terug  begin  verder
[p. 73]

Terugblik

I

Een vraag: wat is er met Conserve gebeurd nu Hermans zoveel andere boeken gepubliceerd heeft? Het kan niet anders of een lezer die pas de tweede druk, van vele jaren later, las ziet een heel ander boek dan wie bij de eerste druk begon, toen hem nog hoogstens een paar hoofdstukken van De tranen der acacia's, wat gedichten, kritieken en een enkel verhaal bekend konden zijn.

Het is een intrigerende vraag die hier opkomt, maar ook een onbeantwoordbare. Immers, men hoort òf bij de ene kategorie lezers òf bij de andere. Vergelijking van ervaringen die inkompatibel zijn is niet mogelijk, dus -

Maar de vraag blijft dwars zitten, mij tenminste, vanaf het moment dat de tweede druk van Conserve (In Drie melodrama's) uitkwam, en ik mij realiseerde dat ik door allerlei dingen gefrappeerd werd die ik vroeger niet van betekenis vond, of zelfs helemaal niet opmerkte. Is er dan geen noodoplossing te vinden, om toch iets te kunnen aanwijzen van wat er voor de lezer (en misschien zelfs wel voor de schrijver) veranderd is door het simpele feit dat Hermans is blijven doorschrijven?

Ik heb geen andere gevonden dan deze: vastleggen van juist die verschijnselen die ik nu bij lezing in direkt verband breng met wat ik in ander werk ontmoet heb; want rekonstruktie van een aanvankelijke wijze van lezen behoort tot de onmogelijkheden, behalve misschien voor dat merkwaardige mensensoort dat een gedetailleerd dagboek over hun leesavonturen bijhoudt. Daardoor is de enige geldige observatie op dit terrein van vergelijking díe, welke betrekking heeft op het associatieproces zelf, en dan weer alleen in zoverre als de associaties expliciet gemaakt kunnen worden.

Dat is dan ook de opzet die ik gekozen heb: ik herlas de eerste druk van Conserve en streepte de passages aan, waarvan ik vaststellen kon dat zij mij aan ander werk van Hermans herinnerden. Van de resultaten breng ik hier verslag uit.

Systematische lektuur van het overige werk heb ik deze keer achterwege gelaten. Principieel zelfs, want ik ga uit van wat ik zonder verdere voorbereiding zie, als één van die Hermans-liefhebbers die hem op de voet gevolgd hebben. Een ander zou, dat volgt

[p. 74]

uit het gekozen procédé, andere verschijnselen signaleren, maar dat is niet erg belangrijk. Het gaat er alléen om, te laten zien dat Conserve ‘een ander boek’ geworden is tussen 1947 en nu, en aan de andere kant dat de komende romans al in dit debuut aanwezig waren.

Zoiets kan men natuurlijk bij iedere romancier van niveau vaststellen maar misschien loont het de moeite dat dan ook werkelijk eens een keer te doen.

Er is één kuil waarvan ik vantevoren wil zeggen dat ik zal proberen er niet in te vallen en die is: alles in wetmatige samenhang te zien wat uiterlijk op elkaar lijkt. Want dan is het hek van de dam, iedere romanschrijver wordt een profeet, niet alleen van alles wat hij zelf later nog schrijven zal maar bovendien van alles wat er in de wereld nog gebeuren gaat. Ik zal bijvoorbeeld niet beweren, dat het feit dat er een lijk gekonserveerd wordt, vooruit loopt op de Amerikaanse rage van enkele tientallen jaren later, om de overleden dierbaren in de ijskast te bewaren tot betere tijden. De lezer moet deze ascese mijnerzijds op prijs stellen, want ik laat mij daardoor lekkere hapjes ontgaan. Denk bijvoorbeeld eens aan de verschuiving die er in onze lezersreceptie is ontstaan, wanneer het om deze passage gaat:

(De kinderen vragen de oude vrouw Sariah om te vertellen:) ‘“O, zeker, lieve Sariah”, riepen zij dan meerstemmig, net zooals in de kinderboeken van die dagen beschreven staat: “O zeker, niemand kan zoo mooi vertellen als gij. Gij moest eens weten hoeveel wij van u houden. En heusch, geloof ons, ook moeder houdt wel van u. Maar door haar krankte is zij dikwerf wat knorrig. - Wilt gij het haar vergeven? Wilt gij weer goed zijn en vertellen?” Huiselijk tafereeltje! Sariah breiend, snuivend en vertellend, de kinderen aan haar voet!’ (p 19-20). Jammer van dat tussenzinnetje over de kinderboeken,11 maar voor de rest: je puurste pop-art!

Ik kon het niet laten, dit ene geval even te noemen, maar het valt buiten mijn opzet. Zodra Hermans een hele roman in pop-art schrijft (hij zal het niet doen), komt er een appendix bij dit artikel, waarin ik de passages uit Conserve zal signaleren die daardoor met nieuwe zin geladen zijn. Zoals het volgende fragment meer dan een incidenteel grapje geworden is doordat het erin toegepaste stijl-

[p. 75]

procédé (letterlijk nemen van een beeld, en daar dan in redenerende vorm op voortborduren) systematisch uitgewerkt werd in een aantal passages van Denkbaar:

‘De tijd van grapjesmaken is voorbij, Jerobeam. Waar is die tijd gebleven, waarheen is die gegaan? Je kunt op weg gaan om hem te zoeken, je kunt je gek peinzen bij elken wegwijzer: dien weg, dien? Je kunt aan iedereen vragen: “Mijnheer, heeft u den tijd van grapjes maken wellicht voorbij zien komen? Hij rijdt in een klein twoseatertje met op elke knie een meisje: zoo kan hij nooit botsen tegen een boom’, etc.’ (p 142).

Een dergelijk geval behoort dus wèl tot het materiaal dat ik gebruiken zal.

Samenvattend: ik noteer allerlei plaatsen die mij, om verschillende redenen, herinneren aan ander werk van Hermans, en in die observaties breng ik een hiërarchie van belangrijkheid aan, die tegelijk een karakteristiek van Hermans' fiktie-wereld wil zijn. Anderen zullen natuurlijk een andere hiërarchie opstellen, ook als zij dezelfde feiten zouden signaleren. Maar het lijkt mij aannemelijk dat iedere Hermanslezer in de getrokken verbindingslijnen wel iets zal herkennen dat ook voor hem geldig is.

Ik heb nu verteld wat ik zal gaan doen. Daarnaast moet ik ook even praten over wat ik niet doe.

In de eerste plaats is dat: een vergelijkend onderzoek verrichten om de verschillen tussen de eerste en de tweede druk vast te stellen. Daaruit zou het een en ander kunnen blijken dat bevestigend of ontkennend materiaal voor mijn beweringen oplevert, maar precies daarom ben ik er niet aan begonnen. Zo'n onderzoek kan beter gebeuren bij wijze van kontrole. Dan kan meteen bekeken worden in hoeverre Hermans er stylistisch op vooruitgegaan is, want in de eerste druk staan een paar monsterlijkheden die juist een jonge schrijver met (gerechtvaardigde) ambities uit zijn pen laat lopen. Lees bijvoorbeeld deze zin maar eens: ‘Zij was, nu zij zich, daar ze op Jerobeam liep te wachten, goed verzorgd had, inderdaad verrassend mooi’ (p 58). Een verrassend lelijke zin.

Verder, en dat zal niemand verbazen, heb ik geen rekening gehouden met de gegevens die door Fotobiografie geleverd worden. Het gaat mij om Hermans' fiktieve wereld, en niet om zijn privé leven. Minder te verwachten is misschien dat ik geen poging zal doen tot een afzonderlijke strukturele analyse van Conserve. Het is mij nu eenmaal om iets anders te doen. Een korte samenvatting van

[p. 76]

het verhaal zal echter wel nodig zijn, en die komt dan nu, ter afsluiting van deze inleiding.

 

Aanvankelijk bestaat het boek uit twee verhaallijnen: het leven van de mesties Ferdinand, of Fernando, die zijn vader nooit gekend heeft en de jeugd van een drietal mormonenkinderen uit Salt Lake City, door de veelwijverij in voorgaande geslachten allemaal halfbroer en -zuster: Jerobeam, Onitah en Isabel. Na zes hoofdstukken die om en om aan de opbouw van deze twee verhaallijnen gewijd zijn, komt in hoofdstuk VII (Het knooppunt geheten) het moment dat zij zich verstrengelen. Dat vindt plaats op p 75 (het boek telt 235 bladzijden), als de inmiddels zenuwarts geworden Ferdinand Jerobeam en Isabel ontmoet, door bemiddeling van de mormoon Page.

Er is dan al heel wat gebeurd: wij weten dat Ferdinand zijn weg naar boven niet zonder cynisme gebaand heeft (en passant vermoordt hij een oudere vrouw, Vera, door wie hij zich onderhouden liet); en wij hebben gezien hoe Onitah verliefd geworden is op Jerobeam, die dat niet merkt, of er in ieder geval niet op ingaat, maar die zich wel laat inpalmen door zijn andere halfzuster, Isabel. Onitah zet haar incestverlangens om in een cultus van het oude Egypte, waar immers broer en zuster met elkaar mochten trouwen (de farao) zonder daardoor ‘zondig’ te worden. Op den duur gaat zij alles wat zij denkt te weten van de verloren gegane godsdienst der Egypte-naren zelf geloven, zodat zij het vreselijkste onheil verwacht wanneer zij dood zal zijn: als haar lichaam niet behouden blijft, zal haar ziel doelloos moeten rondzwerven, tot in alle eeuwigheid, en wie zou haar willen balsemen?

