terug  begin  verder
[p. 54]

7

Het met Menno ter Braak verwante of verwarde fictieve schrijverspersonage Otto Verbeek treedt niet alleen op in Hermans' verhaal Het grote medelijden. In zijn bundel Een landingspoging op Newfoundland (1957) staat het in Canada spelende verhaal Een veelbelovende jongeman, waarin de overmatig vereerde Hollandse essayist eveneens een rol speelt. Het verhaal heeft de datering ‘Campbellton, okt. '48/Amsterdam, aug. '49’ en gaat over de jonge, Hollandse dichter Sebastiaan Klok, die in een Canadese houthandel werkzaam is en met driehonderd dollar uit de kas van zijn baas vertrekt in de richting van de Niagara Falls: een tocht die deze veelbelovende jongeman beschouwt als een vlucht uit de ‘burgermaatschappij’ naar het romantische elysium ‘achter de einder’ (Slauerhoff).

Bij de moeizaam bereikte Niagara Watervallen komt Sebastiaan tot de ontdekking dat zijn vlucht hem alleen maar heeft geleid naar datgene wat hij wilde ontvluchten. Hij ziet brave burgers die kitscherige souvenirs kopen en hoort een carillon dat als toppunt van ongewenste herkenning het oude vaderlandse lied ‘Wien Neerlands bloed’ speelt. Tevoren heeft hij dan al een reusachtige speeldoos gezien, waaruit ontstemde (sic) fragmenten van ‘Dichter und Bauer’ opklinken. ‘Wie oren heeft om te horen, die hore’, constateert de bijbelvaste lezer.

De deftige boulevard waarop Sebastiaan bij de Niagara wandelt, herinnert hem aan ‘de diplomatenbuurt van een grote hoofdstad’. Ze zou de combinerende lezer van na 1967 kunnen herinneren aan de tocht van Richard naar Parijs, waar hij terechtkomt in de diplomatenbuurt van zijn burgerlijke zwager Friso, met wie hij ten slotte braaf naar het kleine vaderland terugreist. Parijs is volgens Richard, én volgens W.F. Hermans, bij uitstek het kosmopolitisch artistiek centrum waar een Hollandse auteur zou kunnen ontkomen aan zijn natuurlijke provincialistische omgeving. Maar de tijdelijke uitwijking naar Parijs van de erkende schrijver Richard ver-

[p. 55]

andert in wezen even weinig als de vlucht naar de Niagara Falls van de veelbelovende dichter Sebastiaan. Ten einde raad wendt de jonge emigrant zich tot een psychiater, die toevallig dr Herman F. Williams heet. De hoofdpersoon gaat met andere woorden te rade bij zijn eigen auteur (‘Un personaggio in cerca d'autore’). Hij ontdekt dat het zijn lot is een Hollandse dichter en een Hollandse boer of burger tegelijk te zijn. Het Hollandse vaderland draagt hij onontkoombaar mee in zijn borst, en door een Hollandse schrijver te zijn, verricht hij eigenlijk de meest vaderlandse bezigheid die iemand zich kan indenken.

Het zijn bekende geluiden. Anno 1950 schreef Willem Frederik Hermans in Critisch bulletin dat buitenlandse boeken en verblijven in Parijs een Hollander nooit zullen kunnen verlossen van zijn geborneerde burgerlijkheid, die het gevolg is van het christelijk of humanistisch ‘koekendeegidealisme’ waarmee hij werd grootgebracht. En een Hollandse schrijver is wel de allerlaatste die zich zou kunnen onttrekken aan zijn nationaliteit. Hermans heeft die stelling nadien nog enkele malen herhaald en toegelicht in interviews. Onder meer toen hij in 1963 zijn nooit verschenen ‘boek’ Het grote medelijden aankondigde als een verzameling episoden op een thema dat men ‘het failliet van het reizen’ zou kunnen noemen:

De hoofdpersoon van het boek is sterk gekant tegen de Nederlandse ambiance, alles hangt hem de keel uit. Hij probeert er aan te ontsnappen door te reizen, maar dat lukt hem niet. Door het feit dat hij schrijft, moet hij er zich bij neerleggen dat hij onherroepelijk aan Nederland is gebonden. Iedere schrijver, of hij het leuk vindt of niet, is onherroepelijk aan zijn vaderland gebonden. Je kunt nog zo'n grote anti-patriot zijn, je vaderland blijft de enige authentieke materie. Ik weet niet waardoor het komt dat ik het schrijven als voornaamste levensvervulling heb gekozen, terwijl ik zo de pest heb aan Nederland. Misschien ben ik een masochist, wie zal het zeggen.+

Behalve Richard, groeten wij en passant de uit Indonesië repatriërende Lodewijk Stegman, uit de roman Ik heb altijd gelijk: wij zullen hem nog terugzien. Wat onze dichtende emigrant Sebastiaan Klok betreft, kunnen we opmerken dat hij besluit van de dwalingen zijns weegs terug te keren. Hij

[p. 56]

neemt de trein die hem weer bij zijn baas zal brengen, terwijl hij het berouwvolle voornemen maakt de ontvreemde driehonderd dollars ongemerkt in de kas terug te leggen. Het avontuur is voorbij.

