terug  begin  verder
[p. 69]

8

In het voorlaatste hoofdstuk van Ik heb altijd gelijk bezoekt de gerepatrieerde Lodewijk Stegman zijn ouders. En dan zegt zijn vader:

‘Je moeder en ik zijn laatst nog naar het kerkhof geweest. We hebben een uur lopen zoeken. Je moeder had nog een bloemetje meegebracht, dat begrijp je wel. Maar nergens konden wij het graf van je zuster vinden. Die hele afdeling was opgeruimd. Er was niets meer van terug te vinden. Als het langer dan tien jaar is, wordt zo'n graf nu eenmaal opgeruimd, maar daar had ik niet aan gedacht. Je moeder was verschrikkelijk overstuur, die was helemaal de kluts kwijt. Zo gaat dat nou. Ik heb bij de directie geïnformeerd. Ze wisten niet eens waar de steen gebleven was. Die slijpen ze natuurlijk af, die gebruiken ze doodgewoon weer voor een ander.’

Op de laatste bladzijde van het boek herhaalt en becommentarieert Lodewijk dit relaas als volgt:

Debora is dood. Zelfs haar graf is nergens meer te vinden. Na tien jaar worden zulke graven nu eenmaal opgeruimd. Er bestaat werkelijk niets meer van Debora dat de moeite van het vermelden waard is. Verdomd, de dood is werkelijk een einde. Maar wat weten wie dood zijn van einde. Zij zijn immers dood. Zij weten niets meer.

Vóór het zover is, kan er een periode aanbreken die de schrijvende Richard heeft gekarakteriseerd toen hij in het vierde hoofdstukje van Een tourist over zijn vader schreef:

Hij was een vermoeide, ontgoochelde man, die, wetend dat mijn leven ook wel in ontgoocheling eindigen zou, net als het zijne, bij zichzelf gezegd heeft: waar is het goed voor? Wat hij ook doet, ook hij zal eenmaal oud en moe worden, net als ik.

Dit voorlaatste hoofdstuk uit de onvoltooide Richard-bio-

[p. 70]

grafie wordt volgens mij aangekondigd in het moeilijk bereikbare verhaal Dood en weggeraakt. De tekst verscheen anno 1980 als bibliofiele zeefdruk-editie in zeventig exemplaren bij de Antwerpse uitgeverij Ziggurat.

Op een van de eerste bladzijden van zijn verhaal citeert de ik-verteller de datum 5 november 1976 en levert daarmee aan de ijverige filoloog zijn terminus post quem. Even verder staat er dat de vertellende Richard vijfenvijftig jaar is en in Parijs woont. De ijverige filoloog weet dat W.F. Hermans zesenvijftig werd op 1 september 1977 en zich al vier jaar eerder in Parijs vestigde. Als Willem Frederik Hermans dezelfde is als Richard, moet zijn verhaal vóór 1 september 1977 geschreven zijn (terminus ante rem!). Richard vertelt ook dat zijn moeder ‘in hetzelfde jaar’ stierf als zijn vader, maar ‘vijf maanden eerder’: en dat is nu, op het moment van vertellen, ‘tien jaar geleden’. We zouden daarom kunnen aannemen dat het verhaal Dood en weggeraakt is ontstaan in 1977. Die datering klopt met een gegeven in het verhaal Een tourist, waar staat dat Richard in 1967 van zijn vader erfde, toen hij vijfenveertig jaar was. Maar naast de ijverige filoloog is er ook nog de ijverige bibliograaf.+ En die weet ons te vertellen dat een - straks nog te noemen - fragment uit Dood en weggeraakt al op 24 december 1976 werd gepubliceerd in Het Parool. In dat dagblad schreef W.F. Hermans destijds zijn Brieven uit Parijs, onder het pseudoniem Age Bijkaart.