Voor de wereld is zij nu gek geworden. Jerobeam en Isabel brengen haar onder bij Ferdinand, die als arts op haar zal toezien. Ook is het wel plezierig voor hen om Onitah niet meer over de vloer te krijgen. Ferdinand is gevestigd in de stad Memphis, waarvan de naam Onitah niet onberoerd laat.

Van dit punt af wordt het leven van de vier in wisselwerking verteld, zonder dat nog scherpe scheidingen optreden tussen de verhaallijnen. Het is niet mogelijk om een alles beheersende ‘hoofdfiguur’ aan te wijzen, al kan men zeggen dat Isabel het minst geprononceerd optreedt (hoewel zij vermoedelijk wel even haar moeder vermoordt), en dat de gebeurtenissen vooral gecentreerd worden

[p. 77]

rond het huis van Ferdinand. Onitah woont daar, en als Jerobeam haar later komt opzoeken, maakt hij Ferdinand, die inmiddels een bijzondere binding met Onitah is gaan voelen, jaloers. Ferdinand laat nu ook Jerobeam krankzinnig verklaren, en in een inrichting opnemen.

Als Onitah zelfmoord pleegt, balsemt Ferdinand haar lijk. Isabel weet tenslotte tot haar kamer door te dringen. In Ferdinands huis is dan al een sfeer van verwildering ontstaan. Het verhaal krijgt groteske allures, parallel aan de groeiende waanzin van Ferdinand, die daardoor, voor de lezer, toch op den duur meer als centrale figuur gaat werken dan de overgebleven anderen.

In het huis woont nu ook de neger Diego, die zijn jeugdvriend Ferdinand chanteert. Onitahs lijk, aangeraakt door Isabel, gaat daardoor tot ontbinding over: het hele verhaal door heeft Isabel veel van de boze stiefzuster uit sprookjes, ten opzichte van Onitah. Men kan niet eens zeggen dat het opzet van haar is dat zij alles dwarsboomt wat Onitah wil, tot over de grenzen van het leven heen; maar voor het slachtoffer maakt dat weinig uit.

Tenslotte wordt ook Ferdinand krankzinnig verklaard, en de lezer heeft het recht om te denken: niet voor niets. Hij gaat naar dezelfde inrichting als Jerobeam. Daarmee zijn alle figuren in een gekkenhuis terecht gekomen, zijn moordenaars gebleken of zijn zelf een onnatuurlijke dood gestorven.

Men ziet: een verhaal dat met een systematische opbouw begint, en dan steeds meer uit de hand loopt, - de goede kant uit. Het is namelijk vooral vanaf het moment dat de waanideeën van verschillende figuren gaan domineren, dat wij het boek als een ‘echte Hermans’ herkennen.

Nog iets over de techniek, voordat ik met de beloofde associaties en vergelijkingen met andere boeken van Hermans kom.

Het is niet helemaal duidelijk, hoe men de positie van de ‘verteller’ moet zien. Soms wordt de werkelijkheid getekend geheel vanuit het perspektief van één van de figuren (hetgeen dan aangegeven kan zijn doordat het hoofdstuk zijn naam draagt), maar op andere momenten wordt iets als een ‘onpersoonlijke verteller’ zichtbaar, die overal buiten en boven staat. Zo lezen wij op p 44: ‘waarover wij tot nogtoe niet spraken’, op p 55: ‘In Hyram C. Page hebben wij echter het prototype van den “echten Yankee” ontmoet’.12 Derge-

[p. 78]

lijke wendingen wijzen op een gezichtspunt dat buiten de figuren geplaatst is. Een enkele maal gaat dat zelfs de kant uit van het debiteren van algemene waarheden als: ‘Wie trouwens kan met zekerheid zeggen: “Ik slaap”?’ (p 112). Een leuke hermansiade, dat wel, maar in latere boeken zou hij het vermoedelijk toch slimmer gebracht hebben, namelijk door één van zijn figuren zo'n uitspraak te laten doen. Door voor ‘de verteller’ een positie buiten de figuren te suggereren, in plaats van, zoals later, alles vanaf de plaats van de figuren zelf te laten zien, komt er iets als een objektieve waarheid in het geding. En dat mag juist niet, want één van de kernpunten in het boek is dat er, omtrent bepaalde zaken ten minste, geen waarheid bestaat. Vandaar het onovertuigende van enkele plaatsen waar Hermans nog in de verkeerde richting informaties verstrekt, zoals op p 120, waar over de brieven die Jerobeam uit zijn inrichting aan Isabel13 stuurt (zij komen nooit aan) gezegd wordt: ‘Zij zijn later vrij volledig teruggevonden’. Dit is een soort rechtvaardiging van het feit dat de verteller er iets vanaf weet (waarom zou het er anders staan?), maar de lezer heeft aan dit historisch-maken geen behoefte.14 Hij zou genoeg hebben aan het gegeven dat die passages helemaal vanuit Jerobeam gezien zijn. Dat dit ‘in werkelijkheid niet kan’ is voor hem geen enkel probleem, terwijl de gebondenheid aan het persoonlijke gezichtspunt van Jerobeam juist alleen maar winst oplevert. Gelukkig laat Hermans op andere plaatsen deze skrupules varen, namelijk als hij de dingen beschrijft zoals zij zich alleen maar voor één van de figuren hebben kunnen voordoen.

Een ander zwak punt is de wijze waarop de tijdskategorie gehanteerd wordt. Het begin van het boek bestaat hoofdzakelijk uit een ‘panoramatische’ vertelling, met hier en daar een ‘close up’, dat wil dus zeggen: wij zien de gebeurtenissen in vogelvlucht (want in het verleden gebeurd) en worden er een enkele maal door de verteller tussenin gezet. Afwisseling van versnelling en vertraging, Raffung en Dehnung zeggen de duitse theoretici, is het gevolg van dit procédé. Het is een aanpak als een andere, maar één van de konsekwenties ervan is wel dat, àls de schrijver het tijdsverloop

[p. 79]

duidelijk wil aangeven, hij konsekwent moet zijn, omdat anders de lezer gedesoriënteerd raakt.

De gewone manier van chronologiseren bij Hermans is het indirekt aangeven van momenten in de tijd, waardoor het verloop daarvan voor liefhebbers te rekonstrueren is. Ook in Conserve komen wij dergelijke gevallen van ‘indirekte datering’ tegen, bijvoorbeeld als terloops gemeld wordt dat men ‘in Atlanta bezig [was] de koppen van de helden der zuidelijk staten in de rotsen uit te houwen’ (p 43). Daarnaast treft men expliciete tijdsaanduidingen aan - daar is Hermans in latere boeken veel zuiniger mee - zodat wij in grote trekken kunnen vaststellen hoe lang bepaalde perioden duren, en dat kan dan ook perioden betreffen waarvan niets anders meegedeeld wordt dan hoeveel tijd zij in beslag nemen. Bijvoorbeeld: Jerobeam studeert af (laten wij zeggen, hij is dan 25 jaar), gaat, vermoedelijk niet lang daarna, op expeditie naar de tropen waar hij tien jaar blijft (p 77), leeft vervolgens enkele jaren met Isabel (de tijd namelijk dat Onitah in Ferdinands kliniek is, p 114), en zit tenslotte lang genoeg in de inrichting om een baard te laten groeien. Wanneer hij op p 214 zegt: ‘Ik ben toch nog jong, niet eens veertig, al zie ik er ouder uit door mijn baard’, is de kontrolerende lezer (precieze datering nodigt nu eenmaal uit tot precieze lektuur) tevreden.

In de loop van het boek echter treedt een verschuiving op. De expliciete chronologie klopt nog wel, zoals wij gezien hebben, maar de verhouding tussen panoramatische passages (waar wij, met de verteller mee, de gebeurtenissen van een afstand zien) en de close ups, waar wij binnen de situatie geplaatst worden, soms zelfs binnen het perspektief van één personage, wordt anders. Het verhaaltempo kent niet meer de sterke wisselingen van het begin, wij volgen doorgaans de gebeurtenissen op de voet, met slechts één, duidelijk aangegeven, sprong in de tijd (‘een paar jaar’, op p 114). Wanneer deze verandering in de vertelwijze plaats vindt, kan moeilijk exakt vastgelegd worden; ik zou zeggen bij de aanvang van het hoofdstuk Het knooppunt, d.w.z. op een plaats die ook in ander opzicht een duidelijke caesuur in het verhaal vormt. So far so good. Maar, en dat is lijkt mij juist het gevolg van de expliciete middelen die voor het aangeven van het tijdsverloop gebruikt worden: vanaf het moment dat de lezer de gebeurtenissen synchroon volgt, is het niet meer mogelijk om hem zonder nadere aankondiging weer te verplaatsen in de positie van ‘achteraf’ (panoramatisch) kijkende.

[p. 80]

Hij is de grens van verleden naar heden gepasseerd, en kan het verhaal niet meer zien als ‘vroeger gebeurd’, tenzij dat, bijvoorbeeld in de vorm van flashbacks, uitdrukkelijk aangegeven wordt. Toch wordt juist dat van hem gevraagd als hij, op p 205, leest: ‘doktersromans, die toen zeer in de mode waren’. De lezer wordt uit het verhaal gegooid op een ogenblik dat hij erin gehouden had moeten worden.