In de trein raakt hij in gesprek met een vriendelijke oude dame, die hem vertelt dat hij veel op haar gestorven zoon George lijkt. George was een ‘veelbelovende jongeman’ die ‘prachtige gedichten’ schreef maar helaas in de oorlog is gesneuveld. Hij werd als vliegenier neergeschoten daags voor de Duitsers capituleerden. Een nutteloze dood, denkt de cynische lezer. Maar de ogen van de jonge dichter Sebastiaan schieten vol tranen. Hij blijft sprakeloos zitten, terwijl hij tegen de dame had willen zeggen ‘hoe jaloers hij was op haar George’.

 

Het is tijd om terug te keren naar Otto Verbeek, die volgens Richard Simmillion volkomen nutteloos zelfmoord pleegde op de dag dat de Duitsers Holland binnenvielen. Sebastiaan Klok had al gedichten gepubliceerd vóór hij naar Canada vertrok en hij was bovendien redacteur van een literair tijdschrift dat tijdens zijn afwezigheid een fusie aanging met een ander tijdschrift. Sebastiaan verneemt dat uit de brief van een vriend en mederedacteur, wiens specialiteit bestaat uit het schrijven van essays over de essays van de overleden denker Otto Verbeek. Het nieuwe tijdschrift functioneert min of meer als mausoleum voor de grote Otto Verbeek en diens nagelaten papieren: ‘Als je het las, had je de indruk dat de geschiedenis vijftien jaar was blijven stilstaan,’ schrijft de verteller van Een veelbelovende jongeman. En de lezer mag raden of hij daarbij het standpunt van de briefschrijver of van de schrijver van het verhaal in zijn geheel vertegenwoordigt. De biografie van Willem Frederik Hermans leert dat de schrijver op 5 juli 1948 naar Canada vertrok, waar hij tot december van dat jaar werkzaam was als assistent-controleur van een houtfirma.+ Hij had toen al zijn gedichtenbundel Horror caeli gepubliceerd en was redacteur van het tijdschrift Criterium, dat in 1949 tegen zijn zin samensmolt met Libertinage:+ het laatstgenoemde tijdschrift had in 1948 zijn eerste jaargang geopend met uitvoerige loftuitingen op Menno ter Braak en telde onder zijn latere redacteuren de uit Suriname afkomstige dichter R. van Lier,+ omtrent wie Adriaan Morriën met

[p. 57]

kennelijk leedvermaak meedeelt dat hij de zwager werd van W.F. Hermans, die hem tegenover Morriën ‘jarenlang had gekleineerd en belachelijk gemaakt’. Ik ontleen dit laatste roddelgegeven aan Adriaan Morriëns brochure De gruwelkamer van W.F. Hermans of Ik moet altijd gelijk hebben (1955). In dit geschrift en in W.F. Hermans' bundel Mandarijnen op zwavelzuur (1963) staan allerlei keukengeheimen en keukenruzies uit het toenmalige literaire wereldje in de provincie Holland.

Hermans wijdt in Mandarijnen op zwavelzuur nogal wat bladzijden aan Menno ter Braak. Hij citeert het hiervoor al vermelde citaat uit Ter Braaks Journaal 1939 over de rijkdom van Gide, en karakteriseert Ter Braak als een ressentimentsmoralist met een ontmaskeringscomplex. Op pagina 57 doet Hermans een merkwaardige bekentenis. Hij zou Ter Braak willen verwijten dat een achterlijk ‘jongelingschap’ van epigonen zich nog tientallen jaren na zijn dood bezighoudt met het ‘nakakelen en becommentariëren’ van zijn verward moralistisch geschrijf. Een eigenaardige verschuiving: Hermans is geneigd Ter Braak zelf verantwoordelijk te stellen voor de overschatting die hem postuum ten deel viel. Zijn woordkeus nadert daarbij de karikatuur waarmee de verering van Otto Verbeek wordt verbeeld in Een veelbelovende jongeman. Dat is nog duidelijker het geval op pagina 67 van de Mandarijnen, waar gesproken wordt over Ter Braaks bewonderaars ‘die hem hanteren, imiteren, citeren (en) hem gebruiken om andere schrijvers te terroriseren’.

De door mij gecursiveerde zinsnede bevat een eerste verklaring voor Hermans' afkeer van Menno ter Braak. Diens postume roem stond de komende roem van Willem Frederik in de weg: ‘ôte-toi de là que je m'y mette’. Baudelaire was bang dat zijn Poèmes en prose onopgemerkt zouden blijven vanwege de komende roman Salambô van Flaubert, en Flaubert stelde op zijn beurt de publikatie van zijn roman geruime tijd uit, omdat in die periode Les misérables van Victor Hugo op de markt kwam. De jonge schrijver Willem Frederik Hermans stond ook niet graag in de schaduw. Maar hij zocht de oplossing veeleer in het omhakken van de sparreboom die verhinderde dat de volle zon op hem scheen.