 

Dood en weggeraakt bestaat uit twee delen, waarvan het eerste herinneringen aan Richards vader bevat die worden afgewisseld met biografische gegevens. Ze betreffen vooral 's mans middelmatige carrière als ULO-onderwijzer, na het behalen van enkele bij-akten door moeizame en te laat aangepakte avondstudie. De in het verhaal Een tourist genoemde vaderlijke eigenschappen (indolent, weinig intelligent, uiterst zuinig...) keren terug en worden aangevuld met gegevens als ‘spit in de rug, hoofdpijnen, ongeduld, opvliegendheid en aanvallen van razernij’. De laatste twee kenmerken waren kennelijk erfelijk. Dat blijkt uit een opmerking over Richards jeugdige agressiviteit tegenover zijn vader in dit verhaal, en uit de vermelding van zijn razernij-aanval in Een tourist. Maar de toon van de herinneringen is het tegendeel van agressief. Er hangt een sfeer van onherstelbare triestheid over dit ver-

[p. 71]

haal. En die triestheid wordt nog tastbaarder, doordat ze de verteller niet verhindert een waarheid te onthullen die geen enkele idealisering en maar weinig vertedering toelaat:

Helaas. Inzicht in zijn moeilijkheden had ik niet en zijn zelfverzekerde toon, zijn doorgaans tirannieke optreden, maakten het mij onmogelijk enige liefdevolle belangstelling te koesteren voor zijn lot: dat van een waarschijnlijk in wezen schuchtere provinciale jongen, goedhartig vooral ook voor zichzelf, geenszins bezeten van brandende eerzucht. Uit angst financieel toch niet mee te kunnen komen was hij, bijna vijftig jaar oud, nog zijn neus in de studieboeken gaan steken, 's avonds als hij thuis kwam na de hele dag voor een klas vol vervelende kinderen te hebben gestaan. (...)
Eigenlijk hield hij niet van werken, geloof ik. Hij bestreed het gevaar van geldgebrek liever met zuinigheid.

In het tweede deel van het verhaal wordt het vadermotief verbonden met een nieuw element, dat ik het kappermotief noem. Richard vertelt dat hij eens in de maand zijn haar laat knippen in een verlopen kapperszaakje, waar hij zo ongeveer de enige klant is: datzelfde leest men in de hiervoor vermelde Parool-bijdrage van Age Bijkaart. Maar in Dood en weggeraakt krijgt dat haarknippen een symbolische waarde en betekent het in feite de uitwerking en voortzetting van het hoofdthema van het verhaal. Dat thema zou ik willen aanduiden als: ontluistering en vergankelijkheid. Het wordt al onmiddellijk bij het begin aangekondigd, als Richard een overlijdensadvertentie leest van een ver familielid die dezelfde naam draagt als hij. Die advertentie zet het herinneringsmechanisme in werking dat de inhoud van het eerste deel bepaalt:

En te vaker denk ik aan hem (zijn gestorven vader), nu er onlangs in een groot ochtendblad de volgende advertentie heeft gestaan:
[p. 72]



illustratie

De symbolische transpositie in het tweede deel wordt door de verteller zelf gesignaleerd, doordat hij - misschien een beetje te opzettelijk - de aandacht vestigt op de associatie tussen zijn afgeknipte haar en de dood:

Zo gaat onherroepelijk iets heen dat uit mij voortgekomen is. Iets waarvoor ik gegeten en gedronken heb opdat het zou kunnen groeien - het wordt zomaar afgeknipt door een vreemde en weggegooid: dood.
Ik verzink diep in gedachten terwijl hij begint te knippen en het spreekt vanzelf dat ik aan de dood denk en aan wie dood zijn. Nergens mediteer ik zo intens als bij de kapper.

Van hier naar de herinnering aan zijn vader is het natuurlijk maar één stap, of liever: één zin. Maar er is een groot verschil met het eerste deel van het verhaal. In het tweede deel wordt de herinnering herhaaldelijk geconfronteerd met het heden en daardoor tevens met het leven van de ik-verteller zelf. Het thema van de vergankelijkheid wordt overgedragen van de vader op de zoon. De vader was - met een zekere terughouding - al ontluisterd in het eerste deel. Nu begint de ontluistering van zijn nakomelingschap en - zoals we nog zien zullen - tegelijkertijd van zijn nalatenschap.