Zoals gezegd, dit pretendeert niet het resultaat te zijn van een exakte analyse. Ik heb alleen willen vastleggen dat, zelfs bij ‘gewoon lezen’, de lezer gedesoriënteerd kan raken op een punt waar het verhaal dat niet vereist, of zelfs niet verdraagt. Authentiseringstrucjes, als ‘kennis van zaken bij de verteller’ en ‘kloppen van het tijdsverloop’ worden in Conserve nog niet zo geraffineerd gehanteerd als in latere romans, dat is eigenlijk waar het om gaat, dus weer tegen de achtergrond van de vraag: wat verandert er voor ons doordat Hermans is blijven schrijven?

Genoeg gekissebis over de zwakke kanten van het boek. Er staat heel wat tegenover, maar helaas kunnen die positieve eigenschappen niet zo vlot aangewezen worden. Ik hoop dat zij uit mijn bespreking voldoende zullen blijken, bijvoorbeeld doordat zichtbaar wordt hoe authentiek hermansiaans dit debuut van de twee-en-twintig jarige meteen al was.15

II

Ik begin klein: bij de losse woorden, wendingen en gebeurtenissen die ons (mij) doen denken aan andere plaatsen in Hermans' werk. Geleidelijk zal ik het gezichtsveld dan verbreden, om tenslotte te komen tot het punt dat ik kan aantonen, hoezeer dit boek een optiek op de wereld vertoont die men bij niemand anders tegenkomt, en hoezeer die optiek gesteund wordt door trefzekerheid in de keuze van situaties, thema's, personages.

Van deze lokale verschijnselen geef ik alleen maar een kleine selektie bij wijze van demonstratie van wat ik bedoel. De lezer kan vanuit eigen ervaring gemakkelijk aanvullen. Ik volg de chronologie van Hermans' werk, om iets van de dynamiek te rekonstrueren, die de ontwikkeling van de lezersreceptie vertoont. Ieder

[p. 81]

nieuw boek van de schrijver laat zijn oudere werk anders lezen, een perpetuum, mobile want ook hèrlezing van een van de boeken uit de rij wijzigt het geheel weer.

Onitah pleegt zelfmoord door zich de polsen te openen; in één van de gedichten uit Horror coeli snijdt zich ook iemand de polsaderen door, en zusje Deborah Stegman uit Ik heb altijd gelijk pleegt in ieder geval zelfmoord. ‘Van jongsafaan geobsedeerd door zelfmoord in een bad’, zegt Richard in ‘Het grote medelijden’ van zichzelf.

Aan Ik heb altijd gelijk, het boek dat in allerlei andere opzichten ver van Conserve afstaat, doen desondanks wel meer passages denken. Zoals: Onitah ‘verwaarloosde haar uiterlijk zooveel mogelijk’, ‘gaf niets om haar kleeren’ (p 37-38), net als Deborah weer, maar vooral, als Onitah over de Egyptenaren praat: ‘Zij waren de machtigsten der aarde, [...] zij hadden altijd gelijk. De machtigsten hebben altijd gelijk, nietwaar?’ (p 98-99). Het gaat mij nu om de woordkeuze, maar het is duidelijk dat hier een heel thema in het geding is.

Dat Conserve herhaaldelijk associaties aan De god Denkbaar Denkbaar de god oproept, zal iedereen wel zonder aarzeling beamen, maar minder voor de hand liggend is toch misschien dat het soms om heel centrale ogenblikken in beide boeken gaat. Over Onitahs fantasie dat zij naar het oude Egypte teruggekeerd is (vlak voor haar zelfmoord) lezen wij: ‘Zij sprong, maar kon door haar handen anders te houden de snelheid van haar val nauwkeurig regelen’ (p 182). Ik laat maar één zinnetje zien, maar de hele passage herinnert direkt aan de sprong waarmee Denkbaar zijn goddelijkheid bewijst. Dit voorbeeld is konkreet, maar meestal is de verwantschap met Denkbaar er eerder een van vertelwijze (‘Haar woordenstroom was eindeloos, de woorden rijden zich aaneen als een soort melodie, gespeeld door een orkest van een paar honderd schrijfmachines’, p 37), dus minder bewijsbaar. Hecht lijkt mij de associatie weer in het volgende: opkijkend tegen een hoog gebouw ‘(nam) Naomi het weggewaaide papier op en riep naar boven: “Van wie is dat? Het hoort hier niet!” Doch degeen van wie het was zat zoo hoog dat hij zich God waande en dus geen antwoord gaf’ (p 73). Hecht, en waarschijnlijk van belang voor de wijze waarop Hermans schrijft. Het lijkt mij namelijk waarschijnlijk dat de verwantschap tussen dergelijke passages in verschillende boeken teruggaat op een visuele beleving, of een droom, die de auteur eens gehad heeft. Hella Haasse heeft dergelijke herhalingen in het werk van Vestdijk aangetoond in haar essay ‘In de ban van het glinsterende’ (Lees-

[p. 82]
tekens, 1965). Een systematisch onderzoek bij Hermans zou zeker even lonend zijn. Op deze plaats kan ik alleen maar een treffend geval signaleren, zonder er enige konklusie aan te verbinden over de algemene rol van de visuele repetitie bij Hermans. Ik ken trouwens geen wetenschappelijke studie over het verschijnsel, bij welke schrijver dan ook. Eén vermoeden wil ik echter wel uitspreken: voor de lezer zijn dergelijke patroonmatigheden van doorslaggevend belang bij het opbouwen van een koherente voorstelling van de wereld die een schrijver oproept. Dus: op dit belangrijke punt overschrijden wij onvermijdelijk de grens tussen afzonderlijke werken, en wordt de wijze waarop wij van het ene boek kennis nemen niet alleen beïnvloed, maar misschien zelfs grotendeels bepaald door onze kennis van andere boeken (van dezelfde auteur). Dat al onze leeservaringen meespelen, dus ook waar het om boeken van andere auteurs gaat, weet ik natuurlijk wel. Het gaat mij er echter niet om, dergelijke algemeenheden te verkondigen, maar te wijzen op konkrete verschijnselen. Daarom richt ik mij op het aanwijzen van een feitelijke relatie, in plaats van een machtswoord als ‘intertextualiteit’ uit te spreken.

Natuurlijk moet men ervoor oppassen dat het signaleren van repetities niet ontaardt in een opsomming waar geen enkele algemene waarde aan toe te kennen is. Wanneer wij zien dat zowel in De laatste resten tropisch Nederland (p 50) als in Conserve (p 232) gesproken wordt van ‘vlinders groot als bankbiljetten’, dan lijkt het mij toe dat hier niets anders aan de hand is dan dat Hermans vergeten was dat hij dit grapje al eens eerder gemaakt had. De funktie van het beeld is trouwens volkomen verschillend: in Conserve vliegen deze vlinders om het rottende lijk van Onitah (die miljoenen nalaat), in De laatste resten gaat het om de romantische voorstelling die de europeaan zich op grond van films maakt van tropische landen. Mocht iemand toch nog een direkt verband willen leggen, dan zou het hoogstens dat van de zelfspot zijn: zo stelde ook ik mij vroeger de tropen voor. Maar het grapje wordt dan wel helemaal voor eigen gebruik, want welke lezer herinnert zich zo'n minieme herhaling?

Tenslotte nog één voorbeeld om te laten zien, hoe iets dat wij aanvankelijk als een incidentele notitie hebben gelezen, nu als een zich herhalend motief gaat werken, en daarmee de schrijver zelf in het geding brengt: Ferdinands ‘roep overtrof (zooals bij alle goede doktoren) zijn kundigheden verre. Vooral het vrouwelijke deel van

[p. 83]

zijn patiënten, en dat was verreweg het grootste, was hem warm toegedaan en vaak waren zijn blikken alleen al voldoende haar te genezen’ etc. (p 108). Daar was in 1947 toch niet meer uit te halen dan een wat spottende aanduiding van wat men psychosomatische therapie noemde; Dokter Klondyke versterkte dat effekt. Maar Dag dokter! maakte er iets radikaal anders van: een giftige opmerking aan het adres van de medicijnmannen.

III

Tot nu toe had ik het over passages of wendingen die letterlijk weerkeren in ander werk, of die een onontkoombare associatie daarmee bij de lezer oproepen. Nu komt een wat dieper liggende verwantschap aan de orde, namelijk die op het gebied van stylistische ‘kunstgrepen’ die Hermans in Conserve al gebruikte, maar die zijn lezers toentertijd meestal nog niet gezien zullen hebben. Een moeilijkheid bij de bespreking van dit onderwerp, is de veelomvattendheid ervan; liever dan een rijtje stijlmiddelen op te sommen en deze terloops van een illustratie te voorzien, ga ik op één kunstgreep wat verder in en leg daarvan dan een lijst van voorbeelden op tafel.

Iedereen kent uit latere romans van Hermans de herhaling van een bepaalde wending waardoor een uitzonderlijke spanning optreedt, binnen één passage of zelfs door de hele roman heen. Een voorbeeld van het eerste: de letterlijk herhaalde beschrijving van de prent met apen in De donkere kamer van Damocles, waardoor ondergronds een naderende katastrofe aangekondigd wordt; en van het tweede: het ‘hoge raam’ dat obsederend terugkeert in Denkbaar. Men kan van een lyrisch middel spreken, in zover als het vooral op de korte baan werkzaam is; dat een boek als Denkbaar een zo sterk lyrische indruk maakt, is dan ook ongetwijfeld voor een niet gering deel te danken aan het type kunstgrepen dat gebruikt wordt. Conserve nu, staat ook vol van ‘korte baan effekten’.