Tot zijn mederedacteuren van het tijdschrift Criterium behoorde de Vlaamse dichter Maurice Gilliams.+ Op bladzijde

[p. 58]

83 van de Mandarijnen schrijft Hermans dat hij Gilliams maar één keer gezien heeft, omdat de dichter ‘bleef mijmeren te Antwerpen’. Zoals blijkt uit Hermans' lovende bespreking van Gilliams' journaal De man voor het venster (in De baanbreker van 27 juli 1946), ontging het hem niet dat Maurice ook weleens schreef terwijl hij mijmerde. In het essayistisch werk van Maurice Gilliams kan men zeer rake opmerkingen aantreffen over het wezen van de kunst en het engagement van de kunstenaar. Bijvoorbeeld over ‘het opstandig actief en agressief’ optreden van ‘het scheppend individu’, dat nu eenmaal de opdracht heeft het ‘vóór zijn komst bekende’ in de wereld buiten hem te verdringen. Juist deze scheppende vernietigingsdrang van de kunstenaar bepaalt volgens Gilliams zijn waarde als artist en zijn waardigheid als mens.

Willem Frederik Hermans verdrong niet alleen impliciet het vóór hem bestaande door de vernieuwende kracht van zijn romans. Hij deed dat ook expliciet door de vernietigende kracht van zijn polemiek. Vóór zijn eigen romans werden gepubliceerd had hij al ruimte vrij gemaakt door zijn polemische opruimingswerkzaamheden in diverse tijdschriften. Een belangrijk aspect van zijn ‘scheppend nihilisme’ was het gieten van zwavelzuur op mandarijnen die te veel plaats (zijn plaats!) innamen op de fruitschaal van de Nederlandstalige literatuur. Menno ter Braak was voor hem kennelijk meer dan een gewone mandarijn: misschien een verzuurde of verschrompelde sinaasappel, of veeleer een reusachtige pompelmoes met een bittere nasmaak.

 

Ik vertel geen nieuws, als ik veronderstel dat Menno ter Braak ook nog om andere redenen in de weg stond van Willem Frederik Hermans. Ter Braak schreef destijds furore makende essays als Het carnaval der burgers, Afscheid van Domineesland en Demasqué der schoonheid. Het is niet moeilijk op te merken dat Hermans in feite de ontmaskeringswerkzaamheden van Ter Braak voortzet. Maar er is een verschil in intensiteit en extensie. Hermans' ontmaskeringswoede treft niet alleen de al door Ter Braak getroffen christelijke en ethischesthetische woordzwendelaars (de humanistische literator en moralist dr Menno incluis), maar betreft en treft bovendien het door hen gehanteerde instrument. Hij hoefde niet te wachten tot Wittgenstein in de mode kwam, om zijn lezers

[p. 59]

duidelijk te maken dat de taal hopeloos te kort schiet om uitdrukking te geven aan de chaos die de realiteit van het leven is en aan de ondenkbaarheid van levensvragen waarvoor moralistische denkers als Menno ter Braak een oplossing in petto, of liever in woorden meenden te hebben. Men herleze de ‘Preambule’ en de laatste bladzijde van Hermans' verhalenbundel Paranoia, uit 1953. Die laatste bladzijde behelst het slot van het verhaal Lotti Fuerscheim, dat de datering ‘Parijs, sept. '49’ draagt. Er staat:

Gesteld er zou een wezen hebben bestaan dat in staat zou zijn geweest Bernard's leven, Bernard's herinneringen aan zijn leven, zijn ideeën, zijn systemen, zijn gesprekken, zijn gedachten, ja ook zijn emoties, kortom alles vast te leggen met de nauwkeurigheid van een geluidsfilm, hij zou er geen enkel systeem in kunnen hebben ontdekken, het zou een chaos zijn geweest, een kosmische chaos. Het zou zijn geweest alsof Bernard nooit had bestaan.

Ik herinner aan de hiervoor besproken worsteling met denkbaarheden en woorden van de schrijvende Richard in De elektriseermachine van Wimshurst. Maar Richard bestáát, en hij dankt dat primordiale feit aan zijn biologische vader. Richard denkt, leest en schrijft: en deze minder direct voor de hand liggende bezigheden zijn alleen maar mogelijk dank zij het bestaan van geestelijke vaders. Men kiest zelf zijn vaders niet, maar men kan ze zelf wel afwijzen. ‘Mijn leermeesters heetten Nul, Niks, Niemand en Niemendal’, staat er in Het grote medelijden.

De belangrijkste taak van de schrijvende Richard schijnt te bestaan uit de afrekenende ontmaskering van alle mogelijke en onmogelijke vaderfiguren. Otto Verbeek was zo'n geestelijke vaderfiguur voor de dichtende Sebastiaan in Canada en voor de naar erkenning en roem strevende romanschrijver Richard in Parijs. Menno ter Braak werd in het Hollandse literaire wereldje als lichtende vaderfiguur opgedrongen aan de jonge Amsterdamse of Groningse schrijver W.F. Hermans. Willem Frederik wees Ter Braak niet alleen af omdat hij hem de weg naar het monopolie van de roem versperde. Als (bijna) alle vaders was Ter Braak een moralist. En volgens Hermans' ‘scheppend nihilisme’ is iedere moraal zinloos, omdat het leven als zodanig zinloos is. In de hiervoor

[p. 60]

genoemde ‘Preambule’ staat:

De mensheid denkt in een orde die niet werkelijk bestaat en is blind voor de oorspronkelijke chaos. (...) Doordat onze woorden in aantal beperkt zijn (en beperkt moeten zijn) is er herhaling, ja, maar geen werkelijkheid. Wij leven in een vervalste wereld. Er zijn alleen dezelfde woorden die worden herhaald, maar er wordt niets mee gezegd. Er is in onze talen maar één werkelijk woord: chaos.