Hermans toont zich een groot vakman in de wijze waarop hij de overdracht tot stand brengt. De kapsalon toont alle kenmerken van verval en bevindt zich ‘in een smal Parijs straatje, met winkeltjes die allemaal op sterven staan’. De kapper zelf

[p. 73]

is een astmatische en invalide armoelijder die zijn klant tot overmaat van ramp in zijn oor knipt, doordat hij meer over zijn eigen lot klaagt dan op zijn werk let. ‘Hij vond misschien dat elke naar Frankrijk verhuisde Nederlander met een verband op zijn oor moest eindigen, net als Vincent van Gogh’, schrijft Richard niet zonder esprit. Maar zijn humor nadert de Franse humour noir, omdat ze extra de aandacht vestigt op zijn eigen ontluistering en zijn naderend einde.

Tevoren heeft Richard al geconstateerd dat zijn haar steeds lelijker wordt en bij het knippen neervalt ‘in stofgrijze vlokken’. Als Anton van Duinkerken zoiets geschreven had, zou men bij dat ‘stof’ kunnen denken aan een toespeling op de vergankelijkheid van Aswoensdag: ‘Memento, homo, quia pulvis es, et in pulverem reverteris.’ (Gedenk, o mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren.)

Bij Richard heeft de vrees voor de stoffige vergankelijkheid waarschijnlijk ook betrekking op de resultaten van zijn creativiteit als schrijver. Als hij klaar is bij de kapper, staat er:

Vage angst dat niet alleen mijn haar, maar alles wat ik te voorschijn breng in de loop der jaren, zwakker, stoffiger (!), lelijker wordt. En ik doe nog wel veel meer mijn best dan toen ik jong was, alsof de duivel mij op de hielen zit en ik de omweg naar mijn graf zo groot mogelijk probeer te maken.
Nu betalen en weg. Denk eraan niet krom te lopen, zoals je vader krom liep.

De laatste zin herinnert eraan dat aan het naderend einde onvermijdelijk een soort identificatie met de vaderfiguur voorafgaat. De ontluistering ontstaat ook doordat de dingen soms anders verlopen dan men had gehoopt. Na zijn overlijden blijkt dat Richards vader altijd zuinig heeft geleefd om zijn zoon een aardig sommetje te kunnen nalaten. De zo hevig door Richard gehate en bespotte gierigheid van zijn ouders blijkt dus in zekere zin een daad van offervaardigheid te zijn geweest ten behoeve van hun zoon. Die daad was volkomen nutteloos. Richard heeft het geld niet nodig. En het reusachtige offer aan levensvreugde dat moest worden gebracht om het bijeen te schrapen is alleen maar recht evenredig met de ontwaarding van het resultaat, ten gevolge van steeds toenemende inflatie.

[p. 74]

Maar zijn vader heeft Richard ook nog gouden tientjes en gouden sieraden nagelaten... Helaas: ze werden gestolen uit zijn Parijse flat, terwijl hij op een middag niet thuis was: ‘Alles wat er van hem overgebleven is, raakt zoek en zo gaat het op den duur met alles wat er overblijft van iedereen.’

Omdat de werkelijkheid botst met onze verwachtingen, staat tegenover het wonderkind de total loss, en tegenover de eerzucht de naamloosheid. De eerzucht van de kleine Hollandse Richard wordt door de vijfenvijftigjarige Parijse Richard goeddeels geprojecteerd op zijn eigen vader. Maar dat gebeurt (met opzet?) zo onzorgvuldig, dat de lezer door de coulissen kan kijken. Als zijn oude vader in het ziekenhuis ligt, schept hij tegenover zijn kamergenoten danig op over zijn beroemde zoon en dringt er bij Richard op aan dat hij presentexemplaren van zijn laatste boek zal aanbieden aan de dokter en de hoofdverpleegster. Richard: ‘Ik overwon mijn verlegenheid en deed wat hij vroeg.’