In de eerste paragraaf van het eigenlijke verhaal al,16 komt een goed voorbeeld voor: ‘Op den Atlantischen Oceaan voer een groote stoomer’ (p 5), dan dezelfde zin op p. 6, en tenslotte op p 7: ‘Op den Atlantischen Oceaan zonk een groote stoomer’. Eerlijk gezegd is

[p. 84]

voor mij de werking van dit stijlmiddel nog niet erg imposant. Het doet denken aan auteurs als Ehrenburg - bij ons Wagener - zoals ook het simultanisme, waarmee het derde paragraafje begint, in die richting wijst: ‘Op hetzelfde oogenblik dat de planter, zwaaiend aan de balustrade zijn voeten in het water voelde zinken [...] ontspande zich de sluiter van een fototoestel, onder andere in Nicaragua, op zijn bezitting’ (p 7). Hier is nog helemaal sprake van buitenkant-effekten, die de lezer dan ook als oppervlakkig, want volledig rationeel, ervaart. Een ander voorbeeld: de driemaal herhaalde mededeling, ook in het eerste hoofdstuk, dat een indiaanse vrouw een dollar in haar omslagdeken wegstopt. Leuk, een ironisch middel tot type-vorming, maar niet meer dan dat. Zeker niet in de verste verte te vergelijken met het naar het onderbewuste van de lezer verplaatste effekt van de apenprent in Damocles. Daar immers is het op het eerste oog helemaal niet begrijpbaar waarom de beschrijving herhaald wordt, en die onbegrijpelijkheid verontrust de lezer; zijn onrust maakt hem rijp voor het met volle impakt beleven van één van de meest katastrofale momenten in het boek. Veel interessanter is in Conserve al zoiets: tegen het einde van het boek neemt Ferdinand wat cocaïne, dat ‘schitterde als een zoutmeer in de woestijn’ (p 227). Een verwijzing naar Salt Lake City, die verder met geen enkel uiterlijk middel toegelicht wordt, en daardoor voor de lezer ondergronds gaat werken, als een soort ekwatie van de cocaïne en het mormonen-Mekka.

Een ander, evenzeer verborgen, geval: de vrouw waarmee de verdronken planter net een avontuurtje zou hebben toen zijn oceaanstomer verging, heette Vera, net zoals de oudere vrouw waarmee zijn vermoedelijke zoon Ferdinand later op een rivierboot een verhouding krijgt (en die hij vermoordt). De werking van zo'n parallelisme kan duidelijk gemaakt worden door een vraag te stellen (bijvoorbeeld: gaat het hier om ‘toeval’ of om ‘noodlot’?) die, zoals zo vaak bij Hermans, niet eenduidig te beantwoorden is, en daardoor een eigenschap bloot legt van zijn hele romanwereld: het is vaak niet mogelijk om de verschijnselen een ‘juiste naam’ te geven. De opzet van het hele boek Conserve sluit zich bij die openheid aan. Het is net zo goed mogelijk om Ferdinand het ‘noodlot’ van de drie mormonen-kinderen te noemen, en vice versa, als om, de ontwikkeling van het verhaal volgend, te spreken van ontmoetingen op grond van volslagen toeval.

Nog zo'n geval van een herhaling die een verband tussen bepaalde

[p. 85]

passages aanbrengt, dat wij niet eenvoudig verklaren kunnen: Ferdinand vertelt iemand over de moord op Vera, in deze bewoordingen: ‘Polypen van gas strengelden zich om haar heen’ (p 49). Twee bladzijden verder wordt van deze Ferdinand zelf, in momenten van impasse, gezegd: ‘Hij voelde hoe zijn denken overrompeld werd als door de taaie armen van een poliep van gas’. De lezer heeft nu de neiging om te gaan psychologiseren over de plaats die Vera in het leven van Ferdinand innam, of op zijn minst aan te nemen dat Ferdinand verlamd wordt door de herinnering aan, en misschien wel schuldgevoelens over, de moord, maar nog geen tien regels later wordt die rechtstreekse verklaring hem uit de hand genomen: ‘Aan den moord op Vera dacht hij minder dan men zou vermoeden’. Effekt: Ferdinand wordt misschien onderbewust, maar zeker niet bewust, gepreokkupeerd door zijn misdaad, en dat draagt Hermans op zijn lezers over, niet door het in ronde woorden mee te delen, maar door middel van taalecho's in zijn eigen verhaal, waardoor de ervaringen van de figuur en de lezer parallel geschakeld worden. Het beslissende proces vindt in de lezer zelf plaats. Ook dit is een verschijnsel dat op ruimer schaal onderzocht zou moeten worden, bij Hermans en bij anderen.

Tenslotte een voor de loop van het hele boek essentieel voorbeeld, dat laat zien op hoe grote afstand de associaties bij de lezer nog kunnen funktioneren: op p 29 wordt Ferdinand-Fernando, die op dat moment nog niemand van de mormonen kent, zó beschreven: hij ‘staarde naar de maan, als een coyote op de prairie, hij huilde, maar inwendig’. Veel en veel later krijgt hij, in zijn relatie met Onitah, de rol van Anubis, de jakhalsgod, te spelen; op p 183 ziet Onitah zelf hem uitdrukkelijk in verband met de jakhals (overigens wordt dat meegedeeld via een te dik opgelegd freudianisme: hij draagt ‘het blauwe jak van haar lievelingspop om zijn hals’). Dit stijlmiddel van de ‘voorafschaduwing’ heeft Hermans ook later veelvuldig gebruikt; denk maar aan de boom uit Het behouden huis.

Ik hoop dat met dit ene testgeval van een kunstgreep die voor Hermans' hele oeuvre van belang is gebleken, aannemelijk gemaakt is, dat Conserve ook hierin al de kiem bevat van karakteristieke eigenschappen van zijn schriftuur. Ik zou ook andere voorbeelden hebben kunnen kiezen. Om het niet bij deze blote bewering te laten stip ik nog enkele voorbeelden aan, stuk voor stuk een onderzoek waard:

In bijna al Hermans' romans bevat het slot een knaleffekt: een

[p. 86]

scherpe verschuiving in perspektief, een voortzetting van het verhaal over zijn eigen grenzen heen (de dood van Osewoudt!) of iets dergelijks. Dat explosieve effekt, waardoor de lezer het gevoel heeft dat hem de stoel onder het lijf weggetrokken wordt, is al in Conserve te vinden. Hoeveel ellende is er voor de drie mormoontjes niet voortgekomen uit hun incestueuze verlangens en daden, waarvan zij menen dat zij zondig zijn (uit de verlangens meer nog dan uit de daden, wat op zichzelf al weer mooi Hermans is)? En wat blijkt in de laatste alinea's, heel terloops? Dat een mormoon best met zijn (half)zuster zou mogen trouwen, juist op grond van de leer!

En dan de laatste woorden: ‘met die noten zette de verveling in’. Daar beleeft de lezer dubbel plezier aan. Verveling is het slotbedrijf van al deze turbulente wederwaardigheden, èn: voor de lezer begint nu ook de verveling, de leegte, een sensatie die iedereen kent wanneer hij een boek met een sterk geprononceerd eigen karakter uit heeft.

Over de al terloops vermelde wijze waarop de kausaliteit (noodlot? toeval?) in het verhaal fungeert, kan men iets dergelijks zeggen. Immers, wat als toeval gepresenteerd wordt, is door iemand, namelijk de schrijver, bij elkaar gebracht, bevat dus ‘samenhang’, en is daardoor op struktureel plan geen toeval meer, - iets wat de lezer weet en waarvan hij zich steeds bewust blijft. Er wordt zo een gekompliceerd spel met die lezer gespeeld, waardoor deze aan de opbouw van het verhaal mee moet doen. De grens tussen ‘wat er staat’ en ‘lezersinterpretatie’ is niet scherp te trekken. Als Jerobeam aan het eind van het verhaal papierstroken op zijn hoofd plakt (en daardoor ‘wat op een Indiaan (lijkt)’, gaat men dan te ver als men zegt: hij gaat steeds meer op de (halfindiaan) Ferdinand lijken? Wanneer wij ons realiseren dat Jerobeam geleidelijk het bewegingloze bestaan van Ferdinand gaat leven, is dit op zichzelf een volkomen legitieme konklusie, maar staat het er? Dat zou moeilijk vol te houden zijn. Aan de andere kant verdwijnen zin en samenhang op allerlei punten als wij zo streng zouden vasthouden aan ‘de tekst zelf.17

[p. 87]

Nog krachtiger grijpt de lezer in, wanneer hij aan dergelijke aanduidingen een algemene formulering geeft, zoals: niemand ontkomt aan zijn noodlot. Toch kan de rol van Isabel in het leven van Onitah, het weer opduiken van Diego, de positie van Ferdinand in het bestaan van een groep mensen waarmee hij ‘toevallig’ kontakt krijgt, een zo krasse generalisatie eventueel nog wel steunen. Ook andere boeken van Hermans suggereren een dergelijke mogelijkheid. Het fatum neemt dan, net als in Conserve trouwens, vaak de vorm aan van de stelling: niemand kan zich van zijn verleden bevrijden. Persoonlijk ben ik niet gek op dergelijke algemene beweringen over een auteur, maar het kan zijn dat de interaktie tussen de boeken van één schrijver onvermijdelijk tot sterk generaliserende beschrijvingen leidt. Ook dit zou als afzonderlijk theoretisch probleem bekeken moeten worden.

Men kan de generalisaties waar het hier om gaat beschouwen als de ruimste vorm die thema's aan kunnen nemen, en daarmee zijn wij aanbeland bij het volgende onderdeel van ons onderzoek. Wel zoek ik het niet zó ruim, dat termen als ‘noodlot’ een rol zullen spelen, maar de effekten die wij nu gaan bekijken liggen in een cirkel met bredere straal dan de lokale verschijnselen die ons tot nu toe bezighielden, lokale verschijnselen, die wij trouwens al herhaaldelijk in verband moesten brengen met vragen van wijdere strekking. Allicht, want anders waren zij onze aandacht niet waard.