Volgens W.F. Hermans ontsnapt alleen het wetenschappelijk denken aan de chaos, omdat het niet-talig is en de onzekerheden eruit worden geweerd. Maar Menno ter Braak is een typische vertegenwoordiger van het niet-wetenschappelijk taaldenken. Al schrijvend speelt hij met moralistische stelsels en waarden die alleen maar bestaan als hersenschimmen en niets te maken hebben met de concrete feiten in de dagelijkse werkelijkheid. De realiteit is volgens Hermans dat de solidaire domheid van het overgrote deel van de mensheid praktijken mogelijk maakt die rechtstreeks in strijd zijn met abstracta als ‘moraal’ en ‘menselijke waardigheid’. Die domheid is even verachtelijk als de praktijken in kwestie, en leidt daarom tot even grote haat. Vandaar dat Hermans met een bittere variant op Zarathustra kan schrijven: ‘Ik verkondig de absolute misanthropie, zonder waardigheid, zonder moraal.’ (Mandarijnen op zwavelzuur, p. 153 en p. 63).

Tegenover de ontmaskering van het ressentiment van Ter Braak, stelt Hermans de volmondige erkenning van de wraakzucht die alleen door het schrijven kan worden voldaan. ‘Ik heb geschreven om wraak te nemen,’ erkent Richard aan het slot van Het grote medelijden. En de conclusie van het verhaal is de al eerder geciteerde ellips: ‘Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misanthropie.’ Het tweede element uit dit drieluik vraagt een toelichting.

In de geschriften van W.F. Hermans wordt het substantief ‘medelijden’ soms verbonden met onverwachte adjectieven.+ Voor de zielige zelfmoordenaar Otto Verbeek koestert Richard ‘groot en onstuimig’ medelijden en blijkens een passus uit zijn Fotobiografie veranderde de haat van Willem Frederik Hermans voor zijn ouders in een bijna ‘satanisch’ te noemen medelijden, bij gelegenheid van een familiedrama dat ik hierna nog zal bespreken. Ook in de Mandarijnen op zwavel-

[p. 61]

zuur betuigt Hermans herhaaldelijk zijn medelijden met literaire tegenstanders: de lezer krijgt de indruk dat er op zo'n moment geen verdere discussie meer mogelijk is, omdat de polemist een voldoening schenkend eindpunt heeft bereikt in de overtuiging dat zijn vijand definitief verslagen is. Het woord ‘medelijden’ heeft in zulke gevallen natuurlijk niets te maken met de christelijke deugd van samaritaanse sympathie, maar duidt veeleer op inzicht in de beklagenswaardige situatie van de medemens, ten gevolge van diens eigen hatenswaardige eigenschappen, zoals domheid, of gebrek aan zelfkennis en werkelijkheidszin. Dit soort met gewapende vrees vermengd medelijden, heeft op degene die het koestert een geruststellende en zuiverende uitwerking. Het is in zekere zin vergelijkbaar met de loutering van vrees en medelijden die volgens de Aristotelische katharsisleer bij de toeschouwer wordt opgewekt door de ondergang van de ongelukkige held in een Grieks treurspel.

 

Van De tranen der acacia's (1949) tot en met De zegelring (1984) heeft de schrijver Willem Frederik Hermans voorkeur en talent getoond voor het motief van de oorlog. Dat lijkt me niet alleen te verklaren vanuit het biografische feit dat hij in oorlogstijd is opgegroeid en als ondergedoken student in de jaren veertig zijn eerste verhalende teksten schreef. In een goede roman is een belangrijk episch motief tegelijkertijd een ethisch motief. De wereldbeschouwing of het mensbeeld van Hermans' literaire werk wordt bepaald door een mentaliteit en een levenswijze die in de gedragingen van mensen in oorlogstijd het duidelijkst naar buiten treden. De oorlog lijkt voor deze schrijver een natuurlijk leefklimaat. Hier heersen de onzekerheden en dubbelzinnigheden die zelfs de identiteit van de personages kunnen aantasten - ik wijs op het verhaal Paranoia en op de roman De donkere kamer van Damokles - en hier vindt de ontmaskering plaats van de grote woorden als decoratieve camouflage van abstracte schijnwaarden. Aanvankelijk gebeurt dat op een toon van (melo-)dramatische verbittering of smart; later komt er wat meer plaats voor distantie-scheppende ironie.

Dat laatste is met name het geval in de roman Herinneringen van een engelbewaarder (1971), waarin als verteller de bewaarengel van de hoofdpersoon optreedt. Deze hoofdpersoon is

[p. 62]

als officier van justitie een boven alle verdenking verheven vertegenwoordiger van een verheven maatschappelijke waarde: ‘Un cittadino al di sopra di ogni sospetto.’ Desondanks gaat hij al vóór de oorlog werkelijk uitbreekt - namelijk op 9 mei 1940 - duidelijk in de fout. En zijn verdere activiteiten gedurende de vrijheidsstrijd van het vaderland zijn er uitsluitend op gericht zich aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken en zijn eigen hachje te redden.