Evenals in Het grote medelijden legt Richard er hier de nadruk op dat hij in de miljoenenstad Parijs volkomen onbekend is. Maar zoals hij er in het vroegere verhaal niet buiten kon te constateren dat Friso toch een zwager heeft over wie in Holland grote stukken in de kranten staan, zo vraagt hij zich nu af, hoe zijn kapper wel zou reageren als hij wist dat zijn klant in de Larousse Illustré staat. Ook kan hij het niet nalaten zijn lezer mee te delen dat hij het heel ‘fijn’ vindt als onbekende in een wereldstad te leven, maar dat die toestand toch eigenlijk wel ‘vreemd’ is. Dat vond de op een ‘Napoleontische ondergrond’ levende Lodewijk van Deyssel ook toen hij in Parijs was. En hij bleef er evengoed verlegen bij.

Er zit op verschillende plaatsen een lek in de fictie van het verhaal Dood en weggeraakt. Al op een van de eerste bladzijden schrijft Richard zonder enige inleiding of toelichting dat zijn vader gelukkig niet beleefd heeft dat er ‘lasterlijke vragen’ over zijn zoon werden gesteld in de ‘Nederlandse Volksvertegenwoordiging’. Verderop staat er dat Richards moeder uit oude meelzakken monsterzakjes voor hem heeft genaaid om er ‘gesteenten en grondmonsters’ in op te bergen toen hij aan zijn proefschrift werkte. Maar de lezer kent Richard alleen als schrijver en niet als gepromoveerde fysisch geograaf. Er wordt overigens ook van de lezer verwacht dat hij ervan op de hoogte is dat Richard op een gegeven ogenblik ‘ontslag’

[p. 75]

(aan de Groningse universiteit) heeft genomen om zich in Parijs te vestigen. En elders schrijft Richard dat hij toen zijn vader stierf ‘die villa in Haren al gekocht (had), maar er nog niet in getrokken’ was. Welke villa?

Zulke onzekere plaatsen (‘Unbestimmtheitsstellen’ of ‘Leerstellen’, zeggen de literatuurtheoretici) zijn niet oplosbaar in de micro-context van dit geïsoleerd verhaal. Ze veronderstellen een voorkennis van de lezer, die hij alleen maar kan verkrijgen via de macro-context van Hermans' oeuvre en van zijn biografie.

 

Er bestaan verspreid gepubliceerde korte teksten van Willem Frederik Hermans die duidelijk van autobiografische aard zijn, maar waarin de naam Richard niet voorkomt. De schrijvende ik vertelt over ervaringen van vroeger en maakt daarbij nu en dan kritische opmerkingen vanuit zijn huidige vertellersperspectief. In het weekblad Hollands diep van 15 januari 1977 publiceerde Hermans enkele jeugdherinneringen die worden bijeengehouden door het thema dat wordt aangeduid in de titel: Bronnen van energie. Men zou daar duidelijkheidshalve aan kunnen toevoegen dat het gaat om bewonderde maar nog geenszins begrepen energiebronnen. De belevende-ik is een zes- of zevenjarig jongetje dat achtereenvolgens de elektriciteit, de radio en de auto ontdekt als onbegrepen technische wonderen. Maar omdat hij nu eenmaal leeft in het bekrompen milieu dat wij hebben leren kennen uit de Richard-verhalen, wordt zijn prille belangstelling gefrustreerd door de strengheid en het onverstand van zijn ouders. Dit leidt tot zulke onbedaarlijke huilbuien, ‘dat het leek of ik nooit meer zou ophouden’. In deze tekst zijn de indolentie van de vader en het ten voorbeeld gestelde gedrag van het drie jaar oudere zusje motieven die zowel de ellende van de jeugdige hoofdpersoon als de herinnering van de lezer bevestigen.