IV

Een thema is minder precies aan te wijzen dan de letterlijke herhaling van woorden en wendingen, maar ik meen toch wel aannemelijk te kunnen maken dat in Conserve reeds een aantal thema's opduiken, waardoor latere romans geheel gedomineerd zullen worden. Omdat hier nog meer sprake is van interpretatie door de (deze) lezer dan in het vorige hoofdstukje, wil ik eerst enkele van die thema's op tafel leggen. Iedereen mag dan voor zich zelf uitmaken of ik gelijk heb als ik beweer dat zij in bepaalde, met name genoemde, boeken centraal staan. Vervolgens zal ik met citaten of samenvattingen moeten bewijzen dat in Conserve die zelfde thema's niet alleen voorkomen maar werkelijk van belang zijn. Dat het niet mag gaan om thema's die in romans al gauw voorkomen, zoals ‘liefde’, ‘leven en dood’, of zelfs ‘waanzin’, ‘gewelddadige dood’ en het zoëven genoemde ‘noodlot’, maar om werkelijke hermansia-

[p. 88]

des, spreekt vanzelf, omdat wij anders geen enkele strategische winst kunnen verwachten van het aanwijzen ervan.

 

Thema 1: Wie gelijk heeft, kan dat alleen waar maken als hij over macht beschikt;

thema 2: de vader is een onbereikbare;

thema 3: de hoofdfiguur is een uitgeslotene;

thema 4: broer-zuster verhouding;

thema 5: godsdienstige fantasmagorieën, op basis van levenservaringen;

thema 6: iets wordt voor de waarheid aangezien alleen omdat de meeste mensen erin geloven (of er belang bij hebben).

 

Natuurlijk zijn er allerlei verbindingen tussen deze thema's, tenminste bij Hermans, maar zij komen ook in onvermengde staat voor. Thema 1 in Ik heb altijd gelijk, De elektriseermachine van Wimshurst, thema 2 in De tranen der acacia's en Nooit meer slapen, thema 3 in De donkere kamer van Damocles, thema 4 in Ik heb altijd gelijk en De god Denkbaar Denkbaar de god, thema 5 in Denkbaar en thema 6 in Damocles. In elk van die gevallen had ik eraan toe kunnen voegen: en elders, of zelfs: passim. In de als voorbeeld genoemde boeken gaat het om thema's waarvan het centrale karakter door niemand ontkend kan worden.

Nu Conserve. Thema 1: Onitah over het oude Egypte: ‘Zij waren de machtigsten der aarde [...] zij hadden altijd gelijk. De machtigsten hebben altijd gelijk’ (p 98-99). En later Isabel: ‘Oudere menschen hebben altijd gelijk en vragen niemand's meening behalve om uit te laten komen dat hun eigen opvattingen voortreffelijker zijn’ (p 136). De samenhang van het thema ‘gelijk hebben’ met ‘macht hebben’ wordt, net als in de andere genoemde boeken, tot stand gebracht via de machteloosheid van kinderen tegenover volwassenen. Of dit naar de oorsprong van het thema wijst, mogen de psychologen uitmaken.

Thema 2. De onbereikbaarheid van zowel Ferdinands verdronken (vermoedelijke) vader, als van die van de mormonenkinderen hoeft niet toegelicht te worden. Het verband van thema 2 met thema 1 is gemakkelijk aan te brengen.

Overigens is dit één van die gevallen waarin Conserve toch ook een

[p. 89]

duidelijk verschil vertoont met de boeken waarin het bedoelde thema centraal staat. In De tranen der acacia's en Nooit meer slapen bijvoorbeeld is de onbereikbaarheid van de vader een richtende faktor in het verhaal, en de vraag is of dit ook voor Conserve geldt. In ieder geval wordt het gedrag van de hoofdfiguur (-figuren) er op een geheel andere wijze door beïnvloed. Bij de latere romans kan men spreken van een kweeste, die direkt met de afwezige vader te maken heeft. In Conserve echter is daarvan geen sprake. Wel trekt Jerobeam voor een wetenschappelijke expeditie het oerwoud in, maar dat heeft niets te maken met zijn vader, evenmin als Ferdinands omzwervingen een ‘kweeste’ zijn. Integendeel, kenmerkend voor het gedrag van de laatste is juist dat hij tot volstrekte passiviteit komt, en ook Jerobeam gaat tenslotte (noodgedwongen) dezelfde weg op. De problematiek van willen en streven wordt hier opgelost door de willoosheid als uitkomst te behandelen.

Dat ik een Schopenhauer-terminologie gebruik, is natuurlijk opzet. De invloed van Schopenhauer op Hermans' wereldbeeld is wel vaker gesignaleerd, maar men denkt daarbij doorgaans aan het pessimisme. Dat lijkt mij weinig overtuigend. ‘Pessimisme’ gaat vooraf aan een keuze voor juist die filosofie. En Hermans' pessimisme wordt nergens gerechtvaardigd in Schopenhauerse termen. Maar de willoosheid als bevredigende oplossing voor de pijnlijke drang van het onvervulde streven, dat is expliciet een Schopen-hauer-these, en op zo'n punt kan een romancier wel degelijk door een filosoof, waar hij om andere redenen toch al voor voelt, bijgestuurd worden. Moedwil en misverstand (verschenen in 1948) wordt dan ook onder de vlag van een motto uit Schopenhauer de wereld ingestuurd. Niemand zal mij vermoedelijk tegenspreken als ik zeg dat nadien andere filosofen voor Hermans van meer belang zijn geworden, hetgeen op zichzelf al een aanwijzing is voor de juistheid van mijn bewering dat Hermans het pessimisme niet van Schopenhauer hoefde te leren: dat is immers later zeker niet minder gemarkeerd dan in het jeugdwerk.

De relatie van ‘willen en streven’ met het motief van een supergo, dat weer te maken heeft met de (onbereikbare) vader, is in het volgende citaat aangeduid: ‘Hier beschermt men mij voor mijzelf. Hier verveel ik mij, maar er wordt niets van mij verwacht’ (Jerobeam op p 215). Wie dit tot een samenhangend geheel wil aanvullen, denke aan Nooit meer slapen en aan Ik heb altijd gelijk, waar de problematiek van de hoofdfiguren beheerst wordt door het feit

[p. 90]

dat er ‘iets van hen verwacht wordt’, en dat staat dan weer in verband met hun vader. Tussen haakjes, de ‘onbereikbaarheid’ die herhaaldelijk letterlijk is, kan, zoals uit Ik heb altijd gelijk blijkt, ook geheel psychologisch blijven: de vader is ‘nooit in te halen’, hij heeft de hele jeugd van de hoofdfiguur ‘gelijk gehad’ (d.i. de macht gehad); op het ogenblik dat zijn gelijk, zijn macht, gerelativeerd wordt door Stegman, is het gedaan met diens ‘streven’.

Thema 3, de buitengeslotene. Voor Ferdinand vormen ‘de anderen’ ‘iets op zichzelfstaands, een geheel, een bol die hij niet binnendringen kon’ (p 150). Jerobeam konstateert dat alleen in Europa, waar hij nu eenmaal niet is, nog mensen wonen zoals hij. Onitah weet van Jerobeam dat ‘hij zich eenzaam en onbegrepen voelde zooals zij zelf’ (p 40 en 41). En dezelfde Onitah vraagt zich af waarom ‘juist zij gehaat en uitgesloten werd’, en zij houdt zich bezig met ‘het verdiepen van haar gevoelens van eenzaam en uitgesloten zijn’ (p 36). Dit zou een beschrijving kunnen zijn van de houding van Arthur Muttah.

Dan het adelfisme, de broer-zuster (eigenlijk halfzuster) verhouding, weer een thema dat te maken heeft met dat van de onbereikbare vader. In vrijwel al Hermans' boeken komt zo iets voor, maar het kan twee, nogal verschillende, vormen aannemen: die van de recht-op-en-nere sexuele relatie (Kassaar) en die van de ambivalente haat-liefde, of in ieder geval van de bijzondere gebondenheid. In Ik heb altijd gelijk is Lodewijk Stegman in gedachten voortdurend bezig met zijn gestorven zuster Deborah, en de ambivalentie van zijn houding is duidelijk. Arthur Muttah, verder, haat zijn zuster (halfzuster!) Carola, maar heeft een verhouding met de vrouw van Oskar Ossegal, die zelf weer iets met Carola heeft. Dat lijkt verdacht veel op vervanging, en er is minstens één scene waarin de sexualiteit het rode hoofdje om de hoek steekt (de vechtpartij). In Conserve komen beide vormen voor. Jerobeam en Isabel leven samen, maar tussen Onitah en Jerobeam is toch ook van zíjn kant de zaak niet helemaal kosjer. Weliswaar wordt Jerobeam aanvankelijk als onverschillig of onbegrijpend tegenover Onitahs avances getekend, maar later krijgt de lezer argwaan. Is het misschien niet juist Jerobeams intense emotionele relatie tot deze zuster die maakt dat hij niet op haar invites ingaat, en wèl op die van Isabel? Als Onitah weg is, denkt hij meer aan haar dan ooit, en wij krijgen te horen: ‘Hij zat weer op school en Onitah naast hem. Hij was weer bang voor haar (of verachtte hij haar?) hij wilde weer aan haar invloed ontkomen,

[p. 91]

hij vocht weer met haar, zoals zoo vaak was gebeurd, trapte haar tegen de schenen’ (p 104). Mij dunkt, dat is niet veel minder ambivalent dan de relatie Arthur-Carola.