Terugkomend van een tocht waarbij hij zijn joodse vriendin uit het land heeft kunnen smokkelen door middel van ‘valsheid in geschrifte’ die ‘zij hem met haar lichaam betaald had’, neemt de punctuele gerechtsdienaar - om tijdig op de rechtbank te kunnen zijn! - een kortere maar verboden weg. Hij rijdt dan een (joods) meisje dood wier lijkje hij verbergt in de struiken. De verteller-engelbewaarder geeft een onthullende verklaring voor de oorzaak van het ongeval en daardoor eigenlijk ook voor alles wat er aan huichelarij en lafheid uit voortvloeit. Het komt omdat hij - de engelbewaarder dus - zich de luxe heeft gepermitteerd zijn aandacht te richten op hogere abstracta, in plaats van zich te beperken tot de concrete praktijk van zijn gewone dagtaak:

Ik geef toe dat mijn gedachten zich van mijn beschermeling hadden afgewend om zich meer met het lijden van de mensheid in haar geheel bezig te houden dan met de smart van deze ene mens. Misschien is dat de oorzaak waardoor er nu dan ook een verschrikkelijk ongeluk gebeurde.

Onze officier van justitie probeert aan de justitie te ontsnappen door uit te wijken naar Engeland. Om tegelijkertijd tegenover de justitie in orde te zijn, gebruikt hij als pretext het gerucht dat zijn naam, eventueel verward met die van zijn pseudo-kunstschilderende broer, zou voorkomen op een opsporingslijst van de Duitse geheime politie. De ontsnappingspoging naar Engeland mislukt en de broer pleegt zelfmoord, in de potsierlijke overtuiging dat de nazi's hem zochten vanwege zijn gedurfde kunstopvattingen. Later blijkt dat geen van de broers op de lijst voorkomt. In Het grote medelijden staat er over de zelfmoord van Otto Verbeek dat een schrijver ‘zijn denken wel erg (zou) moeten overschatten om er zelfmoord voor te plegen’. En:

Groot en onstuimig is mijn medelijden. Zijn vrienden
[p. 63]
vertellen dat de Duitsers hem op de zwarte lijst geplaatst hadden die gevonden was in een neergeschoten bommenwerper. Het is niet waar, hij stond er niet op. Arme Verbeek, niet de moeite waard zeker. Maar het kan best wezen dat zijn vrienden ook hem verteld hebben van wel.

Het motief van de zelfmoord in de meidagen van 1940 is in de eerste plaats een historisch motief. In het derde deel van Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog schrijft Prof. dr Lou de Jong dat er door het hele land honderden zelfmoordpogingen hebben plaatsgevonden, waarvan er alleen al onder joodse stadgenoten in Amsterdam 120 tot het gewenste resultaat leidden. Ook Annie Romein-Verschoor schrijft in haar herinneringsboek Omzien in verwondering over ‘de treurige oogst van de zelfmoorden’ en de angst van degenen die ooit eens iets tegen de nazi's geschreven hadden.

In het oeuvre van W.F. Hermans heeft het zelfmoordmotief in de oorlogsdagen een speciale betekenis, die wordt toegelicht in zijn Fotobiografie. Daar staat naast een overlijdensadvertentie van de eenentwintigjarige juridische kandidate Cornelia Geertruida Hermans de volgende tekst:

Op 14 mei 1940, kort nadat het Nederlandse leger zich aan de Duitsers had moeten overgeven, bleek dat mijn zuster zich had laten doodschieten door een oudere neef van ons, een politie-functionaris die daarna de hand aan zichzelf sloeg.
Mijn haat tegen mijn ouders veranderde toen in een bijna satanisch te noemen medelijden, omdat dit juist hun oudste kind overkwam, die altijd het gewilligste was geweest en waarvan zij grote verwachtingen hadden gekoesterd. Te denken gaf mij ook het feit dat zelfs in onze familie een familiedrama bleek te kunnen voorkomen. Trouwens, heel dat solide voor-oorlogse Nederland was van de aardbodem weggevaagd.

Volgens de Fotobiografie had het drie jaar oudere zusje van Willem Frederik Hermans' ‘al zeer jong een maatschappelijk gerichte belangstelling’ met pacifistische idealen. Zij laboreerde op haar wijze aan grote woorden en abstracte waarden, die geen stand bleken te houden tegen de harde realiteit toen in de meidagen van 1940 het vooroorlogse Hollandse

[p. 64]

wereldje ‘van de aardbodem (werd) weggevaagd’.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat er verband bestaat tussen dit schokkende familiedrama en het terugkerend motief van de zelfmoord in het literaire werk van W.F. Hermans. Elders in de Fotobiografie staat:

Ik mag er geen geheim van maken, dat ik, op mijn herinnering afgaande, slecht met mijn zusje kon opschieten. Zij werd me door mijn ouders altijd ten voorbeeld gesteld. Haar rapportcijfers waren ook veel beter dan de mijne en zij ging elk jaar ‘cum laude’ over, wat toen nog bestond op het gymnasium. Ik had het gevoel dat ik in dat opzicht haar niet kon overtreffen en dat ik het over een andere boeg moest gooien.