Uit ongeveer dezelfde leef- en waarschijnlijk ook schrijfperiode stamt een als ‘autobiografisch fragment’ aangekondigd stuk dat in september 1978 verscheen in het Hermansnummer van De Vlaamse gids, onder de titel De schoorsteen. De auteur vertelt erin hoe hij als zesjarig jongetje uit kartonnen koekdozen allerlei stoomboten, huizen en fabrieken bij elkaar knutselde met behulp van glutonplaksel en ander primitief

[p. 76]

materiaal. Het moderne speelgoed van nu bestond toen immers nog niet! Zijn onhandige en gemakzuchtige vader was hem op geen enkele manier behulpzaam, maar op een keer bracht hij toch de energie op de kleine Wim te vergezellen naar een bovenbuurman, die een groot knutselaar en zelfdoener was. De man in kwestie had geen enkele moeite om het probleem op te lossen waarvoor het plakkende en kleurende jongetje zich op dat moment gesteld zag: het vervaardigen van een lange kartonnen schoorsteenpijp voor een door hem te construeren speelgoedfabriek.

Typisch voor dit verhaal is de wijze waarop het kind geneigd is in de buren te vinden of te projecteren wat hij thuis te kort komt. Wat zijn vader niet kan, kan de buurman en wat het kind interessant vindt, is niet te vinden bij hem thuis, maar wel bij de buren. De buren betekenen de ontsnapping uit het bekrompene en gewone, naar het betere en belangwekkende. Als buren-verhaal vormt deze jeugdherinnering een ironische tegenhanger van het eigentijdse verhaal De vleugel van de buren, dat Hermans publiceerde in Hollands diep van 18 juni 1977. Ook in zijn volwassenheid staat de wereld van Willem Frederik Hermans tegenover die van de mensen die (in Parijs) rondom hem wonen. Maar deze keer ligt het gelijk heel duidelijk in het eigen appartement en niet daarboven of daaronder. ‘Altijd pech met de buren, maar middelsoort pech,’ constateert de naar Frankrijk geëmigreerde Hollandse verteller. De schoorsteen vertoont twee verstrengelde motieven die ten nauwste verband houden met het ook in de Richard-verhalen voorkomende thema van het autobiografisch, naar herstel van de historische waarheid strevende schrijverschap. Het eerste is het motief van de voortdurend veranderende tijd, en het tweede is dat van de met spijt vervulde herinnering. De verandering in de tijd heeft tot gevolg dat de zich herinnerende schrijver zaken en voorwerpen moet beschrijven die niet meer tot de voorstellingswereld van de huidige (jonge) lezer behoren. Ze zijn vervangen door moderne middelen waarvan de verteller zich op zijn beurt probeert voor te stellen welke gevolgen het voor zijn persoonlijk leven zou hebben gehad als ze in zijn jeugd al bestaan hadden. Willem Frederik Hermans zou niet de romantische schepper van zijn eigen sadistisch universum zijn, als hij niet meende dat hij gelukkiger zou zijn geweest als hij in een andere tijd had geleefd

[p. 77]

en als hij tegelijkertijd niet vaststelde dat zoiets natuurlijk onmogelijk is. Twee citaten:

Ik ben nog niet eens zo erg oud en er is al zoveel verdwenen uit die tijd! Elk voorwerp dat nu niet meer courant is, moet ik beschrijven om duidelijk te kunnen maken welke rol het toen in mijn leven speelde. (...)
Een veranderende wereld is niet minder duivels dan een die altijd hetzelfde blijft. Hoeveel is er niet uitgevonden, sinds ik volwassen ben, dat ik zo goed zou hebben kunnen gebruiken als kleine jongen en dat mijn jeugd misschien veel gelukkiger zou hebben gemaakt?