De overgang van dit adelfisme naar het volgende thema, de godsdienstige fantasmagorieën, ligt in het materiaal zelf opgesloten. Hoewel Onitah heel weinig van Egypte afweet, zoals blijkt wanneer zij aan het eind van het verhaal nog bij haar hallucinerende entree in het oude land zigeunerjongetjes - gypsies - ziet rondlopen, begint zij toch fantasieën en redeneringen erover op te bouwen; en dat vangt aan op het moment dat zij zich volledig bewust is geworden van haar liefde voor Jerobeam, die naar zij meent ‘verboden’ is, en dus alleen gelegaliseerd kan worden door het geloof van haar vaderen te verruilen voor een ander, dat haar verlangens niet dwarsboomt. Door een mormonen-milieu als décor te kiezen, en daarmee zowel bizarre geloofsvoorstellingen als broerzuster komplikaties tot feitelijke gegevens te maken, heeft Hermans zich de kans geschapen om enkele van zijn voornaamste thema's bij elkaar te brengen, - een van die gevallen waarin de keuze van een kernsituatie beslissend blijkt voor de mogelijkheid van een romancier om zich volledig uit te schrijven. Pro memorie, hoe zeer het gaat om typerende Hermans-thema's kunnen wij pas achteraf vaststellen, tegen de achtergrond van het latere werk.

Natuurlijk is het aanbrengen van een verband tussen godsdienst en sexualiteit in 1943 al lang geen nieuwtje meer, maar de wijze waarop het in Conserve gebeurt, heeft weinig te maken met bekende, bijvoorbeeld freudiaanse, patronen. Daarvoor zijn de kombinaties te individueel, en ook te bizar, tenzij men het boek wil zien als een bundel ziektegeschiedenissen. Maar dat lijkt mij over het algemeen al geen geslaagd standpunt bij het beschouwen van een roman, en in dit geval manifest onzinnig omdat het ‘de waarheid’ als decisief criterium zou invoeren, waarmee, wij zullen het nog zien, het belangrijkste kenmerk van Hermans optiek op de werkelijkheid genegeerd zou worden.

Hier en daar komen overigens wel kleine freudiaanse trekjes voor, maar zij zijn òf minder geslaagd (zoals bij het reeds genoemde voorbeeld van het jak dat Ferdinand om de hals draagt), of alleen lokaal werkzaam, zoals bij de scene waarin Ferdinand door Vera gevoerd wordt, hetgeen terugwijst naar de relatie tot zijn moeder en grootmoeder zoals die al eerder getekend werd. Misschien dat het mogelijk is, in dit laatste geval toch nog verregaand generaliseren-

[p. 92]

de konklusies te trekken, bijvoorbeeld dat de moord op Vera enerzijds wraak van de indiaan Ferdinand op de blanke vrouw is, anderzijds symbolische moord op zijn moeder (juist als representante van zijn indiaanse zijde), maar ook dan zijn naar mijn smaak dergelijke interpretaties18 niet zozeer een aanwijzing voor de psychologische (diepte-)struktuur van een verhaal, als wel voor de mogelijkheid om met freudiaanse middelen een fiktie-wereld bevredigend te beschrijven.

Conserve, in ieder geval, is interessant juist daar waar de algemeen bekende psychologie niet tot de konstruktieprincipes behoort, maar waar sprake is van kwasi-psychologie, bijvoorbeeld in de zo centrale relatie tussen Onitahs incestueuze verlangens en haar egyptische fantasieën. Misschien dat ook dit door de vakpsycholoog nog wel verantwoord kan worden (dat probeer ik niet te beoordelen), maar voor de gewone lezer maakt dat geen enkel verschil.

Religieuze thematiek komt ook op meer verscholen plaatsen voor, en dan toch wel helemaal zonder relatie tot psychologische verklaringsmogelijkheden. In het begin wordt de indiaanse moeder van Fernando-Ferdinand gefotografeerd als ‘rode madonna’. Wat wordt Ferdinand daardoor? Juist, een beetje ‘rode Jezus’. De lezer die dit even aangestipte motief door mij overgeïnterpreteerd vindt, doet toch verstandig, te letten op bepaalde trekjes in andere boeken van Hermans, en dan denk ik niet eens aan Denkbaar, wiens god-zijn al in de titel vermeld wordt, maar eerder zou ik Arthur Muttah als voorbeeld willen noemen, wat, hoop ik, meer opzien zal baren. Wat is de rol van de acacia's in De tranen? Het lijkt mij dat een associatie met herlevingsgodsdiensten (Adonis, maar ook Isis en Osiris, wat ons weer bij Conserve brengt) niet apokrief is. Hermans heeft zelf trouwens gezegd dat iedere romanheld een god is. Op grond van de sitting, door Northrop Frye verdedigd, dat archetypische patronen (natuurcyclus en herlevingsritueel; kweeste; orakelmetaforen) beslissend zijn voor thematiek en vormgeving etc. van literatuur, is een dergelijke bewering zelfs helemaal niet zo wild als hij er op het eerste oog uitziet.

Terug naar ons rijtje thema's waarvan er nog éen is blijven liggen:

[p. 93]

de waarheid is voor de mensen alleen maar datgene wat de meesten geloven, of waar zij belang bij hebben.

Over dit thema heeft Hermans expliciet geschreven in de ‘Preambule’ van Paranoia. Ik kan dat nu niet ophalen, de liefhebber kent het stuk trouwens op zijn duimpje. Laten wij eens zien wat er met dit thema gebeurt in Conserve.

Het komt het beste tot zijn recht als iemand een waarheid kent die door de anderen niet gedeeld wordt, of als iemand een waarheid zoekt maar daarbij gedwarsboomd wordt omdat niemand anders er belang bij heeft.

Waarheidszoekers zijn er velen onder Hermans' romanfiguren. Muttah, Stegman, Denkbaar, Issendorf, zij allen behoren ertoe, op hun eigen manier. En ook Onitah: ‘ik wil de waarheid weten, ik wil niet getroost worden, ik wil de waarheid weten’ (p 125). Zij meent die waarheid te vinden, maar aan anderen meedelen kan zij hem niet. (Ook dat komt meer voor bij Hermans: Osewoudt.) Stel je, zegt zij, iemand voor, die een waarheid kent die voor anderen verloren is gegaan (het lijkt Roland Holst wel), zo iemand ‘weet dat hij de waarheid bezit, maar kan er met niemand over spreken’ (p 99). ‘Denkt u zich eens in dat hij uitgelachen werd, voor krankzinnig gehouden, alleen omdat hij gelijk had en de anderen dwaalden’ (p 100). De waarheid waarom het gaat, is dat de ziel voortbestaat en in onze samenleving gedoemd is eeuwig te dwalen omdat zijn ‘huis’ vernietigd is; de waarheid van de oude Egyptenaren dus. Omdat Onitah niemand van die waarheid zal kunnen overtuigen, is ook zij veroordeeld tot dit vreselijke lot, alleen, zij weet als enige beter! Dat de anderen haar dit leed aandoen, is niet eens uit kwaadaardigheid, ‘Niet uit moedwil, maar uit een onwetendheid die zonder voorbeeld is’ (p 101). Haast komt hier de titel van Hermans' eerste verhalenbundel uit de bus!

De lezer ziet dat wij bij onze bespreking van de thematiek een cirkelbeweging gemaakt hebben, en terugzijn bij het ‘gelijk hebben’ dat men niet kan ‘waarmaken’. Ik sluit dit hoofdstukje af met enkele citaten die vooral deze twee thema's moeten belichten, maar tegelijk toch ook enkele van de andere mee oproepen.

In de eerste plaats het gesprek tussen Ferdinand en Jerobeam, waarin de laatste vanuit zijn wetenschappelijke houding zegt dat Onitah ongelijk moet hebben. ‘Het is toch onwaarschijnlijk dat allen zouden dwalen. Waartoe zou voor éen het Licht slechts schijnen?’ (p 152). Dit argument klinkt aannemelijk, maar is eigen-

[p. 94]

lijk gebaseerd op de stelling dat wie de meerderheid (‘macht’ etc.) heeft, daardoor tevens gelijk heeft. Ferdinand antwoordt dan ook: ‘Waarom niet alleen voor éen? Je bent onredelijk Jerobeam, dat zul je moeten toegeven wanneer je bedenkt, dat het toch eerder onwaarschijnlijk is dat het voor allen schijnen zou, met dezelfde vulgariteit als de zon bijvoorbeeld.’ Deze redenering is minstens even aanvaardbaar als die van Jerobeam. En natuurlijk knoopt Jerobeam op zijn beurt weer aan bij het argument van Ferdinand en keert het om, en weer is het niet redelijker of onredelijker dan wat er tot nu toe gezegd is.

Nog treffender is het gesprek tussen Onitah en Ferdinand op p 125-126. Onitah: ‘Zeg, weet jij dat ook, is dat wel eens voorgekomen. Dat een geleerde een ontdekking deed, iets ontdekte wat volkomen waar was. Maar hij was niet handig in het uitleggen, niemand kon hij uitleggen wat hij bedoelde en de menschen bleven hem uitlachen, dachten dat hij een leugenaar was of een gek?’ Dit is Hermans in zuivere staat, er daarmee bedoel ik natuurlijk niet dat hij in zo'n bewering ‘zelf aan het woord is’. Ik wil niet meer zeggen dan dat Onitah hier in traditionele termen een emotionele houding tegenover de werkelijkheid verwoordt, die bij veel figuren van Hermans te vinden is. Het antwoord van Ferdinand is trouwens al even onvervangbaar hermansiaans: ‘iets waarvan wij niet weten dat het bestaat, het is hetzelfde of het niet bestaat, ja, het bestaat helemaal niet.’ Dergelijke passages maken het begrijpelijk dat Hermans zoveel jaren later door Wittgenstein gepakt wordt.