Het schooljongetje Wim Hermans stelde zich ten aanzien van zijn alom geprezen zusje dezelfde taak als de schrijvers Willem Frederik Hermans en Richard Simmillion tegenover de alom geroemde en beroemde essayisten Menno ter Braak en Otto Verbeek. In beide gevallen kon het doel alleen maar worden bereikt door het ‘over een andere boeg’ te gooien: dus door het totaal anders en beter te doen. En in beide gevallen bleef een directe zegepraal uit, omdat de tegenstander zich aan een openlijke confrontatie had onttrokken door middel van zelfmoord.

 

Het meest misverstane boek van Willem Frederik Hermans is de in 1952 met een stompzinnig proces verwelkomde roman Ik heb altijd gelijk. Ik zou dit boek willen lezen als een zoektocht naar de verloren zuster, met geen andere bedoeling dan uiteindelijk met haar af te rekenen. Op een eerste verhaalniveau leest men de avonturen van de uit Nederlands-Indië gerepatrieerde hoofdfiguur Lodewijk Stegman, die een relatie aanknoopt met een weinig aantrekkelijke oudere verpleegster, van wie hij zich aan het slot met geweld losmaakt. Maar op een dieper gelegen niveau keert als een leidmotief zijn herinnering terug aan de dubbelzelfmoord van zijn zuster en een oudere neef in de meidagen van 1940, waarover de lezer geleidelijk aan steeds meer te weten komt. Door allerlei details wordt duidelijk dat de pleegzuster in feite de echte, gestorven zuster van Lodewijk vervangt en dat hij aanvankelijk aan haar probeert goed te maken wat zijn eigen zusje

[p. 65]

(evenals hij zelf!) te kort kwam in het bekrompen kleinburgerlijk gezin van zijn gierige en autoritaire ouders. Het spiegeleffect wordt nog duidelijker als Lodewijk zich in het laatste hoofdstuk de finale afrekening met zijn verpleegster voorstelt in de vorm van een dubbelzelfmoord. Het blijkt een voorbijgaande gedachte. Uiteindelijk komt het tot een ruzie-afscheid op straat, dat tot in details herinnert aan Lodewijks vroegere vechtpartijtjes met zijn zusje. Maar dat is niet het einde. Het dieper gelegen leesniveau manifesteert zich op de laatste bladzijde aan de oppervlakte van het verhaal bij wijze van ontknoping. Als Lodewijk voetstappen hoort en verwacht dat zijn verpleegster letterlijk en figuurlijk op haar schreden terugkeert, ziet hij zijn gestorven zusje. En pas dan vindt de afrekening plaats.

Verteltechnisch is hier overeenkomst met Het grote medelijden. Zoals Richard de gestorven schrijver Otto Verbeek herkent wanneer hij aan het slot zijn zwager Friso terugziet, zo herkent Lodewijk zijn gestorven zusje als hij denkt dat de pleegzuster terugkomt die haar in feite vervangen heeft. Richard vertelt over Friso, maar hij denkt aan Otto Verbeek. Lodewijk Stegman denkt zelf aan zijn gestorven zus, terwijl de lezer kennisneemt van zijn lotgevallen met zijn pleegzus. Lodewijk is een repatriant: ‘Weggegaan, maar in arren moede teruggekeerd, in een klein land dat niets in de wereld te betekenen heeft...’ Richard heeft dezelfde minachting voor zijn vaderland en repatrieert ten slotte in arren moede in een tweedeklas-coupé.

Maar het verband tussen de twee teksten ligt dieper, omdat het uiteindelijk een autobiografisch verband is.+ Over de perfect verborgen verhouding tussen het zusje en de oudere neef staat er in Ik heb altijd gelijk dat de neef haar vroeger in zijn auto kwam halen om samen naar lezingen te gaan over ‘Het Nationaal-Socialisme als Rancuneleer, of over De Menselijke Waardigheid’. Dat zijn titels van Menno ter Braak en Otto Verbeek. Als er even later wordt verteld hoe passief het zusje (Debora) zich gedroeg bij het uitbreken van de oorlog, gaat het verhaal plotseling over van de hij-vorm in de ik-vorm:

Goed, ik deed ook niets. Ik mocht niet eens iets doen. Ik bood aan te helpen de ramen te overplakken met stroken gompapier. De mensen dachten toen nog dat dat hielp als er een bom viel. Maar ik mocht het niet doen. Jij kan nooit
[p. 66]
wat, jij verpest altijd alles. Debora zou het doen, maar zij durfde niet op een trap te klimmen. Toen moest mijn moeder het zelf doen en ik kreeg de schuld. Goed. Ik had dan maar liever geen enkele waardigheid, geen menselijke, niet eens een dierlijke. Ik heb geen pretenties. Ik ben in de wereld gezet; ik houd mij staande. Dat is alles.

Tevoren staat er:

Al die dagen deed zij niets dan snikken en jammeren. En vóór die tijd zoveel gepraat over menselijke waardigheid. Maar snikken en jammeren toen het zover was. Goed, zij kon niets terugdoen. Nederland kon niets terugdoen. Waarom dan eerst zoveel geouwehoer over menselijke waardigheid en als het erop aankomt niets dan gesnotter en slaaptabletten?