Een meer literair georiënteerde autobiografische tekst van Willem Frederik Hermans is het verhaal Een boek der boeken, dat op 22 december 1978 verscheen in het Cultureel Supplement van N.R.C. Handelsblad. Evenals enkele andere auteurs in dezelfde rubriek, vertelt Hermans op verzoek van de redactie over de boeken die hem in zijn jeugd het meest hebben getroffen. Hij herinnert er zich drie en vertelt erbij dat zijn bewondering vooral berustte op het feit dat hij in de lotgevallen van de hoofdpersoon zichzelf meende te herkennen.

Zijn oudste lievelingslectuur was een bewerking voor kinderen van Daniel Defoe's Robinson Crusoë. Wat de oudere Hermans zich van dat boek herinnert, lijkt typerend voor de jeugdige held van zijn Richard-verhalen: de drang om de dingen zelf te ontdekken en de zekerheid over meer inzicht te beschikken dan de anderen. Die anderen zouden hem daarom eigenlijk onderdanig moeten zijn, maar in plaats daarvan zitten ze hem voortdurend dwars of schelden ze hem zelfs uit.

Buiten op de band stond de enige bewoner van het onbewoonde eiland afgebeeld, met een zelfgemaakte puntmuts van bont op zijn hoofd en in zijn hand een uit bananebladeren zelf geknutselde parasol.
Hoe benijdde ik hem, op dat eiland waar niemand hem uitschold en niemand hem in de weg liep. Ik kon er niet genoeg van krijgen te lezen hoe hij alles maakte uit niets, hoe hij ontdekte dat cassave een giftig sap bevatte, maar dat je er smakelijke koeken van bakken kon, na het sap eruit te hebben geperst. Maar de apotheose was toch de ontmoeting met Vrijdag - en hoe Crusoë, dank zij zijn superieure geest, deze arme wilde redde van het lot, door
[p. 78]
zijn eigen stamgenoten te worden opgegeten. Zo'n arme man redden, hem minzaam opheffen nadat hij mij sidderend te voet was gevallen, dat zou ik ook hebben willen doen!

Een ander bewonderd kinderboek van de jonge Hermans was De hoogvliegers van Leonard Roggeveen. Het gaat over een manke jongen die, ondanks alle tegenwerking van andere, slechte jongens, erin slaagde de mooiste vlieger te maken en een vliegerwedstrijd te winnen. Hermans herinnert zich: ‘Het leek wel of ik, al was de goede afloop me dan ook bekend, er voortdurend rekening mee bleef houden dat het weleens helemaal verkeerd zou kunnen aflopen.’ Het wonderkind bleef met andere woorden steeds rekening houden met de mogelijkheid (weer) een total loss te worden.

Iets ouder was de jeugdige Wim Hermans toen hij ‘tot geestdrift werd gebracht’ door Multatuli's Woutertje Pieterse. Hij herkende daarin zijn eigen, bekrompen en met vooroordelen behept huiselijk milieu en ook het typisch negentiende-eeuwse taalgebruik van zijn ‘gevreesde grootmoeder’. Maar zo goed als in de vorige boeken herkende hij bovenal zichzelf in Multatuli's ‘Amsterdamse schooljongen die weinig begrip of sympathie ontmoette’ en thuis en op school herhaaldelijk werd ‘berispt’ en ‘uitgekafferd’.

Toch bleef de onmiddellijke zelfherkenning ook voor de jeugdige Hermans maar een beperkte vorm van literatuurwaardering. Hij vervolgt zijn tekst met de vermelding van een boek dat om heel andere, minder direct begrijpelijke redenen een grote aantrekkingskracht op hem uitoefende toen hij een jongen van ongeveer tien jaar was:

Evenals de kleine Woutertje Pieterse had ook ik mijn ridderroman.
Veel geheimzinniger dan mijn bewondering voor het boek van Multatuli, was de betovering die er voor mij uitging van de op het oog bijzonder onaanzienlijke publikatie genaamd Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde.+

Hermans citeert een fragment waarin het sterven wordt verteld van koning Arthur, die ten slotte op een dodenschip zijn moede hoofd neerlegt in de schoot van een koningin:

[p. 79]
‘O lieve broeder,’ sprak deze, ‘waarom zijt gij zo lang van mij verwijderd gebleven?’ en ze wiste het doodszweet af en kuste hem.