Wat men uit zulke standpunten van figuren mag afleiden, zijn dus niet opinies van de auteur, maar is een wijze van zien van de werkelijkheid bij zijn figuren. Dat dit toch weer niet los te maken is van de optiek van de romancier Hermans op de wereld, kan iedereen zelf wel bedenken. Over de fundamentele vraag wat die bijzondere Hermans-optiek is, zal het volgende hoofdstukje handelen. Alles wat wij over lokale verschijnselen en vervolgens over repetente thema's gezien hebben, krijgt tenslotte zijn belang bij de beantwoording van die ene vraag: hoe ziet de romanschrijver Hermans de wereld, en in hoeverre is Conserve daarvoor al typerend?

V

Hermans' romans worden beheerst door twee basis-situaties: de ‘held’ is in zijn wereld niet thuis (De tranen der acacia's bijvoorbeeld)

[p. 95]

of: de wereld is niet kenbaar voor de mensen die erin leven, evenmin als voor de lezer (vooral latere boeken, zoals Damocles en Denkbaar). Een kombinatie is heel goed mogelijk, en die vinden wij in Conserve. Wij hebben al gezien dat Ferdinand zich letterlijk een buitengeslotene voelt, en dat ook Jerobeam ‘eenzaam en onbegrepen’ is, evenals Onitah die alleen al door haar ziekte buiten de wereld staat. Maar is zij wel ziek? Is zij gek? Die vraag heeft betrekking op het tweede punt: de lezer kan van de romanfiguren, en de romanfiguren kunnen van elkaar en van zichzelf, niet uitmaken of zij nu ‘echt (bijvoorbeeld:) krankzinnig’ zijn of niet. Zoals in De donkere kamer van Damocles de openheid (polyinterpretabiliteit) van de werkelijkheid blootgelegd kan worden door een vraag als: bestaat Dorbeck (oftewel: is Osewoudt schuldig of onschuldig, een gek of juist de enige die de waarheid kent), zo kunnen wij ook hier door dit soort vragen laten zien dat het van de lezer afhangt wat hij van de geestelijke gezondheid van de figuren denkt. Hij krijgt volop de kans, om op de vraag: is de een of andere figuur gek? te antwoorden met: dat hangt er maar vanaf welk standpunt je inneemt, of zelfs: wat is het verschil tussen gek en niet-gek? Onitah is volgens alle gewone maatstaven krankzinnig. Maar wat zegt zij zelf? ‘Natuurlijk, ik ben krankzinnig. Ik ben er tot dusver niet in geslaagd een dokter aan zijn verstand te brengen dat krankzinnigheid iets is wat alleen door zijn zeldzaamheid wordt bepaald. Als van honderd menschen er vijf en negentig krankzinnig zijn, dan zijn niet zij krankzinnig, maar de vijf die het niet zijn. [...] Als er op de heele wereld maar een mensch leefde dan zou niemand kunnen uitmaken of die krankzinnig was of niet’ (p 84-85). Dit kan men natuurlijk de redenering van een waanzinnige noemen, maar het is in feite precies dezelfde argumentatie die Jerobeam tegen Ferdinand gebruikt, als het over het ‘gelijk hebben’ van Onitah gaat. Maar, zal men zeggen, Onitah wordt ons toch wel als echt gek gepresenteerd, juist door dit soort redeneringen! Waarom? Voor Hermans ligt het zeker anders, getuige een passage als deze uit Paranoia (Preambule): ‘Het enige wat deze zieken van de anderen scheidt, is hun onmacht zich op verzoek bij een der traditionele waansystemen neer te leggen’ (p 15). Waansysteem is er blijkbaar altijd; en inderdaad, waarom zou Onitah gekker zijn dan de anderen in haar omgeving? Om haar egyptische bevliegingen? Zijn die gekker dan het mormonengeloof van de anderen? Van haar uit gezien is haar godsdienst zelfs zinvoller! Het is duidelijk dat de

[p. 96]

lezer, met Hermans, ‘het kaartsysteem blanco moet laten’, waarin anderen het woord gek op een bepaalde plaats zetten.

Een begrip als ‘krankzinnig’ levert geen zinvolle ordening van de wereld op, en misschien doet geeneen begrip dat. Zoek maar een term die zou moeten vastleggen, waarom Ferdinand niet trouwt met Onitah. Intellektuele eerlijkheid? Eigenbelang? Zij vloeien onscheidbaar samen in de passage die daarover op p 113 te vinden is, en niemand zou kunnen uitmaken, wat er ‘werkelijk’ aan de hand is. Ook Ferdinand zelf niet, die erover door blijft piekeren (p 122). De enkelvoudige kategorieën waarmee wij in het dagelijks bestaan onze wereld plegen te beschrijven, hebben binnen Hermans' romans geen geldigheid.

Terug naar ons troepje ‘gekken’. Jerobeam bijvoorbeeld, waarom zouden wij hem voor krankzinnig moeten houden? Wij weten dat hij door Ferdinand de inrichting ingeholpen werd omdat die van hem af wilde komen. Maar wat gebeurt er vanaf het moment dat hij door de broeders meegenomen wordt? Hij kan niets meer bewijzen, alles wat hij doet of zegt, maakt hem in de ogen van anderen alleen maar duidelijker een waanzinnige. Zijn gelijk is net zo min aan te tonen als dat van Onitah, die trouwens ook om redenen van eigenbelang door Isabel en Jerobeam afgevoerd wordt. Het eerste wat Jerobeam uitroept als hij merkt wat er gaat gebeuren, is: ‘zijn jullie gek geworden’. Typisch het gedrag van een gek! Projektie! Wanneer Jerobeam zijn visitekaartje met zijn professorstitel erop aan de broeders laat zien, schudden zij alleen maar hun hoofd: weer zo een!

Maar nu het gekste: langzamerhand raakt Jerobeam zelf er minder van overtuigd dat hij niet gek is. Dat heeft misschien wel iets te maken met het komfortabele bestaan dat het willoze leven in de kliniek voor hem betekent. Dan komen wij passages tegen, in zijn brieven aan Isabel, als deze: ‘Het kan niet anders dan een vergissing zijn, soms denk ik dat de anderen gek zijn en ik niet, zóó hardnekkig wordt zij volgehouden. Het heeft meermalen weinig gescheeld of ik had dit tegen Lawrence [de psychiater] gezegd, maar gelukkig wist ik mij aldoor te beheerschen, want nietwaar, iemand die dat denkt die kan niet anders dan krankzinnig zijn’ (p 162). Gek? Niet gek? Ook als de lezer nog altijd voor het laatste zou kiezen, het maakt weinig verschil: de hele wereld houdt Jerobeam voor een krankzinnige onder de krankzinnigen. Zelfs Isabel kan niet meer door hem overtuigd worden van het tegendeel, want wie

[p. 97]

garandeert haar dat het waar is wat hij zegt, namelijk dat hij zich zo af en toe wel gek moet houden, om onaangenaamheden te vermijden?

Als lezers zien wij nog wel eens het misverstand gebeuren, bijvoorbeeld in het eerste gesprek tussen Jerobeam en Lawrence, als de laatste vraagt: ‘vertelt u mij dan eens, wat heeft u met uw zuster gedaan?’ en Jerobeam, denkend dat het om Isabel gaat, hun verhouding toegeeft, vervolgens door Lawrence (die aan Onitah denkt, en aan Jerobeams veronderstelde plannen om haar te balsemen) tegengesproken wordt enzovoorts. Voor de lezer een Osewoudttoestand, voor Lawrence een onomstotelijk bewijs dat Jerobeam aan zinsbegoochelingen lijdt. Hier weet de lezer ‘de waarheid’ wel, de romanfiguur niet. Maar elders beschikken wij evenmin over de middelen om uit te maken wat de waarheid zou moeten zijn, als de personages.

Kijk maar naar de volgende figuur in het rijtje: Ferdinand. Wanneer op p 197 deze zich zèlf afvraagt of hij krankzinnig geworden is, zijn wij allang geneigd om te antwoorden: het lijkt er veel op, ja. En op p 218 staat het wel vast: ‘Hij trok [door de negerbediende Diego vervolgd] bliksemsnel baksteenen muren achter zich op, dwars door den gang, die volkomen afsluitend, maar Diego stapte daar gemakkelijk doorheen.’ Als wij even verderop lezen: ‘Maar de vervolgingen [door Diego] hielden niet op’, dan is er geen twijfel meer aan: de man is paranoïde.