Die ‘slaaptabletten’ zijn vreemd, omdat de lezer later verneemt dat de neef het zusje heeft gedood door een schot in haar slaap, waarna hij zichzelf in de mond schoot. Maar in Het grote medelijden staat over Otto Verbeek dat hij zelfmoord pleegde met ‘slaaptabletjes, die hij gedeeltelijk weer uitbraakte’, zodat zijn heldendood ‘een grote smeerboel’ werd. Dat kwam omdat zijn broer, die medicus was, hem alleen maar tabletten wilde geven en geen ‘spuitje’: terwijl Rotterdam in brand stond en de regering was gevlucht, vond Verbeeks broer dat hij trouw moest blijven aan de grote woorden en de menselijke waardigheid van zijn ambtseed.

De naam van de vaderfiguur Otto Verbeek komt nergens voor in de roman Ik heb altijd gelijk, maar wel beweert Lodewijk dat hij ‘medelijden’ heeft met zijn vader, omdat die volgens hem de meeste schuld heeft aan de dood van zijn zusje. De lezer begrijpt dat afrekenend ‘medelijden’, omdat een autoritaire paternalistische opvoeding er immers de oorzaak van was dat Lodewijks zusje nooit zichzelf heeft kunnen zijn en ze ten slotte in wanhoop een eind aan haar leven maakte. De Duitse inval diende daarbij alleen maar als een passend decor van vaderlandsliefde of menselijke waardigheid. Een vergelijkbare gedachte formuleerde Willem Frederik Hermans over de zelfmoord van Menno ter Braak. In zijn Mandarijnen op zwavelzuur meent hij ‘dat de Duitse overval van 1940 niet de oorzaak geweest is, dat Ter Braak aan zijn leven een

[p. 67]

einde maakte, maar een onbewust verhoopte goede gelegenheid’. Een gelegenheid namelijk, om zich te onttrekken aan de realiteit dat hij als schrijver ‘geen enkele geestelijke toekomst’ meer had.

In Hermans' Mandarijnen staat een verhelderend stuk over de roman Ik heb altijd gelijk. De auteur legt uit dat het hoofdpersonage Lodewijk zijn ouders met verwijten overlaadt, omdat ze hem een opvoeding hebben gegeven die het averechts gevolg had dat hij de normen en (schijn-)waarden ging verafschuwen waarin zij zelf leefden en geloofden. Terwijl Lodewijk eerzuchtig over onbereikbaar grootse prestaties droomde, vertegenwoordigde zijn zusje de ‘gehoorzaamheid aan het ouderhuis’ en de burgerlijke onderworpenheid aan de algemeen aanvaarde normen: evenals in de Fotobiografie van Willem Frederik Hermans werd zij Lodewijk dan ook ‘altijd ten voorbeeld gesteld’. Volgens Hermans verbeeldt zijn roman Lodewijks uiteindelijke ‘capitulatie voor de alledaagsheid’. In de laatste alinea van het boek heeft zijn kritiek op het bekrompen Nederland plaats gemaakt voor het inzicht dat het toch eigenlijk wel gemakkelijk is geld te hebben om ‘een plaatsje’ te vinden ‘in een nauwbehuisd land als het onze’. Ten slotte blijkt de opstandige Lodewijk ‘bij vader en vaderland ingelijfd’.

In deze interpretatie krijgt de verschijning van de schim van het gestorven zusje aan het slot een speciale betekenis. Zij is volgens Hermans ‘een overwonnen schim’. In naam van de vaderlijke en vaderlandse moraal kan Lodewijk nu eindelijk zijn schijnbaar voorbeeldige zus verwijten dat ze zich door haar corrupte neef heeft laten misleiden. Lodewijk is niet langer de noodzakelijke ‘verliezer’ maar mag als dertigjarige man zijn jongere zusje (ze was eenentwintig toen ze stierf) ‘zacht’ berispen ‘als een vader’.

 

Maar er staat volgens mij wel iets méér in het fragment over de verschijning van het gestorven zusje, en de ‘afrekening’ betreft ook nog iets anders. Het is voor iedere Hermans-lezer duidelijk dat het zustermotief voorkomt in talrijke verhalen en romans, en dat het dikwijls een incestueus karakter heeft. In de roman Ik heb altijd gelijk is dat alleen maar indirect het geval, door verschuiving naar de pleegzuster. Dit betekent niet dat Lodewijks gevoelens ten aanzien van zijn echte zusje

[p. 68]

beperkt blijven tot jaloersheid of rivaliteit. Als hij na zijn terugkomst uit Indië alleen op de verlaten kade is achtergebleven, denkt Lodewijk: ‘De enige die mij had moeten begroeten is dood. Misschien als zij nog leefde zou zij hier op mij wachten.’ En bij de verschijning van de schim aan het slot, staat er (ik cursiveer):

‘Waarom heb je mij alleen gelaten?’ vroeg hij, ‘waarom heb je mij altijd alleen gelaten? Waarom heb je nooit van mij gehouden?
Hij legde zijn vinger op haar slaap, waar hij het kogelgaatje nog duidelijk kon voelen, hij die haar niet had mogen zien toen zij dood in het gasthuis lag.
Waarom heb je niet gewacht tot ik van je ging houden?’ vroeg hij...