En hij commentarieert:

Toen ik dit voor het eerst in handen kreeg, leefde mijn zuster nog en ik dacht niet dat ik veel van haar hield.

Dat zouden gedachten kunnen zijn van Lodewijk Stegman uit de ontroerende zusterroman Ik heb altijd gelijk. En even verderop herkennen wij de ‘paranoïde’ verteller-auteur van Preambule, als Hermans schrijft:

Ik geloof dat die boeken het mooist, het machtigst zijn, die je niet met rust laten, terwijl je toch moeilijk kunt uitleggen waarom niet en je moet toegeven dat ze in directe zin, helemaal niet over je eigen omstandigheden gaan.
Dit laatste kun je natuurlijk moeilijk aanvaarden. En je neigt ertoe te denken: zou het niet mogelijk zijn dat, op een of andere verborgen manier, het boek toch wel degelijk over jou gaat? Kom je er jezelf in tegen, onherkenbaar vermomd en toch herkend?

Voor Willem Frederik Hermans zijn vermommingen al gauw herkenbaar. In zijn album De raadselachtige Multatuli van 1976 schrijft hij dat de ‘roman’ Woutertje Pieterse dan wel ‘niet precies’ een autobiografie moge zijn maar dat het ‘geen twijfel lijdt’ dat deze tekst ontstaan is uit ‘bittere haat tegen het fantasieloze kleinburgerdom’. In zijn bundel Ik draag geen helm met vederbos (1979) vergelijkt hij het boek van Multatuli daarom met Mort à crédit van Céline, dat hij in 1944-1945 ‘minstens driemaal’ las. Afgezien van stilistische overeenkomsten, vertonen beide werken volgens Hermans gelijkenis door hun ‘visionair verslag van een kleinburgerlijke jeugd (en) vooral in de sarcastische beschrijvingen van de ouderen die het eenzame kind omringen, hun sadisme, hun slaafse eerbied voor “geld”, hun maniakale vasthouden aan allerlei vooroordelen...’

Over literaire bewondering uit zelfherkenning gesproken. Hermans' stuk over Céline wemelt van autobiografische bijzonderheden die als zodanig herkenbaar zijn in de Richard-verhalen en de Fotobiografie. Zelfs het Otto

[p. 80]

Verbeek-motief ontbreekt niet. In De raadselachtige Multatuli kan men lezen dat Menno ter Braak ‘een weinig eervolle rol’ ten aanzien van Multatuli heeft gespeeld en in het opstel over Céline wordt de ‘Duperronesk-Terbrakiaanse elite’ (de ‘Forum-generatie’) postuum verweten dat ze ‘zo goed als totaal blind (is) geweest voor Célines grootheid, of verblind door afgunst’...

 

In N.R.C. Handelsblad van 18 december 1981 publiceerde W.F. Hermans het verhaal Twee gebouwen, twee geleerden. Het speelt zich af in een universitair milieu uit een periode die de ik-verteller karakteriseert als de tijd waarin de student het nog als zijn taak beschouwde iets te leren, in plaats van ten strijde te trekken tegen degenen die al wel wat hadden geleerd. Het verhaal - waarop een paar biografische sleutels passen - laat heel duidelijk zien dat er ook in die goeie ouwe tijd krankzinnige toestanden in de universitaire wereld bestonden. Terloops voert de verteller zichzelf op als slachtoffer van dergelijke toestanden. Hij vertelt hoe een egoïstische en maniakale hoogleraar-directeur van een geologisch instituut hem waarschuwde dat zijn bezigheden als romanschrijver weleens schadelijk zouden kunnen zijn voor zijn wetenschappelijke carrière. Dat gebeurde in een tijd dat er volgens de schrijver allerlei ‘gruwelen’ over hem in de kranten verschenen.

