfragment uit De elektriseermachine van Wimshurst:

Ik loop al maanden rond met het plan een aardappel, niet meer dan een, in het tuintje te poten en volgend jaar mijn moeder te verrassen met een tas vol aardappelen van eigen teelt. Aardappelen van eigen bodem op de tafel van een bovenhuis, drie hoog, dat is nog nooit eerder vertoond. Misschien zal zij het dan niet kunnen laten eindelijk genoeg van mij te houden...

De structuur van Een tourist berust in feite op de confrontatie van twee motieven: het vadermotief en het natuurvorsingsmotief. In het eerste hoofdstukje wordt de mooie werkelijkheid van het tweede motief verbonden met het gesublimeerde vadermotief in de gedaante van de ideale biologieleraar. Het tweede hoofdstukje geeft gestalte aan de negatieve realiteit van het vadermotief, terwijl het derde en het vierde verbeelden hoe de synthese van de twee motieven mislukt, door toedoen van de vader als summum van de gezapige indolentie. In het vijfde hoofdstukje wordt het natuurvorsingsmotief ten slotte definitief vernietigd door het onbegrip van de vaderlijke almacht, met als resultaat een ongeneselijk trauma van de jonge Richard.

Als een proeve van Hermans' virtuositeit beschouw ik het feit dat hij de ondergang van het natuurmotief haast ongemerkt weet te verbinden met het modieuze motief van de verpesting en aantasting van de natuur in het algemeen. Men leze zijn klacht over de teloorgang van het natuurschoon bij Ankeveen en op het eiland Texel. Wie niet van plan was groen of ecolo te stemmen, zou dat alsnog kunnen doen nadat hij het verhaal De tourist heeft gelezen: mits hij althans tevoren nog niet was doordrongen van het fundamentele relativiteitsbesef dat W.F. Hermans' andere werken kenmerkt.

terug  begin  verder