Daarmee is de cirkel rond. Tenminste voor Lodewijk. Van de schrijvende Richard wisten we alleen nog maar dat hij ‘eigenlijk veel van (z)ijn vader zou hebben willen houden’ en dat hij tevergeefs hoopte dat zijn moeder ‘eindelijk genoeg’ van hem zou houden... Er is mij (nog) geen Richard-verhaal bekend waarin de hoofdpersoon over zijn gevoelens voor zijn zusje vertelt. Maar het lijkt me wel duidelijk dat die gevoelens zijn gekwetst door het optreden van de man die op de een of andere manier schuldig staat aan haar dood, en haar in die dood vergezelde. Dat Vader Simmillion en Otto Verbeek zich daarbij vermomden als een oudere neef, verandert niets aan de nefaste invloed van hun moralistisch gepraat of geschrijf over schijnwaarden die niet zijn opgewassen tegen de werkelijkheid van het menselijk leven. Het beroemdste boek over een jeugd is Le grand Meaulnes. Alain-Fournier heeft het opgedragen aan zijn zusje. Dat Willem Frederik Simmillion nooit zo'n opdracht zal kunnen schrijven, verklaart onder meer ‘het grote medelijden’ van Richard Hermans voor zijn schuldige vader Menno Verbeek.

+Hermans in ‘Critisch bulletin’ 1950 en in een interview van 1963. Zie Critisch bulletin 17 (1950), p. 471-475 en de interviewbundel Scheppend nihilisme, uitgegeven door Frans A. Janssen, p. 62 (vgl. ook p. 33).
+Hermans in Canada. Hermans maakte in 1948 een liftreis door Canada die overeenkomst vertoont met de avonturen van Sebastiaan Klok in zijn verhaal Een veelbelovende jongeman. Hierover bericht Charles B. Timmer in de Haagse Post van 15 sept. 1971, herdrukt in de bijdrage van G.F.M. Raat aan het Hermans-nummer van het tijdschrift Bzzlletin 13 (1985) 126, p. 17.
+De samensmelting van de tijdschriften ‘Criterium’ en ‘Libertinage’ tijdens Hermans' verblijf in Canada, en het literaire leven in Holland. Behalve naar de in mijn tekst genoemde geschriften van Morriën en Hermans verwijs ik naar het interview van Max Pam met W.F. Hermans in Maatstaf 32 (1984) 3, p. 1-12 en naar dat van Paul Aalbers over W.F. Hermans met Adriaan Morriën in Maatstaf 33 (1985) 5, p. 2-11. De namen van verschillende personages in het verhaal Een veelbelovende jongeman verwijzen kennelijk naar Hollandse literatoren: de dichter E. Beyaard Blom (= A. Roland Holst); de jonge essayist Bralle Piekerma (= Fokke Sierksma); de critici Antonie Keuvelkerk en Anton Lichtevaart (= Anton van Duinkerken en Anthonie Donker). De jonge kritikaster die Bert Voeten had miskend, is - blijkens de Mandarijnen op zwavelzuur - W.F. Hermans zelf.
+Hermans en de dichter R. van Lier. In Catalogus 205 W.F. Hermans (1982) van het Amsterdamse Antiquariaat Schumacher staat in de afdeling ‘ex bibliotheca W.F. Hermans’ als nr. 396 de bundel Praehistorie van R. van Lier (1944) als volgt vermeld: met handtek. & datum (22 jan. '45) in inkt & 2 notities, bovendien in de inleiding (bij: ‘Wie weet nog precies, waarom hij zijn eerste vers geschreven heeft?’) ‘Ik!’
+Baudelaire - Flaubert - Gilliams. Voor Baudelaire en Flaubert verwijs ik naar Jaap T. Harskamps bundel De scheppende mens, 's-Gravenhage 1984, p. 110-114; voor Gilliams naar mijn essay Maurice Gilliams, Amsterdam 1984, p. 229.
+Het substantief ‘medelijden’. Over het begrip ‘medelijden’ bij W.F. Hermans schreven Michel Dupuis, Eenheid en versplintering van het Ik, Hasselt 1976, p. 133-135; 196, 197 en J.J. Oversteegen, Voetstappen van WFH, Utrecht 1982, p. 59. Vgl. ook Huug Kaleis in Tirade 25 (1981) 271, p. 677.
+Het autobiografisch verband tussen ‘Het grote medelijden’ en ‘Ik heb altijd gelijk’. De herhaling van de hier besproken motieven in Hermans' romans en verhalen en de samenhang met zijn Fotobiografie bleven uiteraard niet onopgemerkt. Behalve op het al geciteerde artikel van Betlem in het Hermans-nummer van het tijdschrift Raster 1971, wijs ik op de bijdragen van Freddy de Vree en Huug Kaleis aan het Hermans-nummer van Tirade (25 (1981) 268). (Een samenvattende studie over ‘thema's, motieven en vormen in verband met de problematiek van de enkeling in de romanwereld van Willem Frederik Hermans' leverde Michel Dupuis in zijn in de vorige noot vermelde Brusselse dissertatie: een uitgebreide herdruk verscheen onder de titel Hermans' dynamiek, 's-Gravenhage 1985.)
terug  begin  verder