In het door vele kilo's drukfouten ontsierde Hermans-nummer van het tijdschrift Bzzlletin (nummer 126, mei 1985) staan kranteberichten uit de jaren zeventig, over Hermans' moeilijkheden aan de universiteit van Groningen. Hij werkte daar sinds 1952 in verschillende functies en werd er in 1958 benoemd tot lector in de fysische geografie. In 1973 diende hij zijn ontslag in, na een aantal conflicten waarbij hij ten onrechte werd beschuldigd van plichtsverzuim. Hij vestigde zich als auteur in Parijs. Daar voltooide hij op 10 april 1975 zijn omvangrijke roman Onder professoren, die werd voorzien van een nawoord door ‘Prof. Dr. B.J.O. Zomerplaag, hoogleraar in de vergelijkende literatuurwetenschap aan de Rijksuniversiteit te Groningen’. Dit hooggeleerde nawoord-personage noemde Onder professoren geen sleutelroman, maar achtte het anderzijds ‘natuurlijk ondenkbaar’ dat Hermans ‘in het geheel niets ontleend zou hebben aan de werkelijk bestaande Groningse academie, waar hij zo vele jaren heeft doorgebracht’.

[p. 81]

Dat de naar Frankrijk geëmigreerde auteur zeker geen heimwee naar zijn vaderland heeft, blijkt uit zijn Gedachten over wonen in het buitenland, die verschenen in N.R.C. Handelsblad van 24 november 1978. Hermans vestigt daarin opnieuw de aandacht op de bekrompenheid van zijn ouders en zijn ongelukkige jeugd, constateert dat de Nederlandse Partij van de Arbeid bij nader inzien blijkt te zijn opgericht voor luilakken, en betreurt de teloorgang van het oude Amsterdam, waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht:

Grote delen van het oude Amsterdam zijn in de oorlog al verwoest. Andere wijken die ik mooi vond, zijn gesloopt. Ik heb in Amsterdam niet veel meer te zoeken en kom er daarom zelden. 't Publiek op straat is bont, goor en onbeschaafd. 't Is bovendien een vuile stad geworden. Je kunt er bijna nergens redelijk eten. Vroeg in de avond zijn de straten er al leeg, zijn de winkels allemaal en de cafés grotendeels gesloten. Maakt allerlei gespuis de stad voor de wandelaar even onveilig als andere steden.

Desondanks citeert Hermans met instemming Roger Martin du Gard, die meende dat een mens zijn vaderland weliswaar kan ontvluchten, maar er zich niet van kan ontdoen. Richard Simmillion uit Het grote medelijden heeft wellicht iets dergelijks gevoeld, toen hij noodgedwongen vanuit Parijs naar Nederland terugreisde in een rijtuig van de tweede klasse.

 

De nu besproken autobiografische fragmenten versterken en bevestigen de lezersindrukken die werden gewekt door de vijf Richard-verhalen. Maar ze leveren geen oplossing voor de hiervoor gesignaleerde onzekere tekstplaatsen of ‘lege plekken’. Die kunnen momenteel alleen maar worden weggewerkt met behulp van Hermans' Fotobiografie en van verschillende soorten kranteknipsels in het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag. Ze zouden vanzelf verdwijnen als Willem Frederik Hermans zijn boek voltooide over het leven en de werken van Richard Simmillion. De reden waarom hij dat tot heden niet heeft gedaan, lijkt me te zoeken in zijn opvattingen over het ‘klassieke verhaal’ waarop ik beloofd heb terug te komen aan het slot van mijn derde hoofdstukje. Richard Simmillion moet nog even wachten.

+De ijverige bibliograaf. Ik dank deze inlichting aan Freddy de Vree en Frans A. Janssen.
+Het sterven van Koning Arthur. Hermans zelf heeft erop gewezen dat een ander aspect van het verhaal van Koning Arthurs dood hem heeft geïnspireerd bij het schrijven van het slot van De god denkbaar. Denkbaar de God: zie F.A. Janssen (ed.), a.w., p. 312.
terug  begin  verder