Dat kan best. Maar wéér later blijkt dat Diego echt een spion is, namelijk van Hyram C. Page, Ferdinands vroegere beschermer! Op het moment dat wij als lezers een bepaald symptoom als ‘gek’ geduid hebben, vergisten wij ons dan toch maar, en Ferdinand had gelijk: hij werd inderdaad door Diego beloerd, waar hij ook ging. Ook Isabel, die zeker niet als krankzinnige voorgesteld wordt, heeft haar aandeel in de vreemde handelingen van het hele clubje; je moeder vermoorden zonder klemmende redenen is toch niet àl te normaal (als zij het tenminste inderdaad gedaan heeft, want ook op een dergelijk punt kennen wij soms de waarheid niet). Het komt dan ook niet helemaal onverwacht, als ook zij de onvermijdelijke opmerking maakt, tegen Jerobeam: ‘Soms denk ik dat ikzelf ook gek word’ (p 210). Haar broer geeft dan een antwoord waarin eigenlijk alles besloten ligt: ‘Zoolang je jezelf nog af kunt vragen of je gek bent, is er nog niets aan de hand, geloof mij, ik heb er verstand van.’ Hij heeft er verstand van! Als wat, als gek? Want wat zou ervan

[p. 98]

terecht komen als wij dit criterium op de hele santekraam zouden toepassen? Dit: dat zij voor zichzelf geen van allen echt gek zijn (uitgezonderd misschien Ferdinand?), en voor anderen wel vanaf het moment dat zij om welke redenen dan ook ‘officieel’ gek verklaard worden.

Dat in deze wereld van moedwil en misverstand iedereen zó op anderen reageren gaat, dat van ‘normale’ betrekkingen niets meer overblijft, kan de lezer wel raden zonder het boek zelf gelezen te hebben. Het zit dan ook vol met die verkeerde aansluitingen die ons uit andere Hermans-romans vertrouwd zijn. Mensen begrijpen elkaar zo goed als nooit, of, als zij elkaar begrijpen betekent dat: doorzien, Jerobeam denkt aan de mogelijkheid dat Onitah tot haar ‘egyptische manie’ is gekomen omdat zij wel wat op Cleopatra lijkt (p 59); hij heeft de ware oorzaak niet door hoezeer hij er zelf ook bij betrokken is. Diezelfde brave Jerobeam, woedend omdat hij in de kliniek vastgehouden is, wordt aan zijn stoel gebonden wanneer hij bij de psychiater komt. Maar Ferdinand, waarvan de lezer weet dat hij werkelijk aggressief is (hij heeft perslot een moord begaan), Ferdinand wordt als ongevaarlijk behandeld. En natuurlijk is het gesprek van de psychiater met Ferdinand even vol vergissingen als dat met Jerobeam: Ferdinand praat over de moord op Vera, Lawrence daarentegen wil weten waarom hij Onitah gebalsemd heeft. Ferdinand zegt: ik deed het uit haat, Lawrence antwoordt: welnee, je hield juist van haar!

Om de misverstanden in deze wereld niet helemaal aan de hand van het al dan niet gek zijn van de figuren te demonstreren (daarmee zou ik namelijk het risico lopen, dat de storingsverschijnselen alleen als een gevolg van de waanzin van de protagonisten geduid zouden worden, in plaats van als een integraal onderdeel van Hermans' hele romanwereld), geef ik één enkel voorbeeld van een geval dat niets met psychiaters of klinieken te maken heeft:

Als de pastoor die Fernando opvoedt, hem voor het eerst een crucifix laat zien en hem vraagt wat hij daarbij ervaart, antwoordt de jongen dat hij dat niet kan zeggen. ‘Het is wel prettig om er naar te zien’. ‘Geen oogenblik dacht de pastoor er aan’, lezen wij vervolgens, ‘dat het wreede Indiaansche, eventueel ook Spaansche bloed hier spreken kon. In het missie-blaadje kwam dan ook: “Ik krijg een gevoel van naderende zaligheid.”’ (p 10). Niet alleen een vrome overdrijving van de pastoor, maar werkelijk onvermogen om te begrijpen wat er in Ferdinand aan de hand zou kunnen zijn.

[p. 99]

Iedereen ziet de werkelijkheid naar eigen behoefte.

Want dat is waar alles op uitloopt bij Hermans, steeds weer: er is geen waarheid omtrent de wereld om ons heen. Wij leven, wij geven de vorm aan onze wereld die wij kunnen gebruiken of zelfs dat niet, maar de wereld, of elkaar, begrijpen bestaat niet.

Nu kan een romanschrijver zoveel standpunten innemen als hij wil, het is voor ons allemaal van geen enkel belang wanneer hij ze niet overtuigend in romansituaties weet om te zetten. Sterker: het doet er voor ons niets toe of hij persoonlijk de dingen inderdaad zo ziet als ze in zijn verhaal verschijnen, of dat hij dat onderbewust wel, bewust niet, doet, - het gaat alleen maar om de overtuigingskracht waarmee de romanwereld opgeroepen wordt. Zelf zou ik zeggen: Hermans meent inderdaad dat het een juist uitgangspunt is om te beweren dat alles wat wij van de wereld en elkaar denken te weten op afspraken berust, en niets meer dan dat. En dat leid ik af uit de herhaling in de optiek van zijn romans en verhalen. Maar ik zou er niets tegen hebben als ik er op dit punt naast bleek te zijn (in de Weinrebaffaire lijkt Hermans zelf inderdaad te geloven in een kenbare werkelijkheid op het gebeid van vragen omtrent schuld en onschuld).

Ik heb dus nog niets over de waarde van Conserve gezegd, als ik konkludeer dat de werkelijkheid erin getoond wordt op een wijze die wij later als authentiek hermansiaans zijn gaan zien. Daarvoor zou ik nog moeten aantonen, dat deze roman niet alleen maar een oefenboek is, al is het dat duidelijk óók, maar bovenal dat het verhaal een eigen bijzondere samenhang vertoont. Ik zou moeten aantonen hoe geraffineerd die koherentie aangebracht wordt, tot in details, en vooral dat het er een is die in de lezer tot stand komt, zodat het niet gaat om de onmiddellijke, rationele, overdracht van een bepaalde kijk op de wereld, maar om iets dat wij ervaren, als een waarheid, zolang het boek duurt.

Ik ben dit artikel echter begonnen met de mededeling dat ik geen strukturele analyse zou leveren, en dat ik mij geheel zou koncentreren op de verbindingslijnen tussen Conserve en de andere romans van Hermans. Het enige dat ik tot slot nog wil doen - om tenminste een idee te geven van wat ik bedoel wanneer ik spreek over een samenhang die ‘in de lezer’ tot stand komt- is, een voorbeeld leveren dat iedereen op grond van het reeds getoonde materiaal verder zelf tot een systeem kan uitbouwen.

Ik kies daarvoor de passage waarin het huis van Ferdinand, na de

[p. 100]

balseming van Onitah, beschreven wordt in termen die voortdurend verwijzen naar Egypte, zonder dat dit expliciet gemaakt wordt. Wanneer Isabel in het huis naar boven gaat, bijvoorbeeld, lezen wij: ‘Zij begon de trap die haaks op de hoofdingang stond, te beklimmen. De trap was lang en vrij steil; zij werd naarboventoe duisterder en was boven heelemaal zwart’ (p 175). Dit is geen woning meer, dit is een piramide. Ferdinand gaat lijken ‘op den laatsten der Azteken’, Ferdinand de indiaan, zonnetempels in piramidevorm, laatste der Azteken zoals Onitah ‘laatste der Egyptenaren’ wordt. De lezer die gevoelig is geworden voor dit soort door Hermans zelf nergens geexpliciteerde verbanden, brengt de kontakten op eigen houtje tot stand, bewust of onbewust, en ziet daardoor steeds hechter samenhang waar hij aanvankelijk misschien vooral verwarring waarnam. Dat wil zeggen dat in Conserve al gebeurt wat wij uit de latere romans van Hermans zo goed kennen: een wereld die op zichzelf inkoherent is, wordt op zó samenhangende wijze overgedragen dat wij juist die inkoherende gaan ervaren, niet op gezag van de auteur, maar op grond van onze eigen lezersaktiviteit. Daarom is dit debuut van de auteur van De tranen, van Damocles, van Denkbaar, van al die novellen waar ik vrijwel over gezwegen heb, het ‘boek van een groot schrijver’, al is het dan nog geen ‘groot boek’.

 

1971

1182: Raat ziet daarin ironisering van de romanwerkelijkheid. Ik ook, maar ik vind het jammer dat erbij gezegd wordt, welk procédé toegepast wordt. Dat is nu juist wat in pop-art niet zou gebeuren.
12De oude spelling is frappant. Misschien een lekker kluifje voor iemand die bewijzen wil hoe konservatief Hermans altijd al geweest is? De titel van zijn eersteling kan dan meteen even meegenomen worden.
1382: Moet zijn: Ferdinand (korrektie Raat, p 650).
1482: Zie echter Raat p 650, die als efficiënte verteltruc ziet, binnen het kader van zijn interpretatie, wat er bij mij als een onhandigheid van de beginnende schrijver uitkomt.
15Hoewel het boek in 1947 verscheen, is de schrijfdatum, volgens de opgave aan het slot, juli-oktober 1943.

16De hoofdstukken zijn in kortere fragmenten verdeeld, die ik maar ‘paragrafen’ noem.
17Natuurlijk gaat dit voor alle interpretatieve handelingen t.o.v. teksten op; daarop berust zelfs de zin van de strukturele analyse. Maar bij Hermans wordt deze openheid en daarmee de eis van zelfwerkzaamheid van de lezer, sterker uitgebuit dan wij bij proza gewend zijn, en daardoor wordt de verhouding beschrijving -interpretatie bij hem eveneens gekompliceerder dan bij andere romanciers.

18Deze ene is voor uitbreiding vatbaar: Ferdinands latere passiviteit kan ermee in verband gebracht worden, en ook zijn sadisme, blijkend uit (negatief) de moord op Vera en wat daaraan voorafgaat en op volgt, en (omgezet in het positieve) de balseming van Onitah.

terug  begin